Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

doof

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Oost-Indische doofheid

'k Wil 't wel weten dat Klorinde
Me in het hart bestorven ligt;
'k Val wat blo, en toch 'k beleed haar
Mijn gevoel door lonk en dicht.
Maar ja wel! Ze is niet hardhorend
Of onvatbaar, zo 'k geloof -
Voor mijn zuchten en mijn zangen
Blijft nochtans Klorinde doof.

'k Dacht: ik was nog al kapabel;
'k Werd begerig naar een ambt,
'k Heb vol moed de grote heren
Met verzoeken aangeklampt:
Ach, wat hielpen al mijn beden,
Die men stil ter zijde schoof,
'k Had geen wagen om te kruien
En... de heren bleven doof.

'k Had een tante, 't mens had centen,
Of ik op 't legaatblad stond?
'k Hoopte 't wel, maar mijn vertrouwen
Had, helaas, een zwakke grond.
Andre neefjes wisten beter
Om te springen met de sloof;
Nu ging 'k ook mijn best aan 't vleien -
't Was te laat; mijn moei was doof.

Doofheid is een ramp van 't leven,
Die wel medelij verdient;
Met geduld zou 'k willen schreeuwen
Aan het oor van vrouw of vriend;
Maar bij enklen, 'k wil 't bekennen,
Staan geduld en ijver stil,
'k Heb geleerd; het doofst van allen
Is hij die niet horen wil.


1846.

De dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:17 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

de nood

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

DE NOOD

Toen klopte aan de kamerwand
een schuchter ijle zwarte hand
'waak op! ik ben 't! de Nood!'

Ik zei, ik ken u al zo wel
gij met uw grauwe zwarte vel,
hoe? heb ik u genood?

'k Heb lang gewerkt, ben moegeslaafd,
wens nu dat rust mijn lijf wat laaft,
hoe stoort gij mij zo snood?

'Gij hebt mij niet genodigd niet
maar ik heb u iets te zeggen, iet,
hoor 't aan, speel niet zo groot!

Het kindje dat uw kind zal zijn
moet ik van 't lot begeleider zijn
van 't dragen tot de dood.'

Begeleid het, 'laas! maar laat het iet,
neem het zijn trots en daadkracht niet,
neem het zijn haat en weerstand niet;
zo anders ... bleef het dood.

Toen ging er langs de kamerwand
een schuwe ijle zwarte hand:
grauw-luidloos vlood de nood.

Een bonte vlucht (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

lentelust

Een gedicht van Gentil Atheunis 1840-1907

Lentelust

Wanneer het ijs zal dooien
Bij zoele zuiderwind,
Zal vreugdig zich ontplooien
Elk harte, dat bemint.

Dan zal de Mei ontwaken,
De jeugdige, lustige Mei,
En zingend zich vermaken
Langs heuvel, dal en wei.

En waar de Mei zal zingen,
En waar de Mei zal gaan,
Zal 't zwellend botje springen
En 't frisse bloemtje ontstaan.

Dan zullen bomen, hagen,
Langs weide en heuvel en dal,
Zo menig nestje dragen
Waar 't heimlijk piepen zal.

Dan zal ik langs de velden,
In geur en kleur en licht,
Haar 't zoet geheim vermelden,
Dat diep in 't hart mij ligt.

En wil zij knikkend blozen,
De zoete liefste mijn,
Dan zal 't vol zang en rozen
In beide ons harte zijn.

Uit het hart (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

snoepwinkeltje

Een gedicht van M.A. de Wijs- Mouton

Snoepwinkeltje

In de donkere straat
waar het belletje gaat,
Kletst ‘t deurtje al rinkelend open
Komen in ‘t kamertje klein
Bij ‘t lampenschijn
De kleutertjes binnen geslopen.

En ‘n dappere vent
In zijn knuistje een cent,
Stapt naar voor en blijft grinnikend zwijgen.
Tot de koopvrouw geleerd,
Zijn fortuin inspecteert,
En verteld wat hij daarvoor kan krijgen.

‘t Is ‘n reep zwarte drop,
Koek met suiker er op
Een kleurbal, een zuurbal, een wafel
Een zoethouten stok
Of ‘n kleurige brok
Ligt alles bijeen op tafel.

Als de kapitalist
Zich wat dikwijls vergist,
De koek en de suiker beduimelt,
scheldt de juffrouw verwoed,
Dat ie ‘t kostlijke goed
Met zijn smerige vingers verkruimelt.

De kleuter verbaasd,
Dat de juffrouw zo raast,
Smoest stiekum wat met zijn kornuiten,
De keus wordt bepaald,
De kleurbal betaalt,
Dan schooien zij slent’rend naar buiten.

In de donkere straat
waar ‘t troepje nu gaat,
Wordt hevig gewikt en gewogen;
Dan zuigen z’ om beurt,
tot de bal is verkleurd,
En hun rijkdom illusie vervlogen.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:31 Reageer op dit bericht

ontstegen

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1868-1929

Ontstegen lente

Een vogel fluit; de buien zijn voorbij.
In zonlicht juicht de breed-gezwollen stroom.
Nu zijn der mensen ogen blij en vroom
Bij 't voelen van een lieflijker getij.

De zuiderzoelte kust de leden loom.
O, zaligheid van de avond, als gevlei
Van rozengeur geloven in ons lei
Aan de eeuwge schoonheid van een liefdedroom.

O, wrede lente, o, zware kruisiging!
Voor wie der kleine liefde niet ontsteeg,
En eenzaam is; uw lieflijk aanzijn leeg
Gelijk een schrijnend afzijn onderging.
O, lente, die in god-geluk omving
Hem die uit Zich tot Zich bevrijding kreeg!

schrijver

Geschreven door Dora om 11:50 Reageer op dit bericht

gij

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

O, gij voor wie de driften zwijgen

O, gij voor wie de driften zwijgen
Wanneer de droppels door uw borst
Als door een doek der liefde zijgen
Ter lessing van des kindjes dorst,
Wat zijt ge schoon en opgetogen,
Iets zoets ontstraalt uw dromende ogen.
Iets, dat getuigt hoe gij geniet,
Iets, als in ‘t oge der gazelle,
Wanneer zij in de klare welle
Met lust zich rein weerspiegeld ziet.

Bemerkt ge niet in ‘t teedre wichtje.
Als in de bron, uw evenbeeld,
In wiens onnozel aangezichtje
Nu reeds de reine liefde speelt?
Ik voel het, ‘k ben voor u verdwenen,
Maar toch mijn harte zal niet wenen,
Een kindeke ligt op uw schoot,
Dat gij met feller gloed zult minnen
Dan ‘t woest gestorm der hete zinnen,
Dat u de mannenliefde bood.

O heilig, driemaal heilig wezen,
Waaruit het vlees zo fris verrijst,
O, laat mij in uw blikken lezen
De vreugde die uw ziele spijst
Met liefde voor de schone wereld,
Terwijl aan uwe borsten perelt
De melk in volle zuiverheid,
Terwijl uw kindje ligt te woelen
En teer maar innig moet gevoelen
De moeder is de onsterflijkheid.

Aan Johanna's nagedachtenis deel III (1933)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:24 1 reactie Reageer op dit bericht

brief

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

HAAR BRIEF

Nu zit ik hier alleen en schrijf,
Maar ´t schrijven laat mij onvoldaan,
'k Voel iets dat ik niet schrijven kan
En laat op 't eind iets anders staan.

Ik wou hem zeggen wat ik denk,
Maar weet niet hoe ik 't schrijven zal:
Want wat een mens in woorden schrijft
Mist stem en lach, ach stem vooral.

Dat maakt mij angstig of ik soms
Verkeerd schrijf wat ik zeggen wil.
Was hij maar hier of ik bij hem,
Dan zei ik 't zacht en lachte stil.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:43 Reageer op dit bericht

lentezang

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Lentezang

Daar komt de Lente:
Ze spreidt algauw
Haar hoge tente
Van licht en blauw!

De velden laaien
In zonnegloei;
De weiden waaien
Vol bloemenbloei!

Het beekje huppelt
Zo vlug en fris;
En zilver druppelt
Van bies en lis.

De bomen strekken
Hun armen uit.
De wilgen lekken,
De berk loopt uit.

Al! takken, twijgen,
Al wierookwerk!
De leeuweriks stijgen
Op vlammenvlerk!

En liefde en hopen
Het al doordringt:
Het hart gaat open,
De ziele zingt.

O zonnedagen!
O geur en fleur!
Een hemelwagen
Staat vóór de deur.

Liedren voor 't volk (1903)

Illustratie: Champs de printemps door Caude Monet (1840-1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:39 Reageer op dit bericht

eenzaamheid

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1868-1926

Eenzaamheid

Van alle dingen die de mensen wachten
In aards verlangen naar gelukkig zijn,
Is niets zo doelloos als 't vergeefse trachten
Naar één te worden door tezaam te zijn.

Bij alle vreugden die de mensen derven
Is niets zo zeker als de zekerheid:
Alleen te leven en alleen te sterven
In eigen pijn van eigen zielenstrijd.

Er peilen ogen en er tasten handen
Die nimmer dringen in der vreemden geest;
Die nimmer reiken dan aan zielenwanden
Waar vreemde smart gekerkerd is geweest.

We leven naast elkaar als arme blinden
En tasten naar die andren om ons heen.
We zoeken andren om onszèlf te vinden
In de eenzaamheid van eigen ziel alleen.


Ascona, 1922

Verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 09:39 Reageer op dit bericht

waar

Een hartenkreet die me aansprak en hier geplaatst
Schrijver Wim en verder onbekend

waar te gaan

Waar te gaan als de weg gesloten is.
zoekend naar een zijweg oh kon ik maar vliegen
alsof ik alles maar constant mis
constant tegen mezelf loop te liegen

En dan? terug of gewoon stoppen?
En nu? verder met waar te gaan zonder resultaat?
ergens binnen gaan zonder kloppen?
of... is het allemaal te laat

Ik weet wel dat morgen komt met nieuwe dingen
dat morgen mogelijk een oplossing geeft
maar nu loop ik me in allerlei bochten te wringen
en is er niks in mij wat echt leeft


Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

zandlopermaker

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

Op het graf van ene ZANDLOPERMAKER

Hij die door stoffig zand, terwijl hij heeft geleefd,
‘t Verloop van ieder uur in 't glas gewezen heeft,
Wijst in zijn eigen stof, aan d'ogen daar toe open,
Nu 't aller uren uur, dat niemand kan ontlopen.

Dullaerts Gedichten (1719)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:34 Reageer op dit bericht

éénmaal

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Laat mij nog éénmaal

Laat mij nog éénmaal met U gaan:
Uw woord was mij zo strelend zacht!
Beween nog eens mijn stille waan,
Mijn liefde en droef verborgen klacht.

Laat mij nog éénmaal met U gaan
En luistren naar dit teer gerucht,
Dat uit U schreit in traan na traan
Om 't leed, waarvan mijn peinzen zucht.

Laat ons nog éénmaal samenstaan -
De wereld wenkt zo grijs, zo wijd...
Geef mij nog éénmaal, vóór wij gaan,
Uw troostende barmhartigheid.

Eén enkle maal: dan zal Uw hart
Vergeten wat gij thans beschreit -
Mijn droefenis die zwijgend mart,
Mijn smart die om Uw droefheid lijdt.

Geef mij nog ééns Uw koele hand:
Dan zal 'k voor altijd van U gaan,
En dwalen langs 't verlaten land,
En klagen van mijn laatste waan.

schrijver

Geschreven door Dora om 14:32 Reageer op dit bericht

na schooltijd

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Na Schooltijd

Hoezee, hoezee! de School is uit,
En 't werk vandaag weer af.
De kindren mogen spelen gaan
En zonder vrees voor straf.

De meisjes lopen heel bedaard,
Vooraan gaan Koosje en Kee.
Kijk, daar is kleine Lida ook,
In 't midden van die twee.

Ze was van daag voor 't eerst op school,
Zo blij komt ze er vandaan,
Dat ze aan haar moeder vragen zal,
Of ze elke dag mag gaan.

De jongens zijn al ver vooruit,
En lopen wie om 't hardst.
Jan deed graag mee, maar denkt: ‘mijn lei -
‘Valt die, dan krijgt ze een barst.’

‘Toe, zusje,’ zegt hij, ‘draag mijn lei,
Je hebt toch ook een tas,
En krijgertje, zegt Moeder, komt
Voor meisjes niet te pas.’

‘Zeg, zusje, wil je 't voor me doen?’
En Klaartje zeide: ‘Ja!’
‘Zo gij straks voor me slingren wilt,
Als 'k touwtje springen ga.

‘Dat's goed,’ zei Jan, daar liep hij heen,
Zo hard als hij maar kon.
Nieuwsgierig ben 'k, wie van die vier
Dat spelletje wel won.

Kijkjes in 't rond (1881)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:45 Reageer op dit bericht

ellendigen

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

DE ELLENDIGEN

ZIJ zijn de zwervers met de doem geboren
Van eenzaamheid en eindloos-schrijnend leed:
Hun wereld heeft haar diepste schoon verloren
Sedert hun droefheid alles ledig weet.

Geen helle droom, geen vreugd kan hun behoren,
Liefde is hun nooit een zacht-verwarmend kleed:
Zij pogen slechts het stil verdriet te smoren
Dat rustloos aan hun zieke leven vreet.

Soms heffen zij hun onverzaadbaar smachten
Naar een wiens lach hun twijfel overwon
Maar horen nooit het antwoord op hun klachten

En dwalen weer en zoeken vredes bron,
Ellendig in de duisternis der nachten,
Ellendig onder 't branden van de zon.

Gedichten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:16 1 reactie Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Lente

De zon is verschenen!
De aarde straalt -
Zij heeft een verdwenen
Geluk in mijn ogen gehaald.

Ik ben alles vergeten
Wat ik zo even wist -
Ach: wat is 't dat we weten?
Wat is 't! wat is 't!

Wat is 't dat we willen,
Dan de kranke aarde in 't
Zonlicht te tillen -
Als een arm ziek kind!

schrijver

Geschreven door Dora om 16:12 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Marie Metz-Koning

Ik weet niet, lief, hoe 't leven ons zal leiën

Ik weet niet, lief, hoe 't leven ons zal leiën
Nog vaster samen, of wat meer vaneen....
Al reikt verlangen ook naar 't hoogste heen,
We kunnen alles van de toekomst beiën;

Want onzer voeten wankelbare schreên,
En onzer zielen zonderbaar gedijen
Waar dat ons brengen zal in later tijën,
Weet, sedert God ons stierf, mijn lief, niet één!....

Maar laat ons trouw zijn, en onz' woorden wijën
In waarheid, lief, die bracht niet vaak vaneen;
En als we ons leed doen, trotsjes, laat ons glijën
Naar zacht vergeven, dat steeds 't hoogst me scheen;
En als we ons voelen soms, schoon saam, alléén....
Laat ons dan in elkanders armen schreien.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:24 Reageer op dit bericht

wekkers

Een gedicht van Gerrit van de Linde 1808-1858

Wekkers

In 't onbekende Zuiën,
Waar men onder andere van klokken en pendules niet weet, mitsgaders van 't beieren, kleppen en luien,
Weten de horologiemakers natuurlijk met hun lege tijd geen raad,
En nemen daarom dienst als wekkers ten nutte van de Staat:
En als je dan 's morgens eens heel vroeg klaar wilt zijn, gewassen en geschoren,
Dan wekken ze je gewoonlijk 's avonds te voren.

De gedichten van den Schoolmeester (1902)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:13 Reageer op dit bericht

doodse dood

Een hartenkreet van Hans Uding

DOODSE DOOD

Lief, lief tantetje
vijf dagen heb je daar gezeten
samen met de doodse dood
die stille tijd gesleten
waarom ontluistering jouw deel?

binnengekomen overviel jou de kille kou
de kachel gloeiend rood, heel heet
in alle rust de krant gaan lezen
de doodse dood besloop je snel
aangrijpender beeld kan ik niet schetsen

visioenen achtervolgen mij nog steeds
wankelend heb ik je lichaam neergelegd
gestreeld, daarna ben je weggedragen

we weten nooit, waar en wanneer
de doodse dood is heel vaak onverwacht
onze klok tikt de minuten en de uren
de hartenklop vond bruut zijn eind
jouw warme liefde houdt mij overeind

Geschreven door Dora om 12:44 Reageer op dit bericht

schaakspel

Een gedicht van Omer Karel de Laey 1876-1909

Schaakspel

's Avonds, achter 't linnen windschut,
zaten, in 'n koude cel,
twee gestrenge paters, naast 'n
druipend waslicht, aan het spel.

Tegen 't schaakbord, op de tafel,
lag 'n dik getijdenboek,
met 'n hoornen snuifdoos nevens
en 'n rode zakneusdoek.

't Kampte. De elpenbenen stukken
dreigend vóór malkaar gesteld,
kruisten lijk 'n legerbende,
't wit en zwart gevierkant veld.

Een der paters draalde zenuwachtig,
rond z'n gladde kin,
met z'n lange, mager vingers
en misschoof z'n koningin.

Hij verloor en, monklend, gaf 'n
kopergroene, slechte duit,
en de winner, wederjonstig,
stak zijn hoornen snuifdoos uit.


-------------------------------------
wederjonstig: als wedergunst

schrijver

Geschreven door Dora om 14:17 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935

Lente

Daar zijn de knoppen wonderbaar gebroken,
De lentezegen breekt er stromend ùit...
Op koele wuiving drijven zoete roken...
De lucht is één wijd ruisen van geluid!...

Dat lijkt een liefelijke toversproke
Van wijdse heerlijkheid, die plots ontspruit
Bij lichter feeë roede... leve' ontloken
Glorieus... nog pas met rouwklokke uitgeluid!

Zijn 't nu mijn harte-knoppen, die daar breken,
In weelde ùitstromend, bij het laafnis-leken
Van 't warme licht, rein heiligend gespreid?

Dat vreemd bedwelmen... zijn 't mijn harte-aromen?...
Is 't àl een toversproke, in lichte dromen
Eens stil gedroomd als wondre werklijkheid?...

Gedichten (1895)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:15 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten