NIEUW: Blog reclamevrij maken?
'PATATI PATATA
Een ontroerend verhaal over een liefdevolle relatie tussen dochter en haar dementerende moeder

The Breast Cancer Site
Klik deze site elke dag aan en help borstonderzoek betaalbaar houden

Archief per maand
  • 04-2010
  • 12-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 02-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008


    Feel good in TITI's elektronisch kletscafé waar het leven gezien wordt door een Oiljsterse vrouwenbril...en feel je niet good, dan retour à domicile!

    04-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Smeekbede voor autopech.
    Wellustelingen....

    episode...

    72...


     

     

    29 augustus -Onthoofding van de Heilige Johannes de Doper, Gedachtenis van de Heilige Sabina, martelares.

    Mijn God, ik aanbid U in alle ootmoed. Ik bemin U uit geheel mijn hart en bemin mijn evennaaste gelijk mezelf uit liefde voor U. Is mijn schoondochter ook een gewone evennaaste, Heer? Als dat zo is zit ik met een probleem. Hoe kan ik iemand beminnen, die voor mijn bloedeigen zoon niet doet wat een normale vrouw zou moeten doen?

    Koken kan ze amper. Dat weet Gij allang, Heer. Strijken ook niet. Al de was en strijk gaan buiten. Eerlijk gezegd, ’t is een lui vel. Rotbedorven door haar brave en simpele ouders. Die mensen hebben veel te veel geërfd in één keer. Die kunnen daar niet mee omgaan. Wees matig, zelfs met de matigheid. Dat was de regel in mijn ouderlijk huis. Gegoede burgers van huize uit zijn gewend met geld om te gaan. Nieuwe rijken niet. Wel volgende week gaat zij tenissen in Frankrijk, met haar club. Onze Francis heeft mij dat verteld en ik denk niet dat het hem aanstaat. Maar hij moet zo dikwijls zwijgen. Daarom, Heer, heb ik voor hem ajuinsoep, stoverij met patersbier en vogelen zonder kop klaargemaakt en ingevroren. Nu moet Gij luisteren, Heer. Ik wou haar dat deze namiddag meegeven en weet Gij wat ze zei? Dat zij die bazaar niet meenam, zij moest gaan turnen en als Francis honger had, dat hij naar het restaurant kon gaan.  Jawel, Heer, ik heb mijn boosheid voor de toeren van mijn man wel zeer ver doorgedreven. Met Uw genade, wil ik mijn plichten vervullen, maar ge ziet, Heer, hoe een moeder dan uitspeelt. Heer, Mijn God, verdrijf uit mijn ziel de duisternis. Ik smeek U, aanhoor mijn gebed.

    Heb dank, O, Heer!

     

    18 september- Dag van de Heilige Joseph van Cupertino, Belijder.

    Heer, uw dochter lijdt. Het was gisteren terug schandalig laat toen hij naar huis is gekomen en het was geen woensdag. Heer, Almachtige God van mij, verhoor toch mijn gebed. Mag ik U smeken als zij in zijn auto zit, hem een platte band te doen krijgen. Geen accident, Heer, gewoon een platte band. Ergens waar er geen garage is. Hij kan geen band steken. Zijn handen staan averecht voor zoiets. Daarmee zal zij inzien wat voor vlees zij in haar kuip heeft. Heer, ik weet dat dit een onwaardige bede is van uw dienares, maar alleen Gij kunt mij vertroosting brengen. Heer, als Gij mij aanhoort, zal mijn boetedoening groot zijn. Maar van een  andere kant mijn plezier ook.

    Heb dank, O, Heer!


    Wordt vervolgd.


    Reageer (1)

    03-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onreine gedachten uitwisselen met het Ark van Verbond
    Wellustelingen....

    episode...

    72...


    Eén tranerige litanie over Marianne en mij. Hoe ze ons verafschuwde en dood wenste. De panische angsten die ze uitstond voor de verantwoording, die ze ooit in het hiernamaals aan haar Heer zou moeten geven. Haar gedachten waren onrein, door en door bevlekt. Bladzijden en bladzijden lang bleef ze erover zeuren.

    Ik schudde er onbegrijpend het hoofd bij En dat voor zo’n devote, naar buiten uit zo minzame en medevoelende vrouw! Ze wist al zolang dat ze van mij niets meer te verwachten had! Zo stupide was ze ook niet! Of was het juist door die absurde godsdienstwaanzin, dat Gerda op zo’n manier redeneerde?

     

     

    Toen begon ik aan het derde dagboek, het roze. Het moeilijkst leesbare.

    Het is noodzakelijk bepaalde passages uit dit schrift in hun geheel over te nemen Woordelijk getrouw zonder er een punt of komma aan te wijzigen -spelfouten heb ik uiteraard wel verbeterd- omdat ze ten slotte het juiste beeld ophangen en de ware toedracht van Gerda’s dood belichten.

    Toch wordt de morbide  sluier af en toe opgekleurd met een vleugje kinderlijke, naiëve  humor.  Resultaat van zestig jaar dagelijkse bijbel- en missaallectuur. Van oogkleppen dragen en eenrichtingsverkeer. Van vroom leven.  Ook die passages wou ik aan u kwijt, waarde lezer. 


    Het begin:

    15 augustus - De Heilige Maagd Maria  wordt ten Hemel opgenomen.

    Allerheiligste Moeder, Gouden Hemelpoort, op mijn almanak van de Druivelaar staat O.L.V. Hemelvaart. Ik heb iets tegen dat woord Hemelvaart. Van als ze naar de maan gegaan zijn. Adrienne en Florence horen ook liever dat Gij ten Hemel zijt opgenomen.


    Roemrijke afstammelinge van David, Gij hadt Serge moeten bezig horen in Uw Heilige Mis. Ge zoudt meer dan content geweest zijn. Met zijn zachte stem vertelde hij zijn parochianen opnieuw hoe een groot teken  zichbaar werd aan de hemel en een vrouw, die, omkleedt met de zon  en de maan onder haar, op haar hoofd een kroon van twaalf sterren droeg. Iedereen hing aan zijn lippen, Heilige Moeder. Men kon een muiske horen lopen in de kerk.

    Wel, Koningin van de Heilige Rozenkrans, vroeger vóórdat die hoer in Max zijn leven verscheen, was deze dag voor mij een bijzonder heuglijke dag, een van de schoonste dagen van het jaar. Vandaag moest ik al mijn moed bijeenrapen om U te gaan vieren. Eens in de kerk, gaat het beter hoor, maar thuis! Gij hadt in uw huishouden geen weelde, maar Gij hadt een doodbrave man. Bij mij is het andersom. Vroeger had hij soms nog tijd om af en toe met mij naar de Delhaize te rijden. Maar de laatste maanden moet ik maar mijn plan trekken. Een geluk dat ik mijn zoon heb. Verleden zaterdag en zondag heeft Max met  zijn miejef 624 kilometer afgelegd en ik ben nog geen  halve liter naft waard.


    Ik heb in zijn bureau een afrekening van de Visa gevonden. Op één maand drie gepeperde rekeningen van restaurants. En Gij nu, Ongeschonden Maagd!  Tot tegen de Franse grens rijden ze. Om te gaan eten! Op het Rouppeplein heeft hij 354 euro betaald voor twee personen! Toen ik dat onder de ogen kreeg! Ik ben er nog niet goed van!

     Adrienne, dat schaap, kreeg precies een slag van de hamer. Zij moet rondkomen met een pensioentje van 961 euro. Serge vindt zulks hemeltergend. Er zijn zoveel werken van naastenliefde en barmhartigheid  nodig, zei hij. En gelijk heeft hij. Allez, Ark van Verbond, hoe Gij het draait of keert 354 euro! Het gaat er vanboven in en het komt er toch vanonder uit!


    Mijn zoon vindt dat allemaal normaal! Het is het duurste restaurant van België, zegt hij. Het schijnt dat de koningen daar gaan eten. Ik denk niet dat Boudewijn, onze koning zaliger en Koningin Fabiola daar ooit een voet hebben binnengezet. Dat waren zeer godvruchtige mensen, die leefden sober. Van een goed en schoon koppel gesproken, Morgenster!

    Zo’n mensen worden uiteengerukt. Mijn zot blijft hier maar rondlopen. Allerheiligste Maagd, denk alstublieft niet dat ik hem in zijn graf wens, ik ben niet zo verdorven, hoor! Maar ik zou er geen traan om laten.

    Gezegend zijt Gij, o dochter door de Heer, want door U hebben wij de vrucht van het leven ontvangen. In de geur van uw welriekende zalven lopen wij, de maagden die uw bovenmatig liefhebben. Verheven zijt Gij, Heilige Moeder, boven alle vrouwen.

    Heb dank, o, Heer.

     


    Wordt vervolgd


    Reageer (1)

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Levenslange ondewerping


    Wellustelingen....

    episode...

    71...


     

    Ik had haar doen verlangen naar een geestelijk, innig en blijvend samengaan. Ze had zich als jong meisje een bruid van God gewaand en wou dezelfde bruid zijn voor mij. Maar die vleselijke gemeenschap was er te veel aan. Ze hield van haar man, schreef ze, maar niet van dat vies ding tussen zijn benen. Ze had geen keuze. Dat ding moest, want ze wou moeder worden. De enige reden waarom zij niet was toegestreden tot een kloosterorde.

     

    In feite hadden haar ouders haar hoofd gek gemaakt over dat moederschap. Kwestie van de eigendommen van de familie te kunnen doorgeven. Ze konden die toch niet aan de Staat nalaten? En Gerda was altijd een gehoorzaam kind geweest. Haar kinderwens was dus gehoorzaamheid aan het ouderlijk gezag.

    Ja, ze had mij uitgekozen omdat ik haar beviel. Ze vond mij een schone man. Ik was verzorgd, proper gekleed en kon het vooral mooi uitleggen. Bovendien zou vader Vanbesien zorgen voor een andere, beter betaalde job voor mij en Gerda kreeg so wie so later de winkel. Eerst moest er een kind komen. Ten hoogste twee. Maar niet meer! Kroostrijke gezinnen dat was voor de sukkelaars. Die hadden toch niets te verdelen.

    In sommige gevallen moest een mens de woorden vanop de kansel niet al te nauw nemen. Zeker niet als er te erven viel.

     

    Daarom was een beginnend journalist meer dan welkom. Die waren toch altijd de baan op. De speleman zou daar niet dikwijls op het dak zitten. Haar moeke had haar dit op het hart gedrukt. Gerda gehoorzaamde. Altijd. Ook aan mij, haar man. Eerst een keer per maand. Na de geboorte van Francis alleen op hoog- en feestdagen!

    Inderdaad eens Francis er was, veranderde het spel van de hormonen Gerda in één grote kuisheidsgordel.

     

    Zij had schrik dat de coïtus haar melkstuwing zou hinderen. Ze speende hem daarom met plezier zeven maanden lang.

    Tiens, Adrienne kwam ook ter sprake. Uitgebreid! Een vriendelijke, hulpvaardige en devote buurvrouw. Steeds bereid om Gerda bij te staan.  Vooral wanneer zij vroeger‘s avonds alleen was met haar zoontje. Adrienne wist alles over kindjes en kindjes krijgen.

    Kinderloze vrouwen zijn vaak experten op dit gebied Bovendien was Adrienne ongehuwd, maar ze kende het echtelijk leven van A tot Z, door haar parochiale werken!

     

    Uit “ervaring” wist Adrienne dat een vrouw na een zwaar kraambed, (Francis woog 5 kg bij de geboorte), zeker nog twee jaar nodig had om haar lichaam in orde te krijgen en vooral haar…binnenwerk! Gerda gehoorzaamde opnieuw. En met geestdrift. Afzonderlijke slaapkamers werden definitief een feit.

    Waarom, Heer, ben ik dan zo van streek en belust op haat? Gerda stelde dergelijke vragen aan haar God, maar kreeg blijkbaar geen afdoende antwoorden en formuleeerde ze dan maar zelf:

    Is het omdat hij zich afgeeft met een del? Een vrouw die ongemanierde dingen met om het even welke man doet? Omdat zij zich dik laat betalen en er niet op let of zijn onderlijf al dan niet gewassen is?

     

    Haar Heer zweeg echter in alle talen. Daardoor kreeg Gerda de indruk, dat de hele omgeving haar uitlachte en met de vinger wees. Alleen haar vriendinnen toonden medeleven en Gerda klampte zich aan hen vast. Ook aan de sterkte van het gebed en de zo dankbare steun van pastoor Serge. De priester, die niet alleen als afgezant van haar Heer maar vooral als mens zoveel voor haar betekende

    O wee, als ik dan terugkeerde van mijn eerloze duivelin, haar misselijk parfum meebracht en Gerda mijn glazige ogen zag. In die ogenblikken had zij huilend van schaamte in de grond willen zinken.

    Alles in Gerda brandde op van pijn. Van woede, ontzetting en onmacht. Ze riep samen met haar vriendinnen alle kwalen uit over haar twee kwelgeesten. Gevierendeeld moesten wij. Niet tot as veroordeeld in de hel. Wel daar voor eeuwig en altijd branden: ik aan de ene kant en Marianne aan de andere kant.

    Zo gingen die dagboeken door.


    Wordt vervolgd


    Reageer (1)

    31-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De lectuur vangt aan!


    Wellustelingen....

    episode...

    70...


    Maar onderaan al die oude jaargangen van Knack, Trends en Elsevier. Koord rond, knopen en buiten. Komaan, de eerste jaargang. Neen, een halve was al voldoende zwaar.

    Ik tilde het pak uit de kast en zag opeens tegen de muurwand, rechtopstaand drie dunne schriftjes. Drie volledige tafels van vermenigvuldiging op twee groene en een vuil roze kaft.Ik jubelde het uit.

     

    Dat waren ze, haar dagboeken! Ik herkende ze meteen. Ik had er Gerda een paar keer mee betrapt in de keuken. Niet te geloven. Ik had ze gevonden. Mijn slaaploze nachten, mijn nachtmerries, haar judaspenningen. Mijn Vloesberghe-fobie! Gerda’s gezwets. Kermits Sisyphustales.

     

    Ze stonden daar. Mijn wettelijke onschuld, daar gewoon tegen de muurwand. Mijn handen trilden.

    Verbranden ga ik jullie, bij Marianne in de tuin. In de verste hoek van de tuin. Ik had ze. Eindelijk! Ze stonden daar voor het grijpen! Jongens, jongens, zelden had ik me zo opgelucht gevoeld en voldaan geweten.

     

    Ik belde meteen Marianne. Ze slaakte gedempte juichkreetjes:

    ‘Vanavond beginnen wij met champagne…in bad! En de rest, on verra!”

    Ik zweefde al even ongeremd als zij. Ik deed de voordeur op slot. Installeerde me in het salon en begon te bladeren. Dag en datum stonden zorgvuldig genoteerd. Zelfs de naam van de heilige van die dag had ze niet vergeten. Benieuwd wat me nu zou geopenbaard worden. Devote saus over een schotel overspel. Goddelijke banbliksem over wellust.

    En ik las.:

     

    Het ging in het begin inderdaad uitsluitend over mij en haar. Over mij en mijn hoer. Sporadisch over Francis en Pat. Met zijnoten over Serge en haar kerkvriendinnen. Over hun parochiale werken en intense godsvrucht.

    Nooit of nooit, zo schreef ze, zou ze het mij kunnen vergeven dat ik een minnares had. Dat ik me dag na dag dieper in de hellegloed waagde en mijn lichaamsdelen bevuilde aan dat schepsel.

    Mijn dood en het levend verbranden van die heks mocht zij niet wensen. Doch ze deed het en met volle graagte. Vroeg dan de Heer duizendvoudig om vergiffenis. Ze wou zelfs weten of ze even smerig, bevlekt was als ik, omdat zij zo’n slechte gedachten koesterde. Ze zou haar biecht gaan spreken bij Serge en zien wat hij ervan dacht!

     

    Ze begreep niet dat God haar urenlange smeekbeden niet aanhoorde en mij niet op het juiste pad terugbracht. God had al meer zondaars op de goeie weg gezet. Maar of er daar hoerenlopers bij waren, dat had Serge niet verteld. Zij zou het hem vragen.

    Ik las hoe Gerda ooit toch echt verliefd op mij was geweest. Hoe ik haar lichaam had doen zinderen van verlangen!  Niet te geloven! Ik?  Haar verlangens opgewekt? Ik zou niet weten wanneer, maar nu kwam de kat op de koord!



    Wordt vervolgd


    Reageer (0)

    30-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De confrontatie
    Wellustelingen....

    episode...

    69...


     

    Het regende nog steeds. De week voordien hadden we een bakhete zondag met 28 graden Celcius gehad. Nu was het kil. Onaangenaam, grijs en nat. Het bleef maar druppelen. En daarna, onze typische drache nationale!

     

    Ik besloot tot een laatste zoektocht in de villa. Ik moèst de dagboeken vinden. Ze waren er. Dat stond voor mij als een paal boven water. Maar waar, waar?

    Lukte het niet, dan zou ik de achterbank en de koffer van de wagen volladen met de meest dringende rest van mijn persoonlijke zaken. Mijn pc en Epson, mijn fototoestellen. Enkele van mijn dierbare klassiekers, die ik nu en dan graag herlas. Mijn collectie cd’s, de gereedschapskist van vader (puur jeugdsentiment), mijn broodvormen en de twee zakken bloem! Natuurlijk enkele foto’s van Francis, zeker die met mijn ouders. Nog enkele kistjes Medoc, enkele flessen Graves, de resterende vijf flessen uitzonderlijke Sauternes. De verhuis van Stan en Laurel wou ik eerst met Marianne bespreken. For every problem there is a solution, ook voor mijn kippen.

     

    First things first: mijn tenen. De sok plakte aan de nagels door het gestold bloed. Ik kon beide tenen vrij goed bewegen. Het viel in feite nog mee. Overwegend dank zij de kwaliteit van Church. “Even verzorgen en misschien morgen bij de dokter langs.

     

    Ik besloot eerst naar Marianne’s woning te rijden. Ze had me een huissleutel gegeven. Fijn, veilig gevoel. Ik had nu eindelijk een echte thuis. Ik drukte het nummer van Darcy in en gaf haar een kort relaas van de uitvaartparty. Haar collega was ziek gemeld. Het zou vanavond wat later worden, verontschuldigde ze zich.

    ‘In dat geval blijf ik hier nog wat verder zoeken, lieveke.”

    ‘Wanneer ga je daar nu eindelijk mee stoppen, Max? Je hebt je al suf gezocht en het levert niets op. Rond halfzeven ben ik thuis. Wat krijgt venteke straks?’

     

    Haar stem kreeg weer dat heterig zwoele, die bedwelmende hypnose. Als een drug van geraffineerde sensualiteit. Met speelse tederheid en vol belofte:

    ‘Aspergeroomsoepje met enkele grijze garnalen, lamskroon met flageolets en gepersileerde krieltjes, een flesje Margaux of een Bourgogne. Nadien, als hij nog zin heeft, huisbereide kiwisorbet. Een nadien, nadien, al de rest. Je t’aime, mon trésor. Ik verlang naar jou, lieverd, naar onze dagen, onze nachten samen. Amote!’

     

    Wat kon me dat rotweer schelen! Wat die moord,  Vloesberghe, Pat en de dagboeken! Marianne was er en bleef er voortaan voor mij. Iedere minuut van ons leven. Wij waren samen. Tot het einde. Tot onze laatste zucht.

    Héla, vriend, ontnuchterde denkduiveltje. Flippen is voor vanavond. Ga liever zoeken! Kermit gaat beslist nog deze week op pad om een deel van de inboelel hier te verkopen. Ze is loops, ze heeft geld geroken!  

    Natuurlijk moest ik de realiteit onder ogen zien en ja, Pat zou Francis wel weten te bewerken, om zo snel mogelijk het een en ander te liquideren.

    Op de stoepen van mijn buren stonden dozen en samengebonden pakken papier.

    Hoogstwaarschijnlijk morgen ophaling. Ik had stapels liggen en besloot die methodisch weg te werken. Eerst in de hal. Te beginnen met de grote muurkast. Speciaal ingebouwd met legplanken en bovenaan een ruimte voor koffers en reistassen.

    Massa’s knipsels lagen er. Ooit had ik ze beslist belangrijk gevonden, doch nooit meer naar omgekeken. De buitenlandse bladen waarin ik de voorbije jaren een bijdrage had kunnen plaatsen. Al die Sterns, Spiegels en Vrij Nederlanden. Ik kon het echt niet over mijn hart krijgen ze zomaar weg te doen, ijdeltuit die ik was.



    Wordt vervolgd


    Reageer (0)

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De pens afdraaien en bedrog
    Wellustelingen....

    episode...

    68...



    Pat veerde recht. Ik wou haar doorlaten en… aauw! Ik hoorde mijn uitroep van pijn. Kon net een vloek bedwingen. Het koor zweeg enkele ogenblikken. Ik zag eventjes niets meer. Alleen witte en zwarte stipjes. De pijn was scherp. De teef had met haar naaldhak de neus van mijn schoen bijna doorboord. Als dit geen teenfractuur was!

     Ze keerde terug, nam haar plaats in en fluisterde gniffelend:

    ‘Troost je. Dit is maar het begin!’

    De zwarte karavaan trok in drie rijen langzaam voorbij. Keerde terug van het altaar en trachtte een glimp van die brullende idioot vooraan op te vangen.

     

    Niet mee inzitten, vriend, fluisterde denkduiveltje. Je hebt een valabel excuus om er meteen als de bliksem vandoor te gaan. Maar  zie jij wat ik zie. Die zes rieten mandjes propvol biljetten. Begrijp je nu die schone cadeau van Serge met zijn gratis dienst! ’t Is hier vollen bak! Het tienvoudige heeft hij verdiend ! Een pastoor en gratis? Dat kan in Columbia of in de Marollen.  Maar hier niet!

     

    Mijn tenen bleven kloppen, doch de grote pijn verdween langzaam. Bij het verlaten van de kerk alweer prijs: een  witte stamp tegen het middenrif. Kermit :

    ‘Je was beter niet gekomen.’

    ‘Ik doe wat ik moét doen.’

    ‘Je gaat toch niet mee naar het kerkhof? Doe mij dat niet aan! Heb je de mensen al zien staren? Je moet geen schriftgeleerde zijn om te weten wat ze denken!’

    ‘Ik betaal, dus ik bepaal. Bek dicht, jij!’

    ‘Ssstt!’ mompelde Francis.

     

    Eindelijk, eindelijk was de ceremonie van de teraardebestelling voorbij. Eefje, Fred en Karel zochten mij op. Eefje was, zoals altijd, overbezorgd. De baas zou beter meteen naar die voet laten uitkijken. Karel had via via mijn pensioenaanvraag vernomen. Iedereen op de redactie, de oude garde toch, was er het hart van in. Ook in de drukkerij was er enige commotie ontstaan. Ze hadden allen begrip voor mijn situatie. Maar het kwam te onverwacht en te hard aan. Fredje nam mijn beide handen. Zijn eerlijke ogen werden vochtig. Ik wist dat zijn hersenen koortsachtig de juiste woorden zochten:

     

    ‘Chef, we gaan u missen. Maar ge moet u dat niet zo aantrekken. Wij slaan er ons door. Voor u is het allemaal veel erger. Sedert die…dag zijt ge geen minuut uit ons hoofd geweest. Dju toch, dat iemand zoals gij zoiets moet tegenkomen! Een mens zou van veel minder zot worden. Chef, nog iets, hadden wij geweten dat wij bloemen mochten meebrengen, we zouden het gedaan hebben. Eefje is rond geweest, wij hebben dat geld gestort, hoor!’

    Ik had geen flauw idee waar hij het over had. Eefje begreep mijn verbazing niet en verduidelijkte:

    ‘Meneer Cijnens, op de rouwbrief stond toch duidelijk vermeld: noch bloemen, noch kronen. U, enfin, de familie wou  liever een storting voor de sociale werken van de stichting  van mevrouw.’

    Wat had Pat opnieuw bekokstoofd? Waarom had niemand, ook Francis niet, mij hierover ingelicht?

    ‘Een kleine vijfhonderd euro hebben wij rondgehaald. Iedereen heeft gegeven voor u, chef, en ons Eefje heeft dat allemaal gearangeerd, nietwaar, kind?

     

    Hoe fier Fredje ook was, dit zinde me echt niet. Dit stonk naar geldklopperij. Terug in de wagen, eiste

    ‘Wat is hier gaande, Patricia?’ vroeg hij sec.

    De berispende toon en het gebruik van haar volledige voornaam – ze had er een afschuw aan- ontketende een witte woede:

    ‘Merci, ik zal me nog eens inzetten voor jullie familie! Jij te lui om je poten uit te steken en hij dààr te laks om zijn smoel open te doen. Ik heb de benen vanonder mijn lijf gelopen voor je moeder, de schaamte van mijn leven opgelopen. Serge, Adrienne en ik, we hebben ons pens afgedraaid en nu stank voor dank. Loop alle twee naar de duivel! De pot op, verdomme!’

    Francis richtte zich heel kalm tot de chauffeur en bood zijn excuses aan voor het gedrag van zijn echtgenote. De jongeman kende blijkbaar het klappen van de zweep. Knipoogde naar mij en concentreerde zich verder op het verkeer. Pat had gelijk.

     

    Ze had inderdaad haar pens afgedraaid! 

    In het restaurant zo’n zeventig, mogelijk tachtig personen. Zeven kelners. Aperitief naar keuze, van champagne tot frisdranken. Ik kon mezelf om de oren slaan dat ik mijn schoondochter carte blanche had gegeven.

    Pat had stoom afgelaten en haar make-up in orde gebracht. Ze acteerde geweldig als leading lady van deze rouwparty: een en al bescheiden drukte, een verhaaltje hier, een teder gebaar daar. Ze introduceerde hààr priester, Adrienne en Madeleine aan iedereen. Serge imponeerde met zijn Latijnse uitspraken. Kermit genoot. Dit was lifestyle op z’n best.

     

    Ik ging aan tafel naast Francis zitten. Hij zag er even afwezig-verveeld uit als ik. Vanavond zou er in Keerbergen hartig gepraat worden over de  stichting van Gerda. Dat wist ik. Mijn zoon zat met haar fonds in zijn maag, ik met haar dagboeken.

     

    Na het voorgerecht stapte ik op. Koel groetend. Zonder handjes te drukken of blabla. Het was me allemaal te veel.





    Wordt vervolgd



    Reageer (0)

    28-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De uitvaart
    Wellustelingen....

    episode...

    66...


    Mijn zoekttocht staakte toen de stoffelijke resten van Gerda werden vrijgegeven. Mijn lege woning werd omgebouwd tot rouwhuis. Bedrijvencentrum voor de organisatie van begrafenissen. Hoofdkwartier van de organisatoren van een méér dan plechtige uitvaartceremonie. Alle rolluiken naar beneden en vanonder tot boven lichten aan. Kermit kikkerde ervan op. Zij, Adrienne, Madeleine en Serge namen de touwtjes in handen. Francis en ik lieten begaan.

     

    De redacteur van de vierhonderd aankondigingen, driehonderd prentjes en misblaadjes was Serge. Madeleine en Adrienne, ceremoniemeesteressen en bloemendecoratrices. De rest van hun club verdeelden de taken: stoelenzetsters, altaarversiersters en familiekelderoppoetsters.

     

    Pat trommelde telefonisch haar tennisclubleden, fitnessdametjes en vermoedelijk de helft van Keerbergen op. Schreef en herschreef haar deelnemerslijsten. Besprak alle details met een fotograaf. Stond in voor de catering. Regelde vervoer met zwarte Mercedessen. Zocht samen met Serge koor en muziek uit. Wou per se dat Francis en ik een speciaal en identiek pak huurden. Mijn ‘dat zie je van hier’ ontketende de zoveelste golf van verwijten en ik trok mij terug in mijn werkkamer.

     

    Gerda werd niet zomaar begraven. Je zou haast denken dat ze als bruid aan haar god werd geschonken.

    Toen ik vernam dat Pat een kist ter waarde van 2485 euro had besteld, heb ik de geldkraan dichtgedraaid. Deze absurde schone schijn zou me anders een fortuin kosten!

     

    Ik wou bij Marianne zijn. Weg van deze comedia d’ell’arte en ik kon verdomme geen kant uit. Stel dat iemand toevallig iets zou vinden. De “bevelhebbers” snuffelden natuurlijk niet in mijn kasten en laden, maar zowel Pat als Adrienne waren meesterlijk in hun rol en comandeerden voortdurend Ingrid, onze poetsvrouw, en haar opruimingsspatrouille.

     

    Serge was geflankeerd door twee collega’s. De organist speelde heel zachtjes Bach. Een zevenkoppig koor stond perfect uitgedost in gelid. Serge deed zijn apostel inderdaad de ontroerendste eer aan. Dit had ik van hem niet verwacht. Of toch?

    Zijn dames hadden hun beste beentje voorgezet. Hun allerbeste. Het kleine kerkje blonk. Het zilverwerk schitterde en het koper glansde. De tapijten gestofzuigd. De witte fresia’s verspreidden hun heerlijke geur. Gerda’s neus zou krullen, haar ogen stralen, moest het nog kunnen.

     

    Maar ze lag daar koninklijk opgebaard in haar gesculpteerde voleiken kist van 2485 euro, midden een zee van bloemen: “Aan onze diepbetreurde moeder”, “Van uw rouwende vriendin Adrienne”, “Aan de engel der Zieken”, “Voor onze zuster in geloof”. Bloemen van Darcy en ook van de uitgeverij. Zelfs van het gemeentebestuur. Van het personeel van Francis. Ook van enkelen van zijn klanten.

     

    Ik stond voor de kist. Gerda lag erin en ze stond er eveneens naast.

    Ze droeg een te grote zwarte hoed, die scheef zat op haar hoofd. Ik zag een stukje benige neus en een bevroren grimas boven de te kleine ingetrokken kin. De foto was een vergroting, volledig gedisproportioneerd. Genomen op de trouwdag van Francis, bij het verlaten van de kerk. En ik was eruit weggewerkt. Een grotesk beeld. Gelukt als flauwe grap, doch vandaag totaal ongepast.

     

    Adrienne plaatste ons zoals het hoorde. Francis, Pat en mij rechts van de kist. Zij en de clubgenoten links. De klok luidde en de rampentoeristen en kijklustigen schuifelden binnen. Het handjes schudden begon en de ogen spraken boekdelen.

    Ogen als laserstralen. Spottende ogen. Triomfantelijke ogen. Nederige ogen. Niet-goed-wetende-waarheen-te-kijken ogen. Ogen vol warmte en medeleven van Eefje, Fredje en Karel. Ogen vol minachting. Ogen met begeerte, want weduwenaar met villa, poen en dik pensioen. Wufte, zwaar opgemaakte ogen. Verveelde ogen. Lensogen. Bespiedende ogen. Hautain blikkende ogen. Vermoeide ogen. Bierogen. Bijziende ogen, serpentenogen en troostende ogen. De ijzige ogen van Simonne  en de spleetogen van haar wormvormig aanhangsel. De bonvivant-ogen van Gerard.

     

    De komst van Serge maakte een einde aan de parade. Een priester die mij verloste in de ware zin van het woord! Bedankt Serge. Adrienne commandeerde met handgebaren. Tot mijn verwondering begreep ik alles.

    De kleine kerk zag, letterlijk en figuurlijk, zwart van het volk. Hier en daar een stipje grijs en bruin. Met één uitzondering: Pat in koninklijk wit. Zeer modieus. Heel zelfverzekerd. Witte kousen, witte schoenen, witte handschoenen. Solarium gebruind, zwaar opgemaakt gezicht. Felrode lippen, hoog opgestoken donker haar. Daarover een hoofddoek in ragfijn  wit kantwerk, kunstig gedrapeerd over de schouders. Evita van Brabant.

     

    Ze plaatste zich tussen Francis en mij en stak onmiddelllijk sissend van wal:

     ‘Je moest door de grond zinken van schaamte, schoft. Nog geen bloem voor ma. Je mocht zeker niet van madam Dries. Francis is er het hart van in. Je gaat het een en ander meemaken vandaag en morgen. Wacht maar.’

    Ik hield me zo afstandelijk mogelijk. Ik stond naast een kist met daarin een hol lichaam, dat in feite nooit enig warm contact met mij had gehad. Het enige bindmiddel was Francis geweest. Toen hoorde ik de zacht-zalvende stem van Serge:

     

    ‘We zijn hier allen om een diepbedroefde familie bij te staan. Doch vooral om een laatste en passende hulde te brengen aan de ons zeer dierbare Gerarda, Maria, Martha Vanbesien. Een vrouw, veel te goed en te braaf voor deze duistere wereld, die met de dag meer en meer geregeerd wordt door duivelse machtswellustigen. Een vrouw die leefde naar Gods woord. Een vrouw die uitverkoren was. Een kind van god.

    Ze heeft me ooit toevertrouwd dat ze in haar jeugd één grote droom had: de bruid van de Heer te mogen worden. Tussen droom en daad staat de uiteindelijke bestemming, dierbare parochianen. En God had Gerda voorbestemd om een liefhebbende en trouwe echtgenote te worden. Vooral een voorbeeldige moeder. Een moeder die de christelijke waarden aan haar zoon wist door te geven.

    Haar andere roeping beleefde zij hier in dit Huis van God, samen met haar vriendinnen. Samen beoefenden ze hier de deugden van zelfverloochening, naastenliefde en vertrouwen in de goedheid van elke mens. Ook vergiffenis schenken aan die medemens. Verdraagzaamheid tonen en begrip opbrengen voor het anders-zijn van elkeen.Het zou kunnen dat juist dit begrip en haar gekende hulpvaardigheid Gerda noodlottig werden. Ik vrees dat we de ware toedracht misschien nooit gaan kennen. Maar in elk gebed zullen wij, haar vriendinnen en ik, steeds onze geliefde zuster gedenken. Mag ik u daarom allen, beminde parochianen, vrienden en kennissen, uitnodigen om samen met het koor zingend te bidden, de tekst op pagina drie “De poorten gaan open, een ziel wordt verwacht.’

     

    Ik zag Francis voorzichtig in een broekzak tastten. Hij vouwde een biljet van 100 euro zo klein mogelijk op. Pat had twee briefjes van 50 heel demonstratief in de hand. Wat kregen we nu!  Die mis hier was toch gratis had Serge gezegd.

    Een lijkdrager, getraind in bedroefd kijken, kwam naast mij staan en stak discreet zijn rechterhand uit richting voet altaar, waar Serge en zijn collega’s hun opwachting maakten. Ik had geen flauw idee wat hij bedoelde.


    Wordt vervolgd



    Reageer (1)

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zoektocht tussen demonen


    Wellustelingen....

    episode...

    65...


     

    Die late namiddag, na mijn uitzonderlijk lang bezoek aan mijn ouders, toefde ik alweer tot valavond in de villa. Dat zonderling geworden grafhuis vol spoken.

    Ze waarden er rond, die flemende, aanbiddende, zingende, zalvende, lovende en kruiperige dwaasspoken.  Ze zaten verscholen in de muf-bestofte hoeken, waar schapulieren, paternosters, snoeren en bedevaartssouvenirs bengelden. Ze giechelden me toe vanop de bidbanken, doorheen de glazen stolpen, tussen de zware, vergulde bijbels, waarvoor binnenkort misschien antiquairs zouden vechten. Ze fluisterden gedempt met bidlippen uit missalen en relikwieën allerhande. Ze kropen uit de kelken. Klommen op monstranzen.

     

    Ze waren een wereld op zichzelf. Bedreigend en belachelijk terzelfdertijd. Ik bleef er verstomd naar staren. Saters, een Jeroen Bosch waardig. Dat Francis hier nooit op gereageerd had? Dat hij zijn moeder had toegelaten er dagelijks in te leven!

    Hij had Gerda destijds een hysterica genoemd. Een veel te klein woord voor die extreme fobie. Deze kamer getuigde van waanzin, van pure krankzinnigheid. Jaren geleden had ik  de inrichting ervan reeds zo bespottelijk stom en pijnlijk belachelijk gevonden. Zelfs als normaal aanvaard dat Gerda slaapmiddelen moest gebruiken. Om rust te vinden tussen die sinistere decoratie had een mens inderdaad meer dan een sterk roesmiddel nodig.

     

    Het deed me kokhalzen. Vooral dat bed. Nooit eerder gezien. Kwam dat ook uit haar ouderlijke woning? Een echt nonnenbed.  Smal, hoog, totaal versleten beddengoed erop. Eronder een geaderde stenen nachtpot. De sponde versierd - nou ja, versierd!- met lange palmtakken en witte geknoopte koorden. Ik stikte. De ramen moesten open.

     

    Buiten donderde het. Gerda had me blijkbaar vanuit haar hemel gezien. Ik had haar gebedsoord onteerd. Ze protesteerde.

    Ik begon systematisch haar kapel te doorzoeken. De politie had dit vóór mij natuurlijk zorgvuldiger gedaan. Ik echter wist wat er precies moest gezocht worden. Ik kamde alles uit. Zangboeken, gebedenboeken. Keek tussen de bijbels. Doorzocht laden van linnen- en kleerkast, nachtkastjes. Keerde zelfs het versleten matras om. Het stonk, was vol met bruinige kringen. Gerda, zo kieskeurig, zo overdreven hygiënisch in  keuken en badkamer, sliep op een oud, doorlegen matras bevlekt met nonnenzeik, miljaar!

     

    Ik keek aandachtig in elke doos. In  schoenendozen. In oude hoedendozen, niets. Geen schriftjes, Helemaal niets.

    Ik zag in een waas mijn schoondochter. Themis met puitenogen. Ijzig en vulgair. Wrekend en vonnissend uit het niets te voorschijn tredend. Hoorde haar sissen:

    ‘Je zal ze niet vinden, jij , al weet je dat ze bestaan, die dagboeken! Want ik heb ze! Gerda gaf ze mij als bewijs na die aanrijding. Ja, ik breng jou voor het gerecht, Max Cijnens, welke schande dit voor je zoon en vooral voor mezelf ook inhoudt. Hangen zal je, moordenaar!’

    Hoorde ik een schelle, echoënde spotlach? Sloeg mijn verbeelding  helemaal op hol? Ik vermande me. Kermit verdween. De kamer werd opnieuw een sombere kapel. Zonder demonen. Zonder enig geheim prijs te geven.

     

    Als ik morgen opnieuw kwam zoeken? In de kamer, die Francis vroeger had betrokken? In de logeerkamer, op de twee zolders, in de keuken? Maar wat als ik terug met lege handen dit huis verliet. Wat als de schriftjes werkelijk verdwenen waren? Wat als ze in het bezit van Pat bleken? Er keerde iets om in mijn binnenste.

    Natuurlijk zou ik zwijgen tegenover Marianne. Ik mocht haar niet met mijn onrust besmetten. Ik moest doorbijten. Hardnekkig en geduldig blijven zoeken. Dag na dag.



    Wordt vervolgd


    Reageer (0)

    27-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hongerende lippen
    Wellustelingen....

    episode...

    64...

     

    Wat ik ook zei, mijn argumenten hielpen niet. Dit stomme interview raakte Marianne nog dieper dan ze wou toegeven. Het bleef eigenlijk ook wat in mij nazinderen, ondanks mijn luchtig afwimpelen.


    Ik kende die rakkers door en door. Was er zelf ook eentje geweest! Wat hing er de volgende dagen nog allemaal boven mijn hoofd? Indien ze weet kregen van Marianne, dan was het hek van de dam en zou er pas gesmuld worden!

    Ik betaalde de rekening. Marianne moest naar kantoor. We zwegen in de wagen. Voor ons was zwijgen soms duidelijker dan spreken. Ik verdrong alle narigheden.


    Ik wou me nog slechts vastklampen aan de gedachte, dat ik van nu af aan bij mijn vrouw kon zijn als heer des huizes. Dat ik van vandaag en alle volgende dagen, weken, maanden en jaren altijd bij haar zou zijn. Wij reden de parking van Darcy op. Ik had iets met die parking. Ik hield van het oerlelijke graffiti, een prettig decor voor een bekend intermezzo. Ik hoefde er niet op te wachten. Het kwam er meteen: Marianne in haar weelderigste overgave!


    Haar zoveelste heruitgave van onze eerste kus. Heel teder, alsof onze lippen mekaar nauwelijks beroerden. Seconden en seconden lang. Dan crescendo tempo. Tot die jubelende explosie van twee brandende monden, twee hongerende tongen, die vochten, sneuvelden en herleefden.

    Ons meesterschap bekroond met een voldane en wellustige onderdanigheid. Dankbaarheid. Liefde.

    ‘Kun jij kussen!’ zei ik zachtjes, bewonderend.

    ‘Correctie! Kunnen wij kussen, lieverd!’ verbeterde ze, verleidelijk monkelend, en  overompelde me opnieuw.


    Dit wordt voor ons beslist nooit een gewoonte, hoe vaak ook, wist ik. Een gewoonte laat immers niet elke keer dat zalig geluksgevoel na.

    “Vòòr ik naar de villa rijd, ga ik eerst bij mijn ouders langs. ’t Is al vijf dagen geleden dat ze me gezien hebben. Moeder maakt zich onmiddelllijk zorgen. Trouwens ik wil zelf vertellen wat er gebeurd is, stel dat ze een of andere krant onder  ogen krijgen.’

    ‘Vergeet niet aan de verantwoordelijke te vragen de eerstvolgende dagen alle kranten en magazines ver van je ouders te houden. Geen opgeklopte sensatie voor die oude sukkels. Weet je, lieverd, ik kijk er echt naar uit om over enkele maanden met je ouders kennis te maken. Denk je dat ze me zullen accepteren? Misschien nemen ze het me kwalijk dat…’

    ‘Je kwalijk nemen dat ik van je hou? Jij, mijn bron van geluk! Kindje toch, mijn moeder zal je zo dankbaar zijn. Bij elk afscheid  vraagt ze naar jou. Vader blijft in de kamer, maar moeder loopt met mij mee tot aan de wagen. Dan wil ze alles weten. Waar we gegeten hebben. Welke jurken je draagt. Welke bloemen ik je heb gestuurd. Je favoriete crèmekleurige handtas, die heeft zij uitgekozen en de bijhorende zijden foulard. Ze was in alle staten. Gans de Louisalaan hebben we gedaan. Haar benen mochten dan vierentachtig zijn, haar ogen schitterenden als van een twintiger. Je had haar aan het werk moeten zien in die winkel! Zo kieskeurig! Ik heb daar op z’n minst anderhalf uur op een stoeltje gezeten en zij maar ratelen over de elegantie van haar knappe schoondochter, over de mode die zij soms zo ordinair vindt. Mijn moeder heeft geen Röntgenogen, maar echografische ogen. Elk deeltje van mij wordt telkens weer gescand, de kleinste storing gededecteerd. Mijn moeder is gewoon fantastisch, Marianne. Ik verlang er zo naar je te kunnen voorstellen. Tot straks, lieveling, werk je niet te pletter. Morgen komt er nog een dag.’



    Wordt vervolgd


     

    Reageer (0)

    26-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Allemaal kletskonten
    Wellustelingen....

    episode...

    63...


    Ik dronk het glas fruitsap leeg, wenkte de kelner. Inmiddels had Marianne de krant opengeslagen en ik hoorde haar op fluistertoon, wat jachtig en boos lezen:

    ‘Adrienne Uytterbroeck, buurvrouw en boezemvriendin van het slachtoffer, is zwaar geschokt door dit drama. Ook zij begrijpt echt niet  hoe een dergelijke laffe moord in de zo stille en rustige laan kon plaatsvinden! Mevrouw Uytterbroeck, evenals andere bewoners, zijn ervan overtuigd dat deze daad verband houdt met de golf van inbraken de voorbije drie maanden. De schrik zit er bij de omwonenden goed in. Het slachtoffer stond bekend als een warme, fijngevoelige en vooral diepgelovige dame, ten zeerste bekommerd om het lot van bejaarden en zieken in de parochie. Max Cijnens, echtgenoot van het slachtoffer en hoofdredacteur van “Jool’s”, was uitgerekend die avond blijven overnachten in een Brussels hotel. Omwille van een late vergadering op de krant. Volgens onze bronnen werd de heer Cijnens echter omstreeks middernacht nog gesignaleerd in een nachtclub aan de Adolphe Maxlaan.

    Ook zou hij eergisteren bij aankomst aan zijn woning meteen door de federale recherche zijn opgeleid voor verder verhoor. Bij het ter perse gaan werd de aanhouding van Max Cijnens niet bevestigd, doch ook niet ontkend. Het onderzoek zal de eerstvolgende uren meer duidelijkheid moeten brengen.’

    Mevrouw Uytterbroeck verklaarde dat Max Cijnens in de omgeving bekend staat als een hoffelijke, doch weinig spraakzame man, die uitsluitend leeft voor zijn werk. Ze vermoedt dat de relatie tussen de echtgenoten daardoor zeer bekoeld was, vooral de laatste jaren. Ze verklaarde ons o.m.:

     

    ‘Gerda, mijn vriendin, dacht dat er iets anders aan de hand was. Enfin ze dacht dat niet, ze was er zeker van. Ze had er de bewijzen voor, zei ze, en haar schoondochter ook. Maar meer zeg ik daar niet over, meneer, ik weet wanneer ik moet zwijgen, God is mijn getuige. Daarbij, het is al erg genoeg zo. Maar ik mag wel zeggen dat Gerda, niet wilde scheiden. Haar man wou dat wel, maar Gerda zei altijd ‘over mijn lijk’. Nu is het zover, hé, meneer. Ze is nu een lijk. God hebbe haar ziel. Maar ik ben zo goed als zeker dat Max daar voor niets tussen zit. Neen, zoiets, een moord, nee dat zie ik niet. Langs een andere kant, al ziet ge een mens, ge kent hem  niet en een woord te veel is vlug gevallen, nietwaar? Van het ene komt het andere.’

     

    ‘Marianne, hou op, ik verdraag die prietpraat niet!’

    Ik hoorde en zag Adrienne op de drempel van haar afbladderend huis ‘Groene Rust” staan. Met borstel en stofdoek. Op eender welk uur van de dag stond Adrienne op uitkijk, te doen alsof met haar stofdoek. Een voorbijganger, een auto, niets of niemand ontsnapte aan haar haviksogen. Bij regenweer een schim achter de gordijnen. Adrienne zag en wist alles. Haar parochiale ziekenzorg was een dekmantel om bij iedereen binnen te dringen. Kwestie van de weetjes van de ene over te brengen als nieuws voor anderen.

    De weetjes van haar boezemvriendin stonden nu in de krant. Profijtig gekozen woorden, uitgesproken met  haar  bijna onhoorbaar fluisterende  kerkstem en er zorg voor dragend niks verkeerds te zeggen en toch alles te onthullen. Gerda in duplicaat. Uitgerekend in dit sensatieblad!

     

    Marianne was ontzettend verontwaardigd:

    ‘Max, dit kan je niet zo laten. Je gaat daar toch iets tegen doen, hoop ik?’

    ‘Maar kindje toch! Nog een drietal dagen en geen haan die er nog over  kraait. Dat is de tol die je man moet dragen door zijn functie. Voor de concurrentie ben ik momenteel een beetje bekende, maa  vooral beruchte Vlaming, een BV-er. Ik sta nu volop in de belanstelling. De lezers willen meer en dat soort kranten zorgt ervoor, dat zij zo goed mogelijk ingewijd worden in de duistere kanten van mijn leven. Wie interesseert er zich  voor dat ik alle dagen mijn kippen voeder, mijn belastingen stipt betaal en geen zware voet heb? Vandaag worden we bejubeld, morgen gevierendeeld en geradbraakt. De mensen hebben blijkbaar zoiets nodig om zin te geven aan hun leven en hun gesprekken te kruiden. Dus blijven ze die onzin kopen.

    Bij Gerda was zingeving religie, bij de andere bloemkolen kweken en bij die jongens hier en hun publiek is dat mijn oersaai echtelijk leven uitspitten. Wachtkamers van huisdokters liggen vol met die prullaria. Neem de gesprekken bij dameskappers en in de patisseries. Denk je dat de wereldproblemen daar aan bod komen? Soudan?  Kernafval? Zelfs het hilarische Brussel-Halle-Vilvoorde, dat toch al ruim dertig jaar één grote politieke klucht is? Nee, geen ideale disgestief tussen roomsoezen en javannais.

    Laat morgen een verzwegen kind van Boudewijn uit een of andere adellijke kast vallen. Dagen nachtwerk geblazen bij ons en elders, geloof me. Trouwens, Laken wordt opnieuw te kakken gezet, door de buitenechtelijke dochter van de koning. Ze heeft verdorie gelijk dat ze het hypocriete gedoe aan de kaak stelt. Albert heeft  het lef niet  om te zeggen ‘Et alors!’. Het Hof zal zwijgen in alle talen. Doen ze altijd als ze niets kunnen weerleggen.

     

    Om en bij de dertig jaar geleden, in de periode van hun echtelijke moeilijkheden, werden door ons foto’s gepubliceerd. Dolce Paola aan het dollen met haar vriendje, de zogenaamde compte de Mun. Ik meen mij te herinneren dat het ergens  op Sardinië was. Een halfmiljoen oude franken hebben wij toen betaald voor die prinselijke tongkussen. Twaalfduizendvijfhonderd euro! Laken heeft nooit gereageerd.

    Toen ik correspondent van Bildzeitung was en braafjes verslag uitbracht over overstromingen rond de streek van Ruisbroek, waar Boudewijn en zijn gezelschap werden bekogeld met modder en aardkluiten, zijn de poppen echter aan het dansen gegaan, ja! Bildzeitung, ook sensatiegericht,  veranderde de kluiten in stenen en blokletterde: “Steine für den  Belgischen König!”. Resultaat: bericht onjuist, dus reactie van het Hof en ik kop van Jut. 

    Weet je, Marianne, de kletskont, de commère van weleer, haar domein was de straat. Wel die  goeie ouwe babbelkous is grotendeels vervangen door dit soort publicaties, hun domein is de wereld en Vlaanderen in het bijzonder. Niets meer en niets minder!’


    Wordt vervolgd


    Reageer (1)

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Herboren worden en toch...
    Wellustelingen....

    episode...

    62...


     

    Ik werd een andere man toen ik een halfuurtje later bij Marianne kwam. Ik maakte mezelf wijs dat zij en ik ons als herboren waanden en we reden naar Les Arcades. Marianne genoot van de moules Saint Tropez,  de lamsfilets en de geflambeerde flensjes. We gekscheerden. Raakten licht beneveld. We wilden vergeten. Tomeloos opgaan in de roes.

     

    Ook later in de hotelkamer, met de open ramen op de lawaaierige doorgang van de Koninginnegalerij. Onze naakte drift uitschreeuwend en alle paradijzen veroverend zoals die allereerste keer bij Céline, op mijn verjaardag.

    We wilden echter te veel. De gewone spontaniteit ontbrak. Net alsof we het mariannen en maxen verleerd hadden! Twee stuntelige debutanten waren we. Overdreven passioneel doend met het besef dat er dubbel bedrog werd gepleegd. Om de smart en de angst te verbergen.

    Marianne had  haar werkuren geswitcht en we sliepen tot tien uur. We voelden ons, ondanks alle wriemelende en verpestende beslommeringen, rustiger. Vonden onze glimlach terug en gingen ontbijten op het terras van de Mokafé, verderop in de galerij.

     

    Youssouf bracht ons de Nederlandstalige kranten. Marianne’s blik viel meteen op een loktitel van een populair sensatieblad.

    “Potverdomme! Die hypocriete kaloten, moet je horen , Max!’

    Ik had haar nog nooit zo verontwaardigd horen tieren. Ze bonkte met de vuist op de zitbank en Moka, de grijsgestreepte, luie huiskater sprong blazend  weg. De stem van Marianne sneed als een gescherpt mes:

    ‘ Moord op mevrouw Cijnens blijft mysterie! Gaat echtgenoot-journalist wel vrij uit? Lees het exclusief interview met boezemvriendin van slachtoffer op pagina drie! Dat is straf! Waar halen ze het vandaan?’

    ‘Och, die pulpkrant!’

    Ik schokschouderde erom. Die jongens kende ik wel. Nieuws brengen in een opgejutte, ronkende en kleurrijke verpakking. Sensatiebubbels. Zoveel mogelijk bedrukt papier verkopen om de laagste gevoelens te bevredigen. Tja, de pot moest  de ketel niets verwijten. Ik had er destijds met “De Klapper” ook vlijtig aan meegewerkt, al was het  mij meer te doen geweest om gossip uit film- en showwereld.

     

    Dat de concurrenten van onze uitgeverij nu de hoofdredacteur van een blad, dat hen jaren van jaloersheid had doen knarsetanden, met dankbare graagte op de korrel namen, was zo logisch als wat. Met beleefde modder gooien, maar eerst de handschoenen aan.

    ‘Ik wil dat flauw gezever niet horen, schat, kom we gaan door!’

    Wordt vervolgd


    Reageer (1)

    24-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schatten rond de bedstee
    Wellustelingen....

    episode...

    61...


    ‘Wanneer zie ik je, venteke?’

    ‘Mocht het alleen van mij afhangen, dan kwam ik meteen naar jou toe en ging nooit meer weg, schat.’

    Ze reageerde niet, vroeg abrupt:

    ‘Iets gevonden, Max?’

    ‘Nee…Marianne, luister, ik ben doodop. Niks geslapen, nog niks gegeten. Ik zit onder stof en webben. Ik voel me vies, vuil. Ik wil in bad en dan een stevig maal. Naar de Queen Anne ga ik niet meer. Naar dat hotel aan de basiliek evenmin. In dit kot blijf ik evenmin, so what baby?’

     

    Ik had het kort, wellicht wat te scherp-snijdend gevraagd. Ze weifelde even en zei dan zachtjes:

    ‘Oké, ik heb het begrepen. Neem mee wat voorlopig nodig is. Ik verwacht je over een tweetal uurtjes. De stevige maaltijd zal op tafel staan. Is mijn maatje eindelijk tevreden?’

    ‘Zoetje, ik wil echt niet dat jij je nu uitslooft voor mij. Trek iets leuks aan. Ik kom je oppikken. Zet mijn spullen af en dan we gaan uit eten. We hebben het beiden echt nodig eens onder normale mensen te zijn. Ik wil menselijke warmte en gezelligheid. Ik bel nu meteen naar Les Arcades, in ‘t Beenhouwersstraatje. Wees gerust geen toeristische plekpleister. Sylvia en Danny da’s daar één brok hartelijkheid en de keuken valt meer dan mee. Wordt het te laat, geen probleem. We kunnen er zeker blijven overnachten. Hun hotelletje is vlak naast en ik breng je ’s morgens naar kantoor. Tot straks, je t’aime!’

     

    Ik douchte haastig. Rende naar mijn kamer. Greep een en ander bijeen. Kieperde alles in een reistas en sjokte naar beneden. De terrasdeur en keukendeur op nachtslot en weg. Minute papillon!  Wat wou denkduiveltje dit keer? Wie zijn we vergeten? vroeg hij.  Stan en Laurel! Vooruit, de tuin in, eieren rapen en beestjes voederen. Bied je excuses aan, kippen hebben vriendschap nodig of ze leggen niet meer!

     

    Regenmantel aan, revolver en kogels in de diepe zakken (mocht ik zeker niet vergeten!) en de tuin in. De eerste doffe tonen van de Brabançonne! Wie nu weer? Marianne toch niet om te zeggen dat het feest uiteindelijk niet doorging!

    ‘Saepe pax periculosior bello fuit!’

    Serge! Die onnozelaar!

    ‘Arme vriend, vaak was vrede gevaarlijker dan oorlog. Hoe gaat het met jou, Max? Heb je je evenwicht al wat teruggevonden? ’

    ‘Ik heb geen tijd en ik val om van vermoeidheid.’

    ‘Ik ben reeds een hele dag in gedachten bij jou, mijn vriend. Ik kom pas terug van de politie. Ik heb er Madeleine en Adrienne heen gereden. Ze zijn net als ik ondervraagd.’

    ‘Serge, maak het kort. Ik moet weg…’

    ‘Ja, Francis verwacht je. Hij heeft vernomen dat Gerda’s stoffelijke resten maandag worden vrijgegeven. Hij gaat je dus bellen over de plechtige teraardebesteling. Luister, waarde vriend, ik wil je nog iets zeggen…’

    ‘Kan het wat vlugger, ja?’

    ‘Max, verbreek de verbinding niet. Scheep me ook niet af. Ik sprak met inspecteur Vloesberghe.’

    ‘En jij hebt die man heel wat kunnen vertellen!’ schampte ik  boosaardig.


    ‘Nuttige zaken, Max, echt nuttige zaken.  Je kan me misschien niet lijden, maar ik ben geen charlatan en nog minder een schijnheilige. Volgens wat Francis me zegde, zou het mogelijk zijn dat een en ander uit Gerda’s kamer werd ontvreemd.’

    ‘Kerkbazaar!’

    ‘Vergis je niet, waarde vriend. Je beseft het misschien niet. In Gerda’s kamer is een fortuin verzameld!’


    De antieke bidstoelen, de kerkboeken uit de veertiende eeuw, de gouden en zilveren monstransen, de wassen madonna’s onder stolp, de polychrome heiligenbeelden! Serge wist er verdorie  meer van dan ik!

    ‘De “kamerende” zielenherder, weer iets nieuws!’

    ‘Spectemur agendo, Max, beoordeel ons naar onze daden. Die kamer was een bezinningsoord voor onze gebedsgroep. Vooral Adrienne heeft aan de inspecteur een vrij behoorlijke beschrijving van de inboedel kunnen geven. Niet alles, maar toch heel wat. Wij blijven er allen bij, dat een of andere bende de woning is binnengedrongen. Ondanks mijn vele waarschuwingen bleef die brave Gerda geloven aan de innerlijke goedheid van elke mens… Max, ik wil het in feite hebben over de teraardebestelling van Gerda, wij moeten…’

    ‘Serge, wij moeten juist niets. Valt er iets te regelen, doe het dan met Francis. Oké? Salut.’


    Eindelijk van die kwal verlost! Een fortuin  aan kerkbazaar op haar kamer? Francis had daar beslist ook geen idee van. Als iemand het kon weten, dan was het die pastoor en niemand anders. Ik moest dringend de verzekeringsmakelaar contacteren, de raad van Vloesberghe opvolgen, de troep van Gerda en andere waardevolle voorwerpen laten opslaan.

    Onbewoonde villa’s nodigen  uit tot inbraak.

     

    Ben je gek, riep denkduiveltje. Die gasten van de belastingen weten je ook wonen, hoor! Nooit gehoord van een aangifte nalatenschap!  Het kan goed zijn dat die witte brigade een gedetailleerde plaatsbeschrijving heeft opgesteld. Wat als de belastingen het in hun hoofd krijgen om te neuzen in die dossiers? Overleg eerst met je zoon. Hij is gewiekst genoeg. Weet hij het niet, dat hij zijn netwerken optrommelt. Morgen overleg met hem. En nu, hop, naar Marianne.


    Wordt vervolgd


    Reageer (0)

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zoektocht
    Wellustelingen....

    episode...

    60...


    Het huis stond er zoals ik het nooit tevoren had willen zien. Beeld uit een mistiggrijze waternevel. Zo op het eerst zicht al jaren onbewoond. Koud. Ongezellig. Afstotend. Potdicht. Stilte alom. Niet eens een verre nieuwgierige burenblik. Een spookhuis. Nooit het mijne geweest. Een graf van een huis.

     

    Ik ging onzeker naar binnen. Als kwam ik niet in een bekende ommuurde veiligheid, maar op vijandig gebied. Met hier en daar loerende flikken. Er was natuurlijk niemand.

     

    Mijn ogen gingen direct naar de trap. Dààr had ze gelegen. Waren er nog bloedsporen, andere sporen? Hadden ze een krijttekening van het corpus aangebracht, zoals in een film steeds ziet?

    Trek het je verdomme niet aan, suggereerde denkduiveltje. Ik hoop dat je tenminste weet waarvoor je gekomen bent! Vooruit eerst naar boven! Kledij en ondergoed, sokken niet vergeten, scheergerief, tandenborstel, aftershave en je shampoo tegen schilfers. Je kleerborstel! Nee, Marianne heeft dat niet. Jonge vrouwen gebruiken meestal zo’n kleefspullen en jij gaat je daar blauw aan ergeren. Komaan,  automatische piloot inschakelen en dan wegwezen. Nee, stop, vriend, eerst zoeken. Goed zoeken!

     

    Ik trok mijn klamme overjas uit en daalde meteen af naar de kelder, de rommelkelder. Daar, in de uiterste webbenhoek, tussen een drietal oude tuinstoelen, een manke tafel en een kleurloos versleten zonnescherm stond vaders gereedschapskist. Een ruime, houten, logge bak. Proppensvol met allerhande oud en nutteloos alaam. Ik wist zelfs niet of er iets uit verdwenen was.

    Nerveus maakte ik de kist leeg. De browning FN lag er nog, helemaal onderaan. Eerst zorgvuldig verpakt in grauw papier en daarna in een beschermende vilten doek, het doosje met kogels erbij. Dàt had de politie dus over het hoofd gezien! Ik nam de browning en de kogels mee.  Gooide de kist daarop weer vol en startte nauwgezet mijn verder kelderonderzoek.

     

    Vastbesloten het huis van onder tot boven onder de loep te nemen. Gerda’s schriftjes moesten ergens liggen. Die zekerheid had ik voor honderd procent. Maar waar?

    Ik zag twee grote ijzeren reiskoffers, die nooit voor enige vakantie hadden gediend. Ze waren nog door Francis gevuld met tekenboeken, stripverhalen, schoolagenda’s, cursussen, stapels statistieken, fotoalbums van de Vanbesiens, schoolrapporten en eindwerken.

    Heel die bestofte rimram doornemen vergde ruim twee volle uren en bracht niets op. Het deed me wel mijmeren over een tijd dat ik hoopte mijn zoon, op wie ik destijds zo trots was geweest, nog eens te kunnen waarderen als mijn evenbeeld.

    Ik was hem stilaan kwijtgeraakt. Voornamelijk door Gerda’s toedoen. Nu bleef Pat tussen hem en mij. Pat, met al haar heimelijke gifpijlen naar mij, de schuld en de boete die ze me blijvend wou opleggen.

     

    Ik kreeg het opnieuw moeilijk, doorzocht niettemin de drie overige kleinere kelderruimten, vond niets en klom vermoeid de trap op, onder het stof en de spinnendraden.

    Genoeg voor vandaag. Dit huis was immers nog altijd het mijne. Ik kon morgen en overmorgen verder rustig de tijd nemen om voort te zoeken. Ik had een fles St. Estephe meegenomen. Ontkurkte ze, nam een stevig glas en belde Marianne.


    Wordt vervolgd


    Reageer (0)

    23-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tweede ondervraging
    Wellustelingen....

    episode...

    58...

    Ik reed weg om elf uur. Het motregende. Een motregen die dra overging in een bestendige, kille neerslag. Ondanks het telefoontje van mijn vrouw daalde mijn stemming onder nul toen ik bij het politiegebouw parkeerde. Een huid van leer was ik, een in boeien geslagen geest, die allesbehalve normaal functionneerde. De mokerslagen kwamen evenwel terug: de dagboeken, de revolver, de uitspraken van Pat. Van haar hing zoveel af…en van Francis! Wat als Vloesberghe merkte -en dat merkte zo’n ervaren man zeker- dat ik een kwelnacht achter de rug had? Dat ik misschien iets te verbergen had? Dat ik opeens ontzettend nerveus, bang, paniekerig geworden was?

    Inspecteur Vloesberghe ontving me zeker niet koel, eerder minzaam, correct.

     

    ‘Dag, meneer Cijnens, gaat u toch zitten. Niet zo’n beste nacht gehad, zo te zien? U mag uw huis betreden, onze mensen zijn klaar. Wat het vrijgeven van het lichaam van uw echtgenote betreft, daar heb ik nog geen uitsluitsel over. Ik vermoed begin volgende week.”

    Ik vroeg benepen, trachtte kalm te spreken:

    ‘Inspecteur, zijn  uw mensen …hebben uw mensen al enig spoor gevonden?’

    ‘Het onderzoek is  pas gestart, meneer Cijnens, u moet geduld hebben’

    ‘Het wapen, inspecteur, …mag ik alstublieft weten wat er precies met Gerda is gebeurd?’

    ‘Schedelfractuur, aangebracht door een stomp, zwaar voorwerp en een tweede fractuur aan de schedel. Doordat het slachtoffer vermoedelijk van de trap is geduwd of gevallen. Afgaande op de rigor mortis hebben de feiten zich voorgedaan tussen acht en twaalf uur. Vertel eens, meneer Cijnens, hebt u dinsdagochtend vòòr uw vertrek naar kantoor, een woordenwisseling gehad met uw echtgenote?’

    ‘Ik zag haar ’s morgens vrijwel nooit. We ontbeten nooit samen.Gerda ging altijd naar de vroegmis. Vóór zij terugkwam, was ik al weg naar de redactie. In de weekends trok ze zich terug in haar kapel. Wij liepen elkaar zo weinig mogelijk voor de voeten.’

     

    ‘Haar kapel? U bedoelt haar kamer, meneer Cijnens?’

    ‘U hebt die toch gezien? Bij mij is het op z’n minst al vijftien jaar geleden geleden. Na haar galblaasoperatie. Die kamer stond toen al overvol. Je kon er amper in bewegen. Heiligen beelden, zelfs onder haar bed. Bidbanken, kerkstoelen, wassen beelden onder stolpen. Allemaal onverkochte exemplaren uit de winkel van haar ouders en veel legaten van haar familie. Niemand mocht in die kamer. Niet eens de poetsvrouw . Alleen haar bidgenoten en mijn zoon uiteraard.’

    ‘Beschikt u over foto’s van de kunstvoorwerpen in die kamer?’

    ‘Geen idee, nee. Tenware dat Francis…Nee, ik denk het niet.’

     

    ‘Hoe is de verhouding met uw zoon, meneer Cijnens?’

    ‘Goed. Bijzonder goed zou ik zeggen.’

    ‘En met uw schoondochter?’

    Plots was ik op mijn hoede. Kwamen nu de strikvragen? Zou hij de schriftjes te berde brengen? Werd ik binnen het kwartier naar een cel gebracht?

    Ik slikte moeizaam, bracht niettemin toch een perfect gelukte, ontspannen glimlach rond de mond en gaf eerlijk toe:

    ‘Met Pat heb ik nooit goed kunnen opschieten, meneer Vloesberghe. Geen makkie en natuurlijk schandalig ontzet over mijn relatie met een veel jongere vrouw. Pat is ervan overtuigd dat mijn vriendin alleen mijn geld op het oog heeft.’

     

    ‘Ik heb met haar al gesproken. Zo, het kan dat we u nog nodig  hebben. Ik weet u wel te bereiken. U kan beschikken, meneer Cijnens.”

    ‘Inspecteur, voor de goede gang van zaken, dit nog: na de begrafenis zal ik bij mevrouw Dries, mijn vriendin, intrekken. Mijn huis is…ik moet overleg plegen met mijn zoon, maar dat huis, neen, ik kan daar niet langer wonen.’

    Vloesberghe knikte en noteerde iets op de documenten. Ik liep naar de deur.

    ‘Meneer Cijnens, momentje nog…’

    Daar gaan wij! Columbo in Wemmel, altijd op het allerlaatste ogenblik de allerlaatste maar beslissende vraag. Ik verstijfde maar denkduiveltje kalmeerde me: doe niet onnozel, vriend. Een type van zo’n kaliber vergelijken met een Amerikaanse  tv-kierewiet!

    ‘…ik raad u echt aan om een en ander van de inboedel in bewaring te geven vooraleer u bij mevrouw Dries intrekt. En absoluut de kunstvoorwerpen laten fotograferen en zeer duidelijk omschrijven. Uw makelaar kan u daarbij adviseren.’

     

    God, mijn Heer, heb dank, heb duizendmaal dank, zou Gerda zeggen. Ik hoorde het haar roepen vanuit haar hemel bij een bord rijstpap. Dat was dan opgelost! Geen dagboeken gevonden, geen revolver! Voorlopig blijkbaar niets bezwarends tegen mij ontdekt! Wat zouden ze ook! Er was niets tegen mij te vinden. Ik had nergens enige schuld aan. Ik moest alleen Pat vòòr zijn

     

    Ik belde Marianne. Deed het relaas van het verhoor. Ze slaakte keer op keer een zucht van opluchting.

    ‘God zij dank, sorry voor die uitdrukking, Max’, zei ze ‘maar er valt me een zware steen van het hart. De dagboeken en die revolver… Jongen, jongen, hadden ze die gevonden!’

    ‘En ze zijn er nog, dat weet ik zeker. Ik moet ze vinden lieveke. Ik ben onderweg naar het huis. Ik bel je straks nog. Daag! Kusje.’

    ‘En nu naar de villa’, zei ik resoluut tegen mezelf, ‘mijn zoekactie start!’



    Wordt  vervolgd


    Reageer (0)

    22-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Blijvende angst
    Wellustelingen....

    episode...

    59...


     

     

    MIJN ANGST

     

     

     Ik hield halt bij een taveerne. Sanitaire stop eerder en gulzige dorst naar schuimend abdijbier. Ik wou tevens Francis bellen.

    Hij was de vorige avond laat ontboden. Pat had er vanmorgen om negen uur moeten zijn. Hij grijnsde dat zijn vrouw paniekeerde tot en met. Net een bange wezel. Kalmeerpillen moeten slikken. Gedaan grote mond!  Ze dacht dat Vloesberghe ook haar zou verdenken. Zij bezat immers een sleutel en er was geen slot geforceerd. Dus…! Helemaal over haar toeren.

    ‘Ondanks al de miserie deed het deugd haar zo te zien, pa.”

    Tiens, zijn vrouw totaal van de kaart en Francis had binnenpretjes!

     

    Kalmer en ernstiger ging hij verder:

    ‘Pa, je weet die magistraat, enfin een clubgenoot van mij, uiteraard mag niets lekken uit het onderzoek, maar omdat het om mijn moeder gaat… Wel ze denken aan iemand uit de directe omgeving. Vloesberghe sluit echt niemand uit. Ook familie niet, terwijl onze alibi’s nochtans kloppen als een bus, denk ik toch!’

    Het moordwapen was nog niet gevonden, ging hij verder, wel hadden ze een en ander meegenomen.

    Ik hield mijn hart vast en wou weten wat ze precies hadden meegenomen.

    Francis wist het niet:

     

    ‘Ze zijn nog steeds bezig met buurtbewoners en  vriendinnen van ma te ondervragen. Tot de melkboer en de postbode toe. Ik moet stoppen, pa. Ik hoor geroffel boven. Pat ligt al een paar uur in bed met barstende hoofdpijn. De naweeën van de ondervraging. Ik heb haar vanmorgen nochtans duidelijk gezegd: wees kalm, antwoord kort en precies op al de vragen. Zeg niets méér!’

    Dat “niets meer” bleef hangen. Werd even een drukkende hand rond mijn hals.

     

    Wat bedoelde Francis? Mocht ik het beschouwen als een van zijn onderduims dubbelzinnige vingerwijzingen? Me doen inzien dat hij wèl op de hoogte was van de dagboeken, maar Pat op het hart had gedrukt haar mond te houden? Wou hij me schrik aanjagen?

     

    Nee, ik stelde me alleen wat voor. Domme inbeelding, natuurlijk. Misschien geloofde Pat niet eens aan het bestaan van die dagboeken. Had ze die nooit gezien en veronderstelde dat Gerda, in een wrekende driftbui, het haar zomaar  op de mouw had gespeld.

    Ik vroeg, gespeeld koel:

    ‘Zou er wat gestolen zijn?’

    ‘Vloesberghe is met mij vannacht naar de villa gereden. De mensen van het labo waren er nog. Ik denk niet dat er iets verdwenen is, maar ja, er staat zo waanzinnig veel in de kamer van ma. Een of twee stukken minder, geen mens die het merkt. Ik heb hem verwezen naar Madeleine en vooral Adrienne. Ze zaten daar soms uren samen te bidden of whatever. Er was wel wanorde in de kamer. Enkele laden opengetrokken. De kleerkast  open en wat papieren op het parket. Kan zowel door de belager als door ma gedaan zijn.”

    ‘Ik blijf erbij dat het die bende moet zijn geweest, Francis.Een of ander smoesje en Gerda zal die gasten binnen gelaten hebben, goedgelovig als ze was.’

     

    Francis wou weten of ik die namiddag nog naar de redactie ging. Als er iets was dat me nu hartgrondig tegenstond, dan was het wel de redactie. Maar hoe dan ook, morgen of  begin volgende week, moest ik erheen. Ik wou met de raad van bestuur gaan praten en met Gerard van personeelszaken: pensioen aanvragen en al mijn verlofdagen opnemen (en dat waren er een heel pak!). Vooral trachten een minnelijke schikking te bekomen. Simonne zou dit nu misschien met veel plezier in overweging nemen. En dan salut en de kost! Max de hoofdredacteur was verleden tijd.

    Ik, eens de stoere, steeds zelfverzekerde criticaster en betweter; nu een bange zwalper, verpest door vragen met klemmende antwoorden. Schuldig zonder echt schuldig te zijn, gekweld door zelflast.

    Wordt vervolgd


    Reageer (0)

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De droom
    Wellustelingen....

    episode...

    57...


    Zij stond voor mij, in de opening van de terrasdeur. De vleermuismouwen van haar zwarte lange jurk wapperend in de wind. De felroodgelakte wijsvinger van haar knokige hand bezwerend in de hoogte:

     ‘De sloor is tweemaal vermoord. De eerste keer  was voor haar de ergste keer. Ik wist het van die dagboeken. Ma had het mij verteld. ‘Als er iets me mij gebeurt,’ zei ze,’ zorg dat ze nadien in de juiste handen komen.’ Jij zwijn, je hebt haar leven meer dan kapot gemaakt. Daar ga je voor boeten. Ik zweer het op haar hoofd. Francis kan me niet tegenhouden. Iedereen, hoor je, iedereen  zal het weten. En overal waar je je poten nog zet, zal ik zorgen dat ze je met de vinger wijzen. Ploert, misdadiger, ’t Is te hopen dat de ogen van haar dáár  tijdig  opengaan.’

     

    Marianne zat stijf-deftig in mijn chesterfieldzetel. Deemoedig met gebogen hoofd.

    ‘Het kan je eveneens overkomen, meisje. Nog enkele jaren, als het nieuwe eraf is, volgt jouw beurt. Hij kan dan eentje zoeken van achttien, vijftien of nog jonger. Een kind verkrachten  komt zeker nog op zijn palmares!’

    Pat had er jaren op gewacht, nu triomfeerde ze. Ze was duidelijk buiten zichzelf van woede.

     

    Francis liep er bij als een witte geestesverschijning. Zijn ogen staalhard. Vol afschuw en dan weer intriest. Hij zei telkens opnieuw, verdrietig en  gesmoord:

    ‘Pa, dit moeten meemaken! Ik wil het niet aannemen. Maar het staat zwart op wit. Ik weet niet hoe het met ons verder moet.’

    Marianne met een blik vol misprijzen, betraand, helemaal van streek:

    ‘Ik kan me niet voorstellen, Max, dat uitgerekend iemand zoals jij dit heeft gedaan!’

    Ze herhaalde die woorden keer op keer. Zweeg plots. Hoofschuddend, de rest van haar gedachten  begravend. Keek weg van mij als wou ze mijn beeld voor immer verdringen.

    ‘Niet doen, mijn alles, niet doen. Iedereen maar jij niet…jij nooit’’, huilde ik rauw, opbrandend van ellende.

     

    De telefoon op het nachttafeltje rinkelde onophoudend:

    ’Goede morgen, meneer Cijnens. Het is half negen. Ontbijt wordt geserveerd in de  Felicien Rops-zaal, eerste verdieping.’

    Ontbijt? Half negen? Ik was klam van het zweet. Beukende hoofdpijn en maagzuur. De brabançonne op mijn gsm:

    ‘Heeft mijn venteke wat kunnen rusten?’

     

    Die heerlijke, warme, bedwelmende stem van mijn Marianne. Mijn geweldige vrouw, mijn godenkind, mijn beste medicijn. Alleen haar stem en alle ballast, alle vragen, alle zorgen vielen van mij af. Vooral de bittere herinnering aan die afschuwelijke nachtmerrie.

    Reageer (1)

    21-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Obsessies

    Wellustelingen....

    episode...

    56...



    Haar maatje kon de slaap  niet vatten.

    Die dagboeken, altijd maar die dagboeken. Het werd echt een obsessie! Morgenvroeg eerst Francis opbellen  Hij had voldoende contacten bij de magistratuur. Een ervaren raadsman aanduiden kon bijgevolg geen probleem zijn. Hij zal willen weten waarom! Op die vraag zou ik het antwoord uiteraard schuldig moeten blijven. Want wat als Francis hoorde van de dagboeken? Via Pat of Vloesberghe ! Via zijn clubvriend-magistraat! De raad van Marianne opvolgen moest ik. Voet bij stek houden dat het een vuige leugen van Gerda was. Liegen om mijn eigen vel te redden, vooral om mijn zoon niet te verliezen?

     

    Definitief misschien! Ik was altijd open en oprecht tegenover hem geweest. Als er iemand is, die weet dat zijn vader geen leugenaar is, dan toch Francis zeker! Er was zijn moeder door mijn zogezegd toedoen destijds helemaal niets overkomen. Ze kon daarover vertellen en schrijven wat ze wou. Basta!

     

    Gerda overdreef altijd en in alle toonaarden, fenomenaal zelfs en met één welbepaald doel: mij pesten. Maar liegen deed Gerda nooit opzettelijk. Ook dat wist Francis. Anderzijds, het regende hevig die avond en die schoft van een pastoor had er een handje van weg om zijn oude, versteende zielenpoten alles en nog wat wijs te maken.

    Niemand wist precies wat er in zijn kerk ’s avonds gebeurde. Denkduiveltje had het me die bewuste avond eveneens gesuggereerd: ’t zou hem niks verbazen dat die kwezels daar voodoo-popjes naaien. Spelden prikken in mijn hoofd en teelballen en in Marianne’s borsten en snoezepoezeke. Als het in Haïti en op de Caraïben werkt, waarom hier dan niet? Onder ons gezegd, vriend, je hebt de voorbije weken al enkele keren geslapjanust! Met dat volk weet je maar nooit en met zo’n weer rijd je liever wat trager. Gas terugnemen. Nu! Let op met je gemanoeuvreer.

     

    Natuurlijk is het zo gebeurd: ik plots in de war, de aandacht verslapt en een verkeerde stuurbeweging, slechts één. Ach, ik moest mezelf niets wijsmaken. In een vlaag van domheid, verzopen van afkeer en wilde haat, had ik Gerda die bewuste avond werkelijk  willen doodrijden.

    Zomaar een demonische flits was het geweest. Dezelfde flits, die juridisch omschreven wordt als “zinsverbijstering of psychisch emotioneel totaal ontredderd, zodat de dader zich in die minuten geen rekenschap geeft van wat hij doet”. Diezelfde flits, die reeds duizenden mannen vóór mij, verstandige zelfs rustige mensen, jaren in de cel had doen belanden.

     

    Had ik niet op het allerlaatste moment het stuur omgegooid, Gerda was niet te ontwijken geweest. Misschien niet gedood, maar toch zwaar gewond. Gehandicapt voor het leven. De bedoeling was er geweest. Ik verscheen daarom hoe dan ook voor mijn rechters.

     Dat zou erger zijn dan een cel. Vrij in een ontwijkende, zwijgende, beschuldigende kleine wereld. De wereld van Francis, Pat en mezelf. En ja, ook van Marianne.

    Wordt vervolgd


    Reageer (0)

    20-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief aan de koning


    Sire,

     

    Ik heb net uw toespraak beluisterd. Mijn hart rechtuit gesproken, het was dit jaar geen vette. Ik begrijp het hoor, wat moet een mens  op de duur blijven vertellen om serieus over te komen? Daarbij de voorbije maanden is het geen karot geweest, ze hebben u weten wonen daar in Laken, de verkozenen des volks! Langs de andere kant, wij gewone mensen, wij mogen vlakaf zeggen wat er op onze lever ligt. Niet dat het veel uitdoet, maar het lucht op. U kan dit  niet. Dat is nu eenmaal inherent aan een  job waarin een mens  met handen en voeten gebonden ligt. Het kan alle dagen geen kermis zijn, zou mijn grootmoeder zeggen, dus troost u en onder ons gezegd, Sire,  uw job heeft u financieel geen windeieren gelegd. Kan iedereen niet zeggen, nietwaar?

     

    Om terug te komen op uw speech, gezien de situatie kan er moeilijk sprake zijn  van een “feestrede”, wat u nu voorgeschoteld kreeg…het heeft geen naam: herhaling van herhaling, een zomeruitzending van de VRT gelijk. Natuurlijk hebt u aan uw broer veel te danken, maar u moet niet overdrijven, Sire. Als koning heeft hij destijds grondwettelijk gezien meer dan een keer schuine schaats gereden. Trouwens inzake mensenrechten had hij ten tijde van Lumumba niet meer dan een ferme klomp boter op zijn hoofd?

     

    Waarover u had moeten spreken? Tja  waarover, sire? Ik zie u daar als koning echt niet bezig over borrelnootjes, vette vissen in uw pan en cactussen in een mansbroeken. Onnozelheid uitsmeren bij gebrek logica en kunde, dat is de taal van de heren en dames die u begeleiden en ons besturen, zouden moeten besturen. Wetstraatees heet dat in het Noorden. In het Zuiden ging het eerst over een parfum de crisette om te eindigen in “impasse totale”. Grove woorden en hard roepen doen enkel mensen die kennis en kunde ontberen, mensen die precies daardoor bang zijn. Ja, ik kan het weten, Sire, deed ik vroeger toen ik nog met de wagen reed. Altijd in mijn achteruitspiegel kijken en op iedereen foeteren, behalve op mezelf tot uiteindelijk mijn frank viel.

     

    Iets dat langer heeft geduurd dan 400 dagen, reken maar! Toen ik mijn rijbewijs haalde, Sire, de lol kon voor mij niet op. Op gejubel onthaald, applaus alom bij familie en vrienden. Maar niet bij mijn vader. Weggelachen en gehekeld hebben wij zijn waarschuwende wijsvinger. Doch mijn oude krokodil wist beter. Hij kende mij door en door, vooral mijn gebrek aan bepaalde  capaciteiten. Maar ja, jong en oeverloos ambitieus zijnde, wie luistert dan naar wijze raad? Neen, ik heb ik mij echter niet te pletter gereden. Gelukkig maar! Een mens moet zijn beperking erkennen en consequent handelen en dat komt met de jaren van verstand. Bij de ene wat later dan bij de andere.

     

    Daarom, Sire, als een dezer dagen of nachten, de premier voor de zoveelste keer bij u langst komt, stuur iedereen weg, neem hem apart, in Laken hebben ze toch enkele anti-chambres, nietwaar? Vertel hem dat u, als behoeder van dit landje,  meent dat een schoenmaker het best bij zijn leest dient te blijven ttz dat hij als binnenschipper het best aardig deed, maar op de lange vaart schiet hij serieus te kort.

     

    En wat uw speech betreft, Sire, het moet mij van het hart. Ik heb er maar een woord voor: schandalig! Een pleidooi houden om de armoede tegen te gaan. Er ons op wijzen dat één Belg op zeven onder de armoedegrens leeft, dat terwijl u amper een paar weken geleden geen kik gaf toen uw dotatie met een flink pak duizenden euros aan de levensstandaard werd aangepast. Foei, Sire, foei ja. Ik ben beschaamd in uw plaats.

     

    Titipoes

    Reageer (6)

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hersenpinsels in moelijke uren
    Wellustelingen....

    episode...

    55...


    De dagboeken van Gerda! Merde!Merde!Merde!

     

    Ze waren er, ik wist het. Enkele jaren geleden, toen ze weet had van mijn verhouding, was zij er ijverig aan begonnen. In ongebruikte schriftjes van Francis, de tijd van zijn basisschool. Gerda hield alles van haar zoon bij. Zorgvuldig in kartonnen dozen en gedateerd. Onbenullige dingen als vergeelde herinneringen aan hem.

     

    Enkele keren had ik haar in de keuken naarstig zien pennen, jachtig het schriftje dichtklappend of wegbrengend, zo gauw ik naderbij kwam. Een paar keer had ik haar zelfs verrast bij haar vlijtig gedoe. Toen ik, toch even over haar schouder gluurde en een hulde bracht aan haar kalligrafie, was ze kregelig uit haar krammen geschoten:

    ‘Welja, ik houd dagboeken bij. En dan? Heeft meneer daar problemen mee? Iedereen doet wat hij graag doet. De ene gebruikt zijn lijf en de andere zijn pen!’

     

    Dus de vermeende aanrijding had zij hoogstwaarschijnlijk ook  in geuren en kleuren opgetekend. Verkeerd opgeschroefd. In dat venijnig, katholiek taaltje van haar. Ze zal zich beslist beschreven hebben als bebloed in de greppel liggend, huisdokter erbij en een week bed houden.

    Ik wist waartoe zij in staat was… was geweest. Aangenomen dat ze in haar schriften eerlijk en zonder enige overdrijving had weergegeven wat er die avond gebeurd was, dan zou ik er nog bekakt vanaf komen. Die Vloesberghe zou me geenszins het vermoeden van twijfel gunnen. Het werd haar  woord tegen het mijne. En vooral haar opgetekend relaas.

    Francis, ik moet straks Francis bellen. Alleen zijn stem horen, dat was voldoende.

     

    Niet doen, vriend, niet doen. In het beste geval slaapt hij nu en in het slechtste geval is het wapengekletter in Keerbergen. Als zij verneemt dat jij aan de telefoon bent, is het Rozenoorlog. Temporiseren, vriend, de gemoederen bedaren. Jaag haar niet op stang, ze weet te veel. Denk aan de dagboeken, gesteld dat die nog niet gevonden zijn! Denkduiveltje had gelijk.

     

    Nu zat ik op de wc-pot te trillen. Kotsziek. Wat als zij haar dreiging uitvoerde en de politie inlichtte over de schriftjes? Vloesberghe zou de ganse inboedel uitkammen. Hij zou ze vinden! En ik zou hangen. Zeker en vast voor de raadkamer moeten verschijnen en op z’n minst een maand voorarrest doen, zoniet langer, tot de zaak opgelost was.

     

    Ik moet een advocaat hebben, misschien morgen al, indien de dagboeken vannacht gevonden worden. Een pleiter à la Vermassen of genre Van Eeckhoudt.

    Het was drie uur in de ochtend toen ik ging douchen. Daarna belde ik Marianne. Ze nam onmiddellijk op:

    ‘Je kan zeker ook niet slapen, venteke?

    Ik vertelde haar van de dagboeken, mijn angsten voor Pats verklaringen. Het bracht haar van de wijs. Ze kon niet meteen gevat reageren. Wie wel, als je zo-even verneemt dat je minnaar, uit liefde voor jou, tot zo’n daden in staat zou zijn? Ze stamelde hakkelend:

    ‘Max, het is toch niet omdat het in dat boekje zou staan…allez, dat kan toch van a tot z verzonnen zijn. Gerda haatte je nog meer dan jij haar. Vrouwen zijn dan tot waanzinnige dingen in staat. De politie weet dat. Die is ook niet van gisteren!’

    ‘Het kan een bewijsstuk vormen, zolang de zaak niet is opgelost en wie weet wanneer! Marianne, ik kan gearresteerd worden! Lieveke, hou daar rekening mee. Ik ken iets van wetgeving en deze zaak stinkt langs alle kanten. Marianne, godverdomme, Mariane, de revolver! Ook dat nog!’

    ‘Welke revolver, Max? Je hebt toch geen wapens in huis!’ riep ze hoog verschrikt uit.

     

    ‘De revolver van mijn vader. In zijn gereedschapskist in één van de kelders. Die revolver moet daar nog in liggen samen met de kogels. Ik ben er zeker van. Ik kon het niet over mijn hart krijgen ervan te scheiden. Dus heb ik…’

    ‘Van die revolver?’

    ‘Maar neen, lieveke, van die kist, de gereedschapskist.van mijn vader.Het huis werd volledig leeggemaakt door een opkoper. Maar de foto’s en nog wat andere dingen heb ik behouden als herinnering. Zeker die kist. Het is een museumstuk voor mij. Vader heeft die kist zelf gemaakt en ik mocht helpen. Die zit volgepropt met ouwe troep, nagels, verfborstels, tuingerief, een kleine handzaag en allerhande ander alaam..De revolver ligt onderin.

    Vader was ontroerd toen ik hem vertelde dat ik zijn gereedschap had meegenomen. Alles schiet me nu te binnen. Er zitten zeker en vast ook oude hamers in de kist en Gerda is met een zwaar voorwerp….Ze vinden dat, Marianne, ze vinden alles!’

    ‘Venteke, stop! Ten eerste, Gerda is niet neergeschoten, dus die revolver speelt geen rol. Ten tweede, hoelang is het geleden dat jij die kist hebt opengemaakt. Vijf, zes, zeven jaar? Ja! Die speurders zien dat meteen. Enfin, Max, jij als journalist, zo’n klinkklare  onzin. Jij kruipt nu onder de wol. Je hebt nog enkele moeilijke uren. Geloof me, morgen zie je alles vanuit een duidelijker perspectief.  Slaap nu, maatje van mij.’

     


    Wordt vervolgd


    Reageer (0)

    19-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De dagboeken!!!

    Wellustelingen....

    episode...

    54...

    Ik nam een hotelkamer in de buurt van de basiliek. Thuis? Was er nog een thuis? Verdomme nee! Nee! Dat woord “thuis” kwam me opeens zo dwaas voor. Mijn villaatje was nimmer een thuis geweest. Mijn enige ware thuis was bij Marianne. Bij haar. In haar. Overal en altijd met haar.

    Voor ik naar mijn kamer liftte, dronk ik een dubbele cognac aan de bar.  Nog steeds wou het er bij mij niet in dat Gerda dood was. Vermoord! Waarom? Door wie?

     

    Die twee priemende vragen kwamen steeds bonkend terug. Waarom waren Francis en ik reeds zo doortastend aan de tand gevoeld? Misschien was dit de normale gang van zaken? Wat dacht, wat vermoedde die inspecteur? Dat ik schuldig was of nog erger: mijn zoon?! Te absurd om maar één ogenblik serieus  te nemen.

     

    Ze hadden  Madeleine en Adrienne ook al ondervraagd. Adrienne, de flamboyante kroniek van de parochie en trouwste hartsvriendin van Gerda!  Als die babbelmolen tegenover de politie herhaalde wat Gerda, in huilerige buien, de voorbije jaren allemaal over mij uitgekraamd had!

    Mijn onbeschaamde goddeloosheid, mijn hemelschreeuwend overspel, onze haatspuwende ruzies, misschien de vermeende aanrijding en wat nog allemaal meer! Goeie genade, ik mocht er niet aan denken! Adrienne zou het met bravoure en plezier driedubbel uitwrijven en er, samen met Madeleine en dat handvol versufte bidsters, de gewenste glans op poetsen.

     

    En Serge, die lijkbidder! Zijn ondervraging?

    Op zich niet zo erg, tenware…Nee, hij zou dat verzonnen (of echt verhaal?) over Marianne niet oprakelen. Gebonden door het biechtgeheim. Maar moest die verdomde klootzak het wèl doen, al was het maar om mij in de problemen te brengen, ik zou hem eigenhandig villen.

     

    Nee, vriend, dat doet die priester nooit. Daarvoor is hij te intelligent, daar was denkduiveltje weer met zijn boerenlogica. De reden? De aanleiding is er niet meer. Die ligt nu in het mortuarium. Morgen of overmorgen reeds ingevroren.

    Gerda, Gerda !Hoe dom, beklagenswaardig, naïef en hatelijk ik je ook vond, wat is er toch met jou gebeurd? Ze hebben je de schedel ingeslagen? En waarom? Voor wat? Voor wie?

     

    Ik ging op het bed liggen. Verborg het hoofd in de handen. Als schaamde ik me diep om de man, die nu sarrend te voorschijn kwam. Ik hoefde me niet beter voor te doen dan ik was, hypocriet!

    De meppen die we elkaar hadden toegediend! Weken geleden, in een ijle flits weliswaar, mijn manoeuvre om haar de weg af te rijden! Was dat geen moordpoging met voorbedachte rade geweest? Moest Vloesberghe dit te weten komen, dan lag ik er. Dan werd ik zonder pardon meteen opgesloten.

     

    Ja, vriend, bromde denkduiveltje verpletterend, je zit in lelijke papieren. Hoe siste Kermit dat ook weer: als er met ma iets gebeurt, zal ik zorgen dat haar dagboeken in de juiste handen komen. Gerda heeft bljkbaar alles genoteerd over mijn fameuze ijle flits, dus…voorzien is de boodschap en serieus opletten de daad. Als er nog tijd overblijft!

    Ik moest een noodlottige aanval van kolieken onderdrukken. Rende naar de badkamer. Zat in dor gekreun te hijgen en te drukken. De grote pijn bleef weg. Maar ik bleef zitten, klein-verslagen op de pot. Zwetend en beroerd. Leeg opgesloten in mezelf.

    De dagboeken van Gerda! Merde!Merde!Merde!

    Wordt vervolgd


    Reageer (0)

    Inhoud blog
  • Zomaar
  • Liefst van hetzelfde laken een broek !
  • Kinderen of beestjes?
  • De duivel zit erop!
  • De nakomelingen van Boer Bavo
  • NJET
  • Ontmoetingen na bijna een halve eeuw
  • Olala
  • Op de vooravond van 21 juli...
  • 20-07-2009
  • 't Bakkerietje
  • Hilarische realiteit
  • Jammeren
  • A final curtain
  • Kamwielpaniek
  • Moederdagen
  • Impossible mais vrai!
  • Een zaterdagochtend
  • Omtrent Sarah en DeeDee.
  • Met de E van evolutie
  • In de nasleep van WO-lessen...
  • Mijn gedacht
  • Voor en spellen!
  • Smoelentrekkers
  • Titi is boos!
  • 't Groot Zot
  • Ik zie, ik zie...
  • Valentijn
  • Viva Leterme!
  • 18/12/2008
  • Voilà...
  • Sintje Merten in het land van Aalst
  • Vorstelijk eten.
  • Achtergesteld!
  • Voor mama

    Laatste commentaren
  • zeeppoeier-reclame (maart)
        op Wellustelingen 2
  • WO-16/05/2018 wordt het verhaal hernomen (maart)
        op Wellustelingen 1
  • sterk geschreven (maart)
        op Valentijn
  • paf (maart)
        op For every problem there's a solution...
  • Op wandel (Myette)
        op Zomaar
  • Levensverhalen (Joël)
        op Theomanistenclubje
  • kus (miekemuis en maatje)
        op Zomaar
  • Hoeraa... (ERnst)
        op Zomaar
  • Finalemente !!!!! (Chris (lilac))
        op Zomaar
  • Nogmaals ... (ERnst )
        op Liefst van hetzelfde laken een broek !
  • ....kus (miekemuis en maatje)
        op Liefst van hetzelfde laken een broek !
  • Jou ook... (jacqueline)
        op Liefst van hetzelfde laken een broek !
  • ? (miekemuis en maatje)
        op Kinderen of beestjes?
  • hallo titi, (redpoppy54)
        op Kinderen of beestjes?
  • Weet je Titi (thea)
        op Kinderen of beestjes?
  • Ja, (ERnst)
        op Kinderen of beestjes?
  • Grrrrr (Titi)
        op Kinderen of beestjes?
  • Hoi Titi (thea)
        op Kinderen of beestjes?
  • knuffel (miekemuis en maatje)
        op Kinderen of beestjes?
  • En ja... (ERnst)
        op De duivel zit erop!
  • dat mont er van (hercule)
        op De duivel zit erop!
  • weg en verdwenen (miekemuis en maatje)
        op De duivel zit erop!
  • varen ??? (Chris)
        op NJET
  • de slager (Chris)
        op 't Bakkerietje
  • Vele groetjes uit Zonhoven (sloefke)
        op De nakomelingen van Boer Bavo


  • Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!