Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

liefde

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Liefde, des mensen wezen, heeft drie delen

Liefde, des mensen wezen, heeft drie delen:
Liefde voor de Mensheid, de Vrouw, zich zelve.
Hoewel alle die liefden schijnen vele,
Zijn ze éne Liefde, - pijlers tot één gewelve.

Wanneer men de Mensheid liefheeft, dan heeft men
De Vrouw lief, of de Man, en ook zich zelve.
En omgekeerd. Als de gedachte' één geest bewelven,
Zijn alle die soorten van liefde één.

Een heeft de ene minder, de andre meer,
Alle mensen in verschillende mate,
Zoals de sterren hebben hun gelaten
Verschillende van licht, minder of meer.
Maar toch zijn ze alle samen het heelal,
Zo éne Liefde in vormen zonder tal.

De Arbeidersraad III (1931)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:35 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

zo...

Zo….

 

Het is weer zo

Ineens is het ho…

Geen enkel gedicht spreekt me

vandaag echt aan

Ja, ik wil dat hier iets komt te staan

Dus tik een paar woorden niet ver hier vandaan

Ik tik ze op mijn toetsenbord

En als ik het zat wordt

Dan haal ik mijn vingers terug

En dan is er een gedicht

Maar het zegt weinig terug

Soms kan het ook een loze kreet zijn

En ik doe ook geen water bij de wijn

Want dan zou het slappe rommel zijn

Daarom blijft het hierbij

Misschien is het digitaal papier wel blij

Dat er nog eens een bladzij

Omgeslagen wordt

En dat  er een loper wordt uitgelegd

Van weinig zeggende woorden

Het zijn geen muzikale akkoorden

Maar je kunt er gelukkig niemand mee vermoorden

Dat gebeurde in het verre noorden

En de moordenaar heeft geen spijt

Maar was wel met zijn geweer vol vlijt

Een drama wat misschien bij weinig mensen slijt

Of misschien dat de tijd de wonden heelt

Maar het ergste is als het een moordenaar niet kan schelen

Dat er zoveel mensen niet meer zijn in het heden
Hier zet ik wat rozen neer
Ik geef de overledenen hun eer!


Bloemen

 

 

Geschreven door Dora om 19:48 Reageer op dit bericht

lezen

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

Hij konde lezen.

Een herder ging al vroeg door 't land,
En vond een net gevouwen
Papiertje, nam 't met rappe hand,
En dacht wat raars te aanschouwen.

Alleen vond hij tot zijn verdriet
Er schrift op; de arme herder
Versmeet het: lezen kon hij niet,
En treurig ging hij verder.

Nu kwam een andre wandelaar
Een stond daarna getreden.
Hij werd het briefje ras gewaar,
En las er op deez' reden:

‘Vriend, vóór de eik, die eeuwenoud
Zijn takken uit blijft strekken,
Dicht bij een vliet, in 't diepste woud,
Zult gij een schat ontdekken.

Ik hadde vriend noch maagschap meer,
Wie ik die konde schenken.
Wees rijk, doe goed, bedank de Heer;
Wil mijner soms herdenken!’

De lezer ging met vlugge tred,
Ontdekte 't aangewezen',
En stortte een vurig dankgebed.
Wel hem, dat hij kon lezen!

Gedichtjes voor kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:33 Reageer op dit bericht

ruiker

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

Met een ruiker

Tussen haar zusters, de verkoren rozen,
Verbergt zij kuis en bang de zaligheid
Die haar verwart en mijmerend doet blozen
Nu zij vermoedt waartoe ze is voorbereid.

De bloemen op haar haastige adem beven.
Waarom die vrees?...want ze is mij teer verwant
En heeft mij daarom argeloos gegeven
Dit warme speelgoed, haar verliefde hand.

Tussen twee werelden (1917 - 1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:36 Reageer op dit bericht

sonnetten

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Sonnetten zijn vol liefde

Sonnets are full of love
Chr. Rossetti

Sonnetten zijn vol van liefde, dus ik zal
Mijn hoogste liefde ook in sonnetvorm uiten,
Niets weet ik dan die liefde, niets staat buiten
Niets boven haar - zij is mij 't een en 't al.

Zo liefde zwijge, waar ze in d'enge hal
Van aardse min de liefste aan 't hart mag sluiten,
Of stijgend, waar gedachte en woorden stuiten
Verstommen voor Gods stille woordenval....

Daar, waar de liefde liefdes doel verloor,
Of waar de liefde twijfelt aan zichzelven,
Daar spreekt haar stem en vult de luchtgewelven
Met klang en klaagt de hoge heemlen door...

Sonnetten zijn vol liefde en liefsverlangen,
Hoe dieper droefenis, hoe zoeter zangen.



---------------------------------------------------------
Christina Rossetti: Engelse dichteres (1830-1894)

Nieuwe verzen (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:38 Reageer op dit bericht

rozen

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Zwarte rozen.

Ik droomde een droom deez' nacht van zwarte rozen:
Zij rezen geurenloos in starre pracht.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Daar was noch zeeëstem noch loverkozen -
De stille maan ging door de bleke nacht.

Om 't blank verloorne voelde ik rouwe en klacht
In 't hart der zwarte rozen lang bevrozen.
Vol hovaardije breedden zij hun dracht,
In droeve ontaarding zelf door haar verkozen.

En 'k zag hoe hare donkre stenglen dronken
't Leven van alles waar haar schaduw strekte...

O, in dien teedre maannacht zacht ontblonken
Die zwarte rozen zegloos somber vlekten!

En 't werd me of ik in mense'-ontaarding staarde,
Zijn zwarte zelfzucht vlekkend weerloze aarde.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:42 Reageer op dit bericht

inkeer

Een gedicht van Adama van Scheltema 1921-1947

Inkeer

Wat lelijk heel die heide,
Wat lelijk doet dat veld,
Wat triest dat geen van beide
Mij meer iets moois vertelt!

Elk bloempje aan de wegen
Leek eens een mooi verhaal -
Nu drupt het in de regen
En zwijgt het allemaal.

‘k Loop in herinneringen
als een wanhopig kind,
Dat ziet de oude dingen
En de oude weg niet vindt.

Maar hebben zich mijn zinnen
In schone schijn verward –
Zij zien verbaasd naar binnen
In ‘t eigen mensenhart: -

En langzaam gaan mijn ogen
Naar dieper beeltenis -
Ontdekken zij de logen
Van wat daarbuiten is?

schrijver

Geschreven door Dora om 18:40 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

't Lied der Minne

Kent gij 't lied der minne,
't Schoonste lied van al?
‘t Klinkt door woud en velden,
't Dreunt door berg en dal;
't Vloeit van hart tot harte,
't Zingt van mond tot mond,
't Leeft van eeuw tot eeuwe,
Land en wereld rond.
Ja! waar dringt het niet?
Ja! wie zingt het niet,
't Zoete lied
Der minne?

Zij zaten daar getweeën,
Zij zaten er reeds lang;
Zijn oog blikte in haar ogen,
De blos gloeide op haar wang.
En geen van beî kon spreken,
Want liefde heeft geen taal;
En toch was 't hun, als klonk daar
Een hemels schoon verhaal.
Dan liet zij 't hoofdje zijgen
Tot op zijn borst... en toen,
Toen plukte hij, ontheven,
Haar eerste liefdezoen.

Zij zaten nog getweeën,
Nu een gelukkig paar,
Zij 't oog gericht ten gronde,
Hij 't oog gericht tot haar.
En eensklaps had zij hijgend
Haar gade vastgekneld...
Hij vroeg haar: ‘Zeg mij, liefste,
Wat is 't dat u ontstelt?
Wat! tranen zelfs! Vergeet niet
Hoe diep gij wordt bemind!’
Hij hoorde snikkend staam'len
Van ‘moeder, vader, kind!’

Zij zaten nu gedrieën....
Hij trotser dan een vorst,
Zij, schoner nog, beschouwend
Het wichtje aan haar borst.
Ja, 't sliep daar tussen beiden,
En wijl hij spreken wou,
Deed zij hem angstig teken
Dat hij toch zwijgen zou.
Maar eer zij kon verhind'ren,
Schuw over 't kind gebukt,
Had hij op hare lippen
Een vuur'ge zoen gedrukt.

Dat is 't lied der minne,
't Schoonste lied van al;
't Klinkt door woud en velden,
't Dreunt door berg en dal;
't Vloeit van hart tot harte,
't Zingt van mond tot mond,
't Leeft van eeuw tot eeuwe
Land en wereld rond.
Ja! waar dringt het niet?
Ja! wie zingt het niet,
't Zoete lied
Der minne?

Uit het hart (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:19 Reageer op dit bericht

zwerver

Een gedicht van Jan Veth 1864-1925

De zwerver spreekt

Op stille tocht en eenzame ommegangen,
Voel ik mij dichtst bij die mij zijn gebleven
Als sterren in dit al te duistre leven,
En 'k leef in hen en ken geen vreemd verlangen.

Liefde is het louterst, die van brandend prangen
Noch bang begeren weet, - wier durend streven
Is: lichtende gedachtenbeelden weven,
Op liefdes zoet stramien uit strijd gevangen...

Toch, soms, - als wolkenveren in heldre luchten, -
Waart door mijn klaar gemoed een teder duchten,
Dat mijn zó stil beminden leed geschiedt...

Dan: om hun haardsteên heimlijk te beveilgen,
Waak ik 's nachts aan de poorten mijner heilgen,
En 'k bid voor hen, maar zij, zij weten 't niet.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:44 Reageer op dit bericht

meid

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

De meid van hierover.

Zodra als de haan en de leeuwrik te zaam,
Wen 't daagt in de Oosten, me wekken,
Dan spring ik het bed uit, en loop naar het raam,
En haast me het open te trekken.
En 't raam van hierover gaat insgelijks op,
En achter het klimmende lover
Ontwaar ik de vriendelijk knikkende kop
Der lieflijke meid van hierover.

Dag, Sander! Dag, Mieken!.... Daarmee is het uit,
Meer zeggen we niet tot elkander.
En 's avonds, als 't klokje ten Angelus luidt,
Dan is 't weer: Dag, Mieken! Dag, Sander!
Doch zeg ik maar luttel, zo denk ik te meer,
En wat voor kastelen ik tover,
Verraden wellicht mijne blikken, zo teer,
Der lieflijke meid van hierover!

Wel lastig maar eerlijk verdient ze haar brood,
En zingende zit ze te naaien.
Heur haar, dat is blond, hare wangen zijn rood,
Hare ogen, die weet ze te draaien!

Er slendren veel heertjes al pinkend voorbij,
Maar zij mijne plunje ook wat grover,
Toch kijkt ze naar hen niet zoozeer als naar mij,
Die lieflijke meid van hierover!

Ik heb haar zo lief! En of zij van me houdt,
Dat vraag ik niet later dan morgen:
En zegt ze van ja, dan maar seffens getrouwd,
En God zal voor beiden wel zorgen.
En make geen wijn ons het hart er ooit warm,
En zij 't in ons huisje zo pover,
De koning te rijk zal ik zijn in de arm
Der lieflijke meid van hierover!

Liederen (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:06 Reageer op dit bericht

geven

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Geven, geven!

Geven, geven! Alle vrachten
rijzen in het hoogste want,
en de leegte legt een zachte
weemoed in de moede hand.

Geven, géven! Laat de huizen,
sluit de ramen, dek de haard:
de open heemlen zijn de sluizen
voor uw ongeduld'ge vaart.

'k Ben geleegd; ik ben verleden;
'k wórde dood: ik heb gevoed.
Al wat komt is mijn verleden,
waar 't gewerd uit mijne bede en
lacht uit mijn vergeten bloed.

Het bergmeer (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

uren

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Ik kan uren

Ik kan uren
Zitten turen
Naar het wisselend zilveren spel
Van de stippen,
Die er glippen
Over 't water bij de wel.

Ik kan uren
Zitten turen
Naar 't krioelen door het mos
Van de diertjes
En de miertjes
In het boom-gekroonde bos.

Ik kan uren
Zitten turen
Naar het grillig twijggewoel,
Dat zich spiegelt
En zich wiegelt
In een zonnig-eff'ne poel.

Ik kan uren
Zitten turen
Naar der wolken hoge drom,
Statig zeilend,
Of verwijlend
Aan de helle hemeldom.

Ik kan uren
Zitten turen
Naar de vochte maneschim,
Mat vergloeiend,
Zacht vervloeiend,
Dalend, dalend naar de kim.

Gedichten (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:25 Reageer op dit bericht

oude sproke

Een gedicht van Marie Metz-Koning

Een oude sproke

Daar is een oude sproke, van een roos
Die eenmaal in de duizend jaren bloeit;
Maar die in wildernis van dorens groeit
En die daar leeft een al te korte poos.

Daar is een oude sproke, van een man
En van een vrouw die bij de dorens staan;
Wanneer hun hand ten plukken uit wil gaan
Is die geboeid in angst van toverban.

En als hun bleke vingers toch vergaan
En in de dorens even samen zijn,
Dan ligt de roos gedood in dorenpijn
Dan zien ze elkander als ontwaakten aan.

Daar is een oude sproke, van een kruis
Dat staat waar wegen van elkander gaan;
Van ogen, die in moeheid toegedaan
Toch in zich vinden 't vredig Vaderhuis.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:52 Reageer op dit bericht

lentelicht

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

Te lopen in het jonge lentelicht

Te lopen in het jonge lentelicht,
dat nu elke dag langer openbloeit, -
naar de steilte te heffen het gezicht,
daarheen waar hoog, eenzaam een vogel roeit,

of maar naar de top van de populier,
waarin de merel zijn avondlied zingt, -
lied, waar al het geluksverlangen in klinkt,
dat nu rumoert door mens en dier, -

zo te lopen, vaak vol bekommering
over de wereld, het duistre gebeur

in haar; kleine, nietige enkeling
vol zwakheid en vol twijfel en getreur,

en dan op eens, vol moed weer en vol drang
te helpen en ook nog soms, vol lentezang.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:00 Reageer op dit bericht

doof

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Oost-Indische doofheid

'k Wil 't wel weten dat Klorinde
Me in het hart bestorven ligt;
'k Val wat blo, en toch 'k beleed haar
Mijn gevoel door lonk en dicht.
Maar ja wel! Ze is niet hardhorend
Of onvatbaar, zo 'k geloof -
Voor mijn zuchten en mijn zangen
Blijft nochtans Klorinde doof.

'k Dacht: ik was nog al kapabel;
'k Werd begerig naar een ambt,
'k Heb vol moed de grote heren
Met verzoeken aangeklampt:
Ach, wat hielpen al mijn beden,
Die men stil ter zijde schoof,
'k Had geen wagen om te kruien
En... de heren bleven doof.

'k Had een tante, 't mens had centen,
Of ik op 't legaatblad stond?
'k Hoopte 't wel, maar mijn vertrouwen
Had, helaas, een zwakke grond.
Andre neefjes wisten beter
Om te springen met de sloof;
Nu ging 'k ook mijn best aan 't vleien -
't Was te laat; mijn moei was doof.

Doofheid is een ramp van 't leven,
Die wel medelij verdient;
Met geduld zou 'k willen schreeuwen
Aan het oor van vrouw of vriend;
Maar bij enklen, 'k wil 't bekennen,
Staan geduld en ijver stil,
'k Heb geleerd; het doofst van allen
Is hij die niet horen wil.


1846.

De dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:17 Reageer op dit bericht

de nood

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

DE NOOD

Toen klopte aan de kamerwand
een schuchter ijle zwarte hand
'waak op! ik ben 't! de Nood!'

Ik zei, ik ken u al zo wel
gij met uw grauwe zwarte vel,
hoe? heb ik u genood?

'k Heb lang gewerkt, ben moegeslaafd,
wens nu dat rust mijn lijf wat laaft,
hoe stoort gij mij zo snood?

'Gij hebt mij niet genodigd niet
maar ik heb u iets te zeggen, iet,
hoor 't aan, speel niet zo groot!

Het kindje dat uw kind zal zijn
moet ik van 't lot begeleider zijn
van 't dragen tot de dood.'

Begeleid het, 'laas! maar laat het iet,
neem het zijn trots en daadkracht niet,
neem het zijn haat en weerstand niet;
zo anders ... bleef het dood.

Toen ging er langs de kamerwand
een schuwe ijle zwarte hand:
grauw-luidloos vlood de nood.

Een bonte vlucht (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

lentelust

Een gedicht van Gentil Atheunis 1840-1907

Lentelust

Wanneer het ijs zal dooien
Bij zoele zuiderwind,
Zal vreugdig zich ontplooien
Elk harte, dat bemint.

Dan zal de Mei ontwaken,
De jeugdige, lustige Mei,
En zingend zich vermaken
Langs heuvel, dal en wei.

En waar de Mei zal zingen,
En waar de Mei zal gaan,
Zal 't zwellend botje springen
En 't frisse bloemtje ontstaan.

Dan zullen bomen, hagen,
Langs weide en heuvel en dal,
Zo menig nestje dragen
Waar 't heimlijk piepen zal.

Dan zal ik langs de velden,
In geur en kleur en licht,
Haar 't zoet geheim vermelden,
Dat diep in 't hart mij ligt.

En wil zij knikkend blozen,
De zoete liefste mijn,
Dan zal 't vol zang en rozen
In beide ons harte zijn.

Uit het hart (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

snoepwinkeltje

Een gedicht van M.A. de Wijs- Mouton

Snoepwinkeltje

In de donkere straat
waar het belletje gaat,
Kletst ‘t deurtje al rinkelend open
Komen in ‘t kamertje klein
Bij ‘t lampenschijn
De kleutertjes binnen geslopen.

En ‘n dappere vent
In zijn knuistje een cent,
Stapt naar voor en blijft grinnikend zwijgen.
Tot de koopvrouw geleerd,
Zijn fortuin inspecteert,
En verteld wat hij daarvoor kan krijgen.

‘t Is ‘n reep zwarte drop,
Koek met suiker er op
Een kleurbal, een zuurbal, een wafel
Een zoethouten stok
Of ‘n kleurige brok
Ligt alles bijeen op tafel.

Als de kapitalist
Zich wat dikwijls vergist,
De koek en de suiker beduimelt,
scheldt de juffrouw verwoed,
Dat ie ‘t kostlijke goed
Met zijn smerige vingers verkruimelt.

De kleuter verbaasd,
Dat de juffrouw zo raast,
Smoest stiekum wat met zijn kornuiten,
De keus wordt bepaald,
De kleurbal betaalt,
Dan schooien zij slent’rend naar buiten.

In de donkere straat
waar ‘t troepje nu gaat,
Wordt hevig gewikt en gewogen;
Dan zuigen z’ om beurt,
tot de bal is verkleurd,
En hun rijkdom illusie vervlogen.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:31 Reageer op dit bericht

ontstegen

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1868-1929

Ontstegen lente

Een vogel fluit; de buien zijn voorbij.
In zonlicht juicht de breed-gezwollen stroom.
Nu zijn der mensen ogen blij en vroom
Bij 't voelen van een lieflijker getij.

De zuiderzoelte kust de leden loom.
O, zaligheid van de avond, als gevlei
Van rozengeur geloven in ons lei
Aan de eeuwge schoonheid van een liefdedroom.

O, wrede lente, o, zware kruisiging!
Voor wie der kleine liefde niet ontsteeg,
En eenzaam is; uw lieflijk aanzijn leeg
Gelijk een schrijnend afzijn onderging.
O, lente, die in god-geluk omving
Hem die uit Zich tot Zich bevrijding kreeg!

schrijver

Geschreven door Dora om 11:50 Reageer op dit bericht

gij

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

O, gij voor wie de driften zwijgen

O, gij voor wie de driften zwijgen
Wanneer de droppels door uw borst
Als door een doek der liefde zijgen
Ter lessing van des kindjes dorst,
Wat zijt ge schoon en opgetogen,
Iets zoets ontstraalt uw dromende ogen.
Iets, dat getuigt hoe gij geniet,
Iets, als in ‘t oge der gazelle,
Wanneer zij in de klare welle
Met lust zich rein weerspiegeld ziet.

Bemerkt ge niet in ‘t teedre wichtje.
Als in de bron, uw evenbeeld,
In wiens onnozel aangezichtje
Nu reeds de reine liefde speelt?
Ik voel het, ‘k ben voor u verdwenen,
Maar toch mijn harte zal niet wenen,
Een kindeke ligt op uw schoot,
Dat gij met feller gloed zult minnen
Dan ‘t woest gestorm der hete zinnen,
Dat u de mannenliefde bood.

O heilig, driemaal heilig wezen,
Waaruit het vlees zo fris verrijst,
O, laat mij in uw blikken lezen
De vreugde die uw ziele spijst
Met liefde voor de schone wereld,
Terwijl aan uwe borsten perelt
De melk in volle zuiverheid,
Terwijl uw kindje ligt te woelen
En teer maar innig moet gevoelen
De moeder is de onsterflijkheid.

Aan Johanna's nagedachtenis deel III (1933)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:24 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten