dood

Aan de dood
Dood
neem mij mee.
ik heb hier afgedaan.
ik wil op de rotsen te pletter slaan
en versplintren in open zee...
neem mij mee,
dood.
Porta Nigra (1934)

dood
Dood
neem mij mee.
ik heb hier afgedaan.
ik wil op de rotsen te pletter slaan
en versplintren in open zee...
neem mij mee,
dood.
Porta Nigra (1934)

makker
Makker, de dag is óp; lóóp, om je deel te halen
Van 't bare zonnegeld, van dauw en ochtenddoop,
En schater, sleetse zorg en nachtlijk leed ten koop,
Om 't spoelen van de wind en 't lied der wielewalen.
Makker, een open dag voor strijd en nieuwe hoop.
Hij schuurt het hart weer blank, hij vult de lege schalen,
Zó: heil de jongen dag! de wijn mag niet verschalen,
Wijl 's nachts om onze pêel de broze weemoed sloop.
Een donk're rozelaar, een vroege verzen-schrijver,
Een bronstig peerd, dat draaft, de lucht welft stil en strak,
Een vogel rijst en daalt en scheert de koele vijver...
Makker, de dag is schóón, die door de windsels brak!
Hij schrijdt in jong geweld en spilt zijn vreugd en ijver,
En géén keert leeg naar huis, die hèm de hand toestak.
zingen
Zal ik zingen voor mijn wijn
Zal ik zingen voor mijn wijn?
Zal ik lachen, zal ik denken?
Zal ik drinken maar en schenken?
Zal ik eenzaam vrolijk zijn?
Die mij haten, honen, krenken,
willen mij met edik drenken.
Zal ik treuren vóór mijn wijn?
Zie, zovele vreugden wenken.
Ria mijn, aan u te denken
jaagt de Schelde door de Rijn.
Dromen zal ik vóór mijn wijn,
drinkend aan uw kussen denken,
neigend u mijn hart uitschenken,
tot de grond, als jonge wijn.
Jonge wijn,
godenwijn!
Liefde kan niet eenzaam zijn.
-----------------------------------
uit: 'Het boek der liefde', 1921.

gras
Ik lig weer vreedzaam in het gras,
En rond mij geurt de goede aarde,
Mijn lieve dwaalt met lichte pas
En leest de bloemen in de gaarde.
De nieuwe lente is aangebroken,
Met zonnewarmte’ en vogelzang,
Met bloemen en met zoete roken,
En immer rijker welt mijn dank.
O heerlijkheid der heerlijkheden,
Onpeilbaar is mijn dankbaarheid,
Nog immer bloeit het zonnig heden,
Het bloeie tot in eeuwigheid.
Najaarsvruchten (1936)

wederzien
Tot wederzien, tot wederzien!
al waar het moge wezen:
na lang- of korte tijd, misschien
in 't ongekend nadeze!
1861
Kleengedichtjes

gestorven
O, jeugdig beeld, verheerlijkt beeld eens doden,
Zo vaak aanschouwd in zaalge weemoedsdromen,
U blijf ik trouw, hoewel de jaren vloden,
De vluggewiekte, die niet wederkomen.
Nog voel 'k een tranenvloed mijn ziel doorstromen,
Wanneer ik peins aan u, en hoe de goden
U, ach! zo vroeg, een koele wijkplaats boden,
Melodisch door de wiegezang der bomen.
Ik hoor uw stem in 't lied der nachtegalen,
Ik zie, van milde zilverglans omgeven,
Uw blonde kruin in blonde manestralen.
'k Zie aan de hemeltrans uw ogen blauwen
En 'k voel uw adem liefdevol omzweven
Mijn handenpaar, aanbiddend saamgevouwen.

wereldlente
Een gedicht van Johannes Redingius 1873-1944
Gij op het pad tussen Geboorte en Dood
vertrouw op 't naadrend lichtend morgenrood,
de nacht zal wijken, ja, de mens ontwaakt,
zie ginds op gouden zee de zonneboot.
Uw geest zij als een vogel sterk en vlug,
strevend gij bouwt van hier naar ginds een brug,
ééns zijt gij ginds en de aarde is U een ster,
gij schouwt als sferenmens naar haar terug.
Beminnen leer de stilte van de nacht
en zoek de zee van glans, der sterren pracht,
wees één met haar en weet dat hoog gij leeft,
wat deert of donk're Dood komt nader zacht?
Denk altijd als ge een eenzaam mens aanschouwt:
ook hij is doler door 't nachtdonker woud
heeft om te gaan nodig wellicht uw hand,
maak hem tot een die op zichzelf vertrouwt.
Geef dan uw kracht, uw wil, uw liefde, uw gloed,
geef altijd gouden van uw overvloed
en wankel niet wanneer daar dreigt gevaar,
geef zelf U, gevend aan de moede moed.
Dat vreugde zonnig in uw leven zij,
door 't lichten van de geest die maakt U vrij,
gij weet diep in uzelf uw levensdroom
onsterf'lijk, ongeschonden, vlekloos, blij.
De mens is zingend wezen van natuur
dus moet hij zingen ieder levensuur,
door licht en donker zege-zingend gaan
en houden rein wat in hem is, het vuur !
Tusschen twee werelden (1933)

uitboezeming
Neen, 'k was geen Zanger, stout en sterk,
Wie eigen kracht naar 't ruime zwerk
Op brede vleuglen uit deed schieten.
Ik ben een wormke, zwak en klein,
In eigen, in Gods oog onrein!
En, zo mijn zangen indruk lieten,
Hij wete 't, wie dit ondervond,
Dat, zo ik ooit als Dichter stond,
De galm, geslaakt op deze grond,
Een naadring was van hoger waarheid,
Eerst dichterlijk mijn geest verkond,
Maar op een onvergeetbre stond
Uit d' eigen vaderlijke mond
Mijn hart nabij gebracht met onweerstaanbre klaarheid.
Zo wens noch bied mij eer of lof,
Mij, arme kruiper in het stof;
Maar blijv', voor palm of erelover,
Slechts deze naam van mij bestaan,
(Zij ook mijn dichtervonk vergaan!)
Slechts dit getuignis van mij over:
Zijn Dichtkunst had haar tijd - die van een lentebloem; -
Maar Waarheid bleef zijn deel - de Levensboom zijn roem!
1836.

nebo
Ik sta als Mozes, vóór 't Beloofde Land.
Ik zie 't van verre en mag niet binnengaan.
Ginds, aan mijn voeten, golft het gulden graan;
Vroom ruist het woud: "God doet zijn woord gestand."
Ik bal de vuist en klaag u, Jahvéh, aan,
Verberge u ook een koopren wolkenwand.
Zwaar, op mijn schouder, valt de onzichtbre hand
En straft mij streng voor wat ik heb misdaan.
Had ik, als hij, die de uitverkoornen Gods
Ten leven leidde, een grootse taak volbracht,
In stille vrede stierf ik op mijn rots.
Doch doelloos moet ik lijden en mijn klacht
Kaatst, onverhoord, de kale bergkruin weer...
En, de ogen dicht, stort ik in d'afgrond neer.

les
Gelukkig is de mens, die als hij gaat te bed,
Zijn rekening met God gedurig effen zet.
Gelukkig is de mens, die, als het licht begint,
In zijn verlichte geest een nieuwe wereld vindt.
Lenteloveren (1845)

volkslied
Een gedicht van J.B. Schepers
Ingegeven bij Krugers intocht in Den Haag.
Opgedragen aan Volksweerbaarheid.
Op, burgers, op! Laat luid ons lied nu klinken
Ter ere van de vaderlandse grond:
Hier zag men, de eeuwen door, de vrijheid blinken
Te midden van een volk dat dwang weerstond.
Hier streden wij voor 't recht om vrij te denken,
Wij staan er pal voor noch tot aan de dood:
Wie waagt het dan een dapper volk te krenken;
Al zijn wij klein, dit zelfgevoel maakt groot.
Wij, Nederlanders, waar we ook mogen wonen,
Waar ook de taal van 't Laaglands ras weerklinkt,
Daar willen wij aan heel de wereld tonen,
Dat ons een krachtig, blij gevoel doordringt.
Laat Oost en West het zien, hoe jong en krachtig
Wij staan naast onze Oranjes, zij aan zij,
Verschillend in geloof en denken, maar eendrachtig
In deze éne leus: Wij blijven vrij!
Doorluchtig volk, dat eenmaal tachtig jaren
Gestreden en geleden hebt voor 't Recht,
Blijf die gedachte als 'en schat bewaren
Een kostbre schat, die plichten op U legt:
Volg 't voorbeeld van dat oud geslacht, wiens glorie
Noch altijd is z'n Vaderlandse zin,
En - wacht dan kalm het oordeel der historie,
Ga opgewekt en sterk de toekomst in.
Haarlem.

zo
Ik min u, och bemin me weer,
En seffens leg ik al de schatten,
Die aarde, zee en lucht bevatten,
Aan uwe voeten neer!
Wat uwe dromen u voorspelden,
Wat u der Hope zangen meldden:
Dat alles ja is uw en mijn,
Zo gij mijn lief wilt zijn!
Langs bloemenwegen zult gij treên,
En zoetere geuren zullen walmen,
En zoetere zangen zullen galmen
In 't veld, dan ooit voorheen;
De zon zal eens zo helder glanzen
Aan immer blauwe hemeltransen,
En eeuwige lente is uw en mijn,
Zo gij mijn lief wilt zijn!
Liederen (1868)

illusies
De zelf-beloofde wonderen van uw jeugd
zijn weggedoezeld tot een schamelheid;
en weggedwerreld is in daaglijksheid,
de tuin vol wilde geur, die niet meer heugt.
Uw jaren vonden banen vast omlijnd.
Het liep als ’t lopen moest en zelden spaak.
Iets anders deed gij dan uw diepste taak –
en nu ontwaakt gij even voor het eind.
Het binnenspel van uw verbeelding bant
de nutteloze zwaarte van ’t verstand,
in welks omkluistering gij doods moest leven.
Droom weer, droom nog, droom over zee en land,
droom los u uit de dag en droom nog even
een glimp van schoonheid in de droom hergeven.
----------------------------------------------
uit: 55 variaties op een bekend thema (1937)
egener
Gods aangezicht
Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933
Gods aangezicht, het is de atmosfeer,
Het zijn de bomen, is der wolken veer,
De akkers en de gronden en de dalen,
De bergen en de schitterende schalen
Der zeeën, waar de zilvervis in school,
Gods aangezicht is in de veldviool,
In struik en plant en in der dieren oog,
Het is Gods beeltenis, die uit de takken vloog,
Wanneer de vogel op de lucht zich heft,
God is de bliksem, die de aarde treft,
En splijt en kerft haar ingewanden open,
God is het vermiljoen, vooruitgelopen,
Vermeldende der aarde nieuwe Zon,
God is het rondend ruim, de horizon,
Die altijd verder trekt waarheen ge treedt,
Hij is het waterdek, hij is het kleed
Dat op de aarde ligt, de schemering is hij,
Een man in weifeling, in mijmerij,
God is een doodslag, wreedheid en de list,
God is de werkelijkheid, die zich vergist,
De beving van het komende gebeuren,
De lichte laaie gloed, het peinzend peuren,
God is de vrouw, de man, het kind, het dier,
Hij is de sneeuw der bergen en het wier,
De wijde lucht, het alom vonkend vuur,
Er is geen God, er is slechts de natuur.
Van God en van de natuur (1921)

grafbloem
De orchidee, de enkeling,
de schrikse fantasie der lijnen
een opensperren - en dit kwijnen
o nauw geredde drenkeling;
een tengerheid, zacht neergelegd
door vriendenhand die wou bewaren
herinnering aan zielsgevaren -
en al het schuwe, ongezegd.
-----------------------------------------------
noot van de redactie:
Frederik Schmidt-Degener maakte de dichter J.H. Leopold jarenlang
als leraar en later als vriend mee.

mijn kind
Mijn kind, ik ben niet rijk,
Al ben ik niet zo arm als 'k lijk.
O, al bezit wordt wonderlijk,
Zodra men komt te leren
Wat rijkdom kan ontberen!
Eens had ik mij zo rijk gedacht,
Dat tot mij heel de stille nacht,
Onafgebroken wanhoopsklacht,
Rezen der wereld zangen
Van overwinning en verlangen.
Nu, in de stralen van de zon,
In 't water der gemene bron,
In 't blanke brood dat 'k werkend won,
Herproef ik reiner al de lusten
Wier lippen ik als eigen kuste.
Vaak, levend maar van hand in tand,
Een zwerver door der mensen land,
Zag ik in toegestoken hand,
Hoe klein en armlijk koperstuk
Tot klinkklaar goud werd van geluk.
Dus ben ik niet zo arm als 'k lijk,
Al ben 'k niet rijk;
Want al bezit is wonderlijk,
Omdat een mens alleen volkomen heeft
Wat hij verloren geeft.
Stemmen (1943)

zij zeggen
Zij zeggen : „Laat uw dwaas vooroordeel varen!
Daar is geen God, die antwoordt op gebeên;
't Oud Bijgeloof had tempels en altaren:
De Wijsheid onzer eeuw behoeft er geen.
De honger nijpt, de pest ontvolkt de straten,
Uw kroost ligt krank en worstelt met de dood:
Verbijt uw leed! Wat zou uw bidden baten?
Geloof hen niet, en klaag aan God uw nood.
Men leerde u van een Vader, die voor allen
En alles zorgt met vaderlijke trouw;
Dat, zonder Hem, geen mus op aarde vallen,
En op uw hoofd geen haar vergrijzen zou.
Neen! zeggen zij: Natuurwet drijft het leven
En brengt de dood, voor beiden even blind...
Vergeefs uw lot in hoger hand gegeven!
Geloof hen niet, en blijf uw Vaders kind.
Men predikte u een Heiland, voor uw zonden
Gestorven, en uw Redder door zijn bloed.
Uw schuldig hart heeft troost bij Hem gevonden,
Uw kranke ziel bij Hem haar kracht en moed.
Zij zeggen: IJdle troost voor noodloos vrezen!
De mens is goed, hoe dweepzucht hem verguiz'!
Steun op u zelv', en gij zult krachtig wezen!
Geloof hen niet, en houd u aan zijn kruis.
Godsakker noemt gij 't kerkhof; 't daar gezaaide
Herleeft eenmaal in nieuwe heerlijkheid!
Dwaas! zeggen zij: 't stof dat de wind verwaaide
Is nergens meer, of overal verspreid.
't Herleeft? 0 ja! In gras en kruid en bloemen,
En sterft opnieuw, en wisselt eeuwig af ...
De geest? Wat is die geest, waarop wij roemen?
Een denkbeeld!... Hoor hen niet! maar plant het kruis op 't graf.
Madelieven (1869)

doodWinter heerst er in mijn hart
‘t is er snijdend koud en guur
Wolken zijn er grauwig zwart
wat ik mis, is het levensvuur
Stilte heerst in mijn innerlijk
alleen de nacht is deelgenoot
Duisternis schijnt onsterfelijk
even onsterfelijk als de dood
Smart beheerst de lange weg
waar de zon het schijnen laat
De verlaten weg, die ik afleg
voert mij tot de laatste straat
Winter heerst er in mijn hart
als ik van ver de drempel zie
Dan ineens vervaagt ‘t zwart
en wijzigt zich in acceptatie
Vrede beheerst nu mijn hart
koud en guur, zij stierven af
Licht fonkelt over het zwart
van ‘t onbewoond aards graf
vrouw
Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935
Ne li occhi porta la mia donna Amore,
Per che si fa gentil cio ch'ella mira.
Dante Alighieri (1265-1321).
Je fijne gratie mij omwevend
Als geuren delicaat,
Je geest zo lichtend en zo levend
Mijn geest omzwevend, saâm opstrevend ...
Je tere vrouwlijkheid, mij gevend
Een nieuw geluk nog laat
Maar jong en lichtend als een avend
Van droom en kleur en koelte lavend,
Een avond die héél langzaam duistert,
Maar door geen duister wordt ontluisterd .....
Want de avond-Schoonheid wil niet marren:
Uit dage-scheiden Zij ontluikt
In mane-glans en gouden starren,
In blijheid die de vogel tjuikt:
Een avond die de nacht weerstaat
Tot aan de nieuwe dageraad!
Laat dan mijn avondbeê je danken
In zacht koraal van morgenklanken,
Alsof mijn ziel pas werd gewekt
En nu opééns zichzelve ontdekt,
Als zon uit wolken openbrekend,
En met een vreemde stemme sprekend,
Aan lang verzaamde zingens-stof
Ontlenend plots der Liefde lof!
20 Juli 1932.

zingen
Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915
Wij zingen, wij de poëten,
van weia, weiala, dideldidom...
't Volk vindt de zang... versleten
en de poëten... dom.
Wij zingen roerende sagen
van weia, weiala, dideldidom...
maar 't leed van alle dagen,
daar geven wij wat om!
Wij zingen van dwergen en elven,
van weia, weiala, dideldidom...
van sombre spookgewelven,
waar nimmer straaltje glom...
Wij zingen van reuzen en draken,
van weia, weiala, dideldidom...
die schuchtere maagdekens schaken
en voeren om en om...
Wij zingen van kabblende beken,
van weia, weiala, dideldidom...
van bloemekens die spreken
in 't woudlijk heiligdom...
Wij zingen en wij zwoegen,
van weia, weiala, dideldidom...
de volke ten genoege, .—
en 't volk loopt naar de kroegen
en vindt de poëten.... dom.
Gedichten (1913)
