Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

zee

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Zee

O,'t leven van de zee, waarbij ik was gezeten,
Dat aanzwol uit een ruimt' waaronder bergen staan,
En tot mijn voeten kwam met dreun en kolking slaan,
En in een zwalp uitzwom van ruiseling verreten.

Het doffe strand was rood als leme, antieke vazen,
Beklompt met stenen, grijs, als schaalgedierte donker,
De lange leking straalde en droop met grot-geflonker,
Tot ze onderdompten in het witte waterrazen.

Geen vogel en geen zeil, niets dan het kookhete zeeën,
Als uit de blauwe wijdte een groene golf weer joeg,
Een opgespalkte baar zijn frons van bruis neersloeg,
En in de brijzeling der branding was verleeën.

O, deze zee en 't oceanische bezielen,
Dat aanzwol uit een ruimt' waaronder bergen staan,
Dat aldoor slaande sleet en slijtende kwam slaan,
En voor mijn voeten bleef als koud schuim na het wielen.

Gedichten (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:26 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

sint-franciscus

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

Sint-Franciscus

Het is gedaan met al die ijdle dingen!
De maan speelt op de zilvren avondfluit;
hij zingt nu niet meer mee, dat lied is uit,
een schoner stem kon in zijn ziele dringen.

Hij zal in d'afgrond van Gods liefde springen,
trekt zijn verleden en zijn kleren uit,
en in een pij, met zijne ziele als luit
gaat hij al beedlend langs de huizen zingen,

zingt voor de wolf, de vogels en de bloemen,
kan al wat leeft zijn broers en zusters noemen,
de Liefde zingt hem mager als een riet.

In zulke pure mens wil God staan branden,
boort Hem zijn vuur door voeten, hart en handen.
Uit elke wond juicht het zonnelied!

Adagio

schrijver

Geschreven door Dora om 19:29 Reageer op dit bericht

gezicht

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

O dit ontroeren om een klein gezicht

O dit ontroeren om een klein gezicht,
vredig en goed, onder donkre haren,
bruin met goudglans, die de zware
streling der handen doet trillen in ‘t licht.

Het zoel aandringen van dit gevoelen
drijft tot het staamlen van huiverblode
woorden, die ‘t snelle stromen van node
hebben, en vrezen hun eigen bedoelen,

en stokken… en er is enkel een kijken
in blauwe verten, oneindig wijde;
wegvloeien van denken en een blijde
duizeling doet het hart bezwijken.

Maar altijd dit weten: in smal gelaat
twee grote blauwe ogen naar mij geheven;
een glanzend bloeien van een jong leven,
waardoor mijn moeheid schoon omstrengeld staat.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:06 Reageer op dit bericht

sinterklaas

Dit is voor kinderen! Maar worden als een kind daar komt geen Sinterklaas
aan te pas! Hoe goed en heilig hij ook wordt genoemd! Het is en blijft een mens, die geen ander mens tot een heilige kan maken!
Zoals de paus in Rome altijd doet!
Het is bedriegen tot op het bot!


Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

Sinterklaas, goed heilig man

Sinterklaas, goed heilig man!
Trek jou beste tabberd an;
Rijd er mee naar Amsterdam,
Van Amsterdam naar Spanje,
Appeltjes van Oranje,
Pruimpjes van de bomen;
Sinterklaas zal komen.

Kinderdeuntjes en wiegeliedjes (circa 1870-1880)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:30 Reageer op dit bericht

ochtend

Een gedicht van W.G Nouhuys 1854-1914

Ochtend

De hemel is zo troosteloos grijs,
Het wil niet dagen...
De wind zingt in de bomen een wijs
Van klagen...

Ik hoor de droppelen nedergaan
In ’t neevlig duister, –
Voor ’t open venster blijf ik staan
En luister...

Zo stil is ’t overal om mij heen
Op donkere wegen...
Alleen het troosteloos geween
Van regen...

Gedichten en gedachten (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:46 Reageer op dit bericht

schapen

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1904

Schapen op de hei

In heiige ruigten, de heuvel af,
Staat trouw bij zijn schapen,
Die dromerig slapen,
Wat verder,
Een herder
En leunt op zijn staf.

De zon doorvonkt het bruin wollig haar,
Verzilvert de randen
Met blinkende banden —
De vachten,
Ze wachten
De knippende schaar.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:26 Reageer op dit bericht

vlaanderen

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

VLAANDREN, O WELIG HUIS

Vlaandren, o welig huis waar we zijn als genoden
aan rijke taaflen! - daar nu gloeiend zijn de weien
van zomer-granen die hunne aêmende ebbe breien
naar malvend ooste' en statig dagerade-roden,
de wijl de morge' ontwaakt ten hemel en ter Leie -:
wie kan u weten, en in 't harte niet verblijen,
niet danke' om dagen, schoon als jonge zege-goden,
gelijk een beedlaar dankt om warme tarwe-broden?...

O Vlaandren, blijde van uw gevens-rede handen,
zwaar, daar ge delend gaat, in paarse en gele wade,
der krachten die uw schoot als rodend ooft beladen,
- Vlaandren, wie wéét u en de zomer-dageraden,
en voelt geen rilde liefde in zijn leden branden
lijk deze morgen door de veie Leie-landen?

Verzamlede gedichten. Brussel -' s-Gravenhage.(1967)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:49 Reageer op dit bericht

dode dag

Een gedicht van Marie Metz Koning 1868-1926

Dode dag

Nu lijkt het woud een wording van metaal.
De bronzen bomen krommen, nors geschaard,
Hun donkre wortels diep in donkere aard,
En kronklen zwart hun takken, ijzer-kaal,

Langs loden hemel. Broos als brokklig staal
Slaan ze elkaar stuk, waar kil de wind er vaart.
Uit vijver, gepolijst, rood koper, staart
De bodem op, door rimpling zilver-vaal.

In struiken schuren schor, of knarsen schraal,
De bladers; roestig, rul bijeen-gegaard
Langs berm en tronk.... Ach, ik, verstillend, dwaal
En toef en zoek, waar niets liefs bleef gespaard:
Een angstig kind uit àl te wreed verhaal,
Dat levend zelf, door dode wereld waart.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:56 1 reactie Reageer op dit bericht

liedeke

Een gedicht van Bernard Meurs 1835-1915

Moeders slaopliedeke

Het zunneken is er al ondergegaon;
Het maontje klimt langzaom umhoog,
En tuurt, koekeloerend deur 't loof van de laon,
Naor binnen met vriendelik oog;
Het vraogt of de kiendjes naor bed zin gebracht,
En zeit tot ons jungske: slaop wel, goeje nacht!

De veugeltjes zingen en vliegen nie meer,
Ze sluumren ien 't gruun van de boom',
De kupkes gedekt onder vleugel en veer,
En droomen 'en liefliken droom;
De vleermuuskes fladdren en fluusteren zacht:
't Is tied veur 'et jungske; slaop wel, goeje nacht!

Alle eendekes zwemmen ien 't waoter nie meer,
Ze hompelden kwakkend naor 't hok;
Het haontje riep kukelekuu! nog 'en keer
En goeng met de kiepkes op stok;
De kikkertjes kwaoken ien 't lies van de gracht
Hun lied veur 'et jungske: slaop wel, goeje nacht!

Slaop wel, goeje nacht! roept 'et jungske hun toe
Mèt dat ie ien 't kribbeke stapt;
Dan kriegt ie op 't veurheufd 'en kruuske van moe,
Een kus op 'et munje dâ't klapt;
Gods Engeltje houdt bij zien bedje de wacht:
Tot mergen, mien jungske; slaop wel, goeje nacht!

Kriekende Kriekske (1879)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:38 1 reactie Reageer op dit bericht

donker


Donker

Wat is het al vroeg donker
Snel is het licht verdwenen
De herfst neemt de benen
De winter komt er aan
Door de bomen zie ik de maan
De nevel kan ook langs komen
Ja, in de winter ga je van de lente dromen

Het is de feestmaand
Met veel pakjes en lichtjes buiten
De mensen willen hun eenzaamheid wegsluiten
Maar al heb je gefeest
Een mens blijft alleen
En de winter is ook nog lang niet heen!
Ja, misschien komt ook nog meneer ijsbeen


Maan plaatjes
Geschreven door Dora om 16:29 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van W.L. Penning 1841-1924

Hoe vaak in dromen eensklaps miste ik u...
En angstig zoekend - want in lijfsgevaren,
Hulpeloos in doodsgevaren wist ik u -
Zoekend die mij zocht, raadloos bleef ik waren;
En denkend mij úw angst, slaakte ik een kreet -
Die juichtoon werd, naast u me ontwaken deed!

In dromen voorgevoeld had ik uw dood.
Nu hij u wegnam, hoor ik vaak in dromen
Uw stem zo klaar als ik die ooit genoot,
En zie ik u blijmoedig naderkomen;
Zalig verrast, klopt dan mijn hart zó luid
Dat ik ontwaak....
En 't sprookje is gruwzaam uit.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:31 Reageer op dit bericht

moskee

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

In de moskee

Hij wandelt daaglijks tussen de pilaren
En de klimrozen en de ruisfontein.
Hij kent: de groene vanen en het plein
Waar vreemden naar de goudspiralen staren;
De Koraanspreuken boven ’t deurgordijn;
De egale zon; der schaduwen slagorden,
Die zwart opdoemen, en verwijderd worden;
De stilte, de gebedsroep, en de schijn
Der maan, die als een man met een lantaren
De laatste rondgang doet, en met zijn licht
Het donker oproept en de dood, het dicht-
worden van alles, het naar binnenstaren
Der dingen… en zijn hart was als een knaap,
Vallende biddend om geluk in slaap.

Kringloop (1912 - 1935)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

franctireurs

Een gedicht van Adgar du Perron 1899-1940

DE FRANCTIREURS

Geen Pennewip met brilende argus-ogen
hebben wij ooit één regel toegedacht.
Geen jongedames, die beheerst en zacht,
als door een rietje, van de lettren zogen.

Geen kenners die, waar zij nooit jokken mogen,
trouw prijzen wat vertrouwd is, langgeacht.
Geen vakmanswijsheid hebben wij betracht,
geen boekwinkeltriomfen overwogen.

Geen koster, hoe genaamd, hoe bijgepompt,
maakt onze maag afkerig van 't gekruide.

Geen levensles, geen preek, hoezeer vermomd,
geen etika kan iéts voor ons beduiden.

De poëzie blijft, naakt en ongekromd,
Een tijdverdrijf voor enkle fijne luiden.

Parlando. Verzamelde gedichten. Rijswijk.(1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:09 Reageer op dit bericht

poezie

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Poëzie

De Poëzie zit in de geest. Voor hem
Die aan wat is niets van het zijne toe kan voegen,
Is heel de wereld dof en zonder stem;
Hij moet zich met haar proza vergenoegen.

Nog eens winterloof en Dennenaalden (1892)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:21 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Slapende vrouw

De onrust en de lichtbewogen
ontvanklijkheid van hare trekken
zijn weggewist en overtogen
door maanlicht, dat in zachte plekken

gestort ligt over kruin en peluw -
en dekens die haar slaap bedekken
welven het maanlicht tot een landschap,
een keten die zijn tere bekkens

van zilverglans doet overstromen -
hoe lieflijk droomt het hoofd daarboven:
de mond, die vlinders niet zou wekken
is vaag geopend en de ogen

die overdag het leven vingen
liggen behoedzaam nu geloken
tussen de ijle zwarte veren
van wimpers en van wenkbrauwbogen.

Porta Nigra (1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:08 Reageer op dit bericht

wie

Een gedicht van Toon Tellegen

Wie dan leeft

Wie dan leeft zal omkijken
en denken dat wij zonder zorgen waren,
maar wij zijn niet zonder zorgen,
dat wij ons druk maakten om een dode mus,
maar wij maken ons niet druk om een dode mus,
maar om een levende, een levensgevaarlijke, een
dodelijke mus
en dat wij gelukkig waren
en niet beseften
hoe dood wij spoedig zouden zijn.

Toon Tellegen
Uit: Wie A Zegt,
Querido Amsterdam 2002.

Geschreven door Dora om 15:28 Reageer op dit bericht

brieven

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

BRIEVEN OP ZEE

Gelezen worden ze ontelbre malen,
Al was de inhoud haast vooruit geweten,
Van 't zelfde levensstof in alle talen
En op den duur tot op het woord versleten.

Toch weer ontvouwd, na 't eenzaam avondeten,
Des nachts op wacht, te kooi en na 't verhalen;
Voor hen die zoveel eenzaamheid verbeten
Is uit die letters leeftocht nog te halen.

Tussen lieve en liefhebbende steeds staat er
Van kroost, huis, dorp en eiland weer 't alleen
Bij trouw, geboorte en dood gevarieerd relaas.

Na tal van reizen is het of een waas
't Bekende aan land omhult, men is alleen
En hoort bij 't schip en houdt het met water.

Verzamelde gedichten. 's-Gravenhage-Rotterdam.(1961)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:13 Reageer op dit bericht

minnelied

Een gedicht van W.J. Zeggelaar 1811-1879

Minnelied

Engel op mijn levenspad,
Heel mijn rijkdom, lust en leven,
Die al 't heil in zich bevat,
Dat de wereld mij kan geven;
Moet ik zeggen hoe ik brand,
Wat mijn hoop is en mijn streven?
Heb ik dan vergeefs in 't zand
Honderd maal mijn wens geschreven?
Hoordet gij dan zang noch zucht?
Was dat alles zonder vrucht?
Lieve, zei mijn blik u niet,
Wat geen ander werd beleden?
Heeft uw oog nog niet bespied
De uiting van mijn tederheden?
Hoe ik op de beukenboom
Onze namen heb gesneden?
Wist gij eens, hoe 'k in de droom
Als uw ridder heb gestreden!
Hoe ik eens uw liefde en trouw
Als mijn enig doel beschouw.

Uw blonde zijden lokken,
Uw oogjes van azuur,
Uw kuiltjes in de wangen,
Uw zedige natuur;
Uw hagelwitte tanden,
Uw stemgeluid als glas,
Uw kleine, poezle handjes,
Uw woordjes op zijn pas.
Wat ik het meest moest roemen,
Want alles stemt mij teer...
Maar zag ik in uw hartje,
Dan wist ik zeker meer.

Ik heb zo veel geleden
Van 't edelst onbewust.
Gij kunt mij alles geven,
Mijn heil, mijn eer, mijn rust.
Ik reikhals naar mijn toekomst,
Ik leef in vrees en hoop;
Moest ik mijn leven laten -
Het was voor u te koop.
Laat mij niet langer zwoegen,
Mijn onrust moordt mij nu.
Ik zou 't wel haast besterven -
Geen leven zonder U!

De dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:40 Reageer op dit bericht

pinnen

Boontje kwam om z'n loontje

Pinnen

 

Pinnen daar moet je

eigenlijk niet aan beginnen

Maar de banken konden

niets anders verzinnen

Zodat een mens zijn geld kan innen

Maar soms staan er mensen op wacht

Want die hebben dan gedacht

Ik zal eens een man overvallen

Maar die man was die kwallen

gelukkig te slim af

Hij had vroeger aan een vechtsport gedaan

En zo was het snel met de kwal gedaan!

Hij werd ingerekend en meegenomen

Nu kan hij eens in een cel dromen

Hoe en wanneer hij daar weer uit zal komen!

Voor mij mag het een tijdje duren

Want zulke dieven moeten hun straf bezuren!

 

 

 

Geschreven door Dora om 19:29 1 reactie Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van P.C. Hooft 1581-1647

AAN JOFFRe ANNE ROEMER VISSCHERS

Zo 't u, met diamant, lust op een glas te stippen:
't Is in de vlinderteelt. Het geestige gedrocht
Ziet of het lavenis aan sap van druiven zocht
En zit zo kuin, men zou het van de roemer knippen.
Neemt gij penseel of naald: daar worden kuil en klippen
Geschapen, bos en berg; en 't vochte veld bedocht
Met groene grassen, waar 't welvarend vee naar tocht.
Dat haalt zijn aâm, zo 't schijnt: en staat met gaande lippen.
Boetseert uw aardige hand, en maakt een mens van leem;
't Haalt bij Prometheus werk. Maar wen g' u in de veem
Der zanggodinnen vlijt; en woorden schoongeschreven,
Een redelijke ziel, met wakre zin instort:
Zo blijkt dat gij al 't geen, dat lijf of leven schort,
Van beids kunt geven; dan de dichte 't eeuwig leven.

Gedichten van P. C. Hooft, door P,. Leendertz. Wzn., 2e druk door F. A. Stoett.. Amsterdam. (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:37 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten