editor
Hoe je het draait of keert
Deze editor is er één van vreselijke ergernis!
En het rare is dat ik mijn voorgaande ergernis mis!
editorHoe je het draait of keert
Deze editor is er één van vreselijke ergernis!
En het rare is dat ik mijn voorgaande ergernis mis!
ijskristallen
Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931
Blankberijmd, vol ijskristallen,
praalt en prijkt de lange laan,
waarop bleke stralen vallen
van de volle blanke maan.
Op wat takken neer mag vallen,
bleek en blank, één straal der maan,
kaatsen honderd ijskristallen
vlammenpijlen door de laan.
Plots, als van de daken, vallen
winden, brallend, in de laan,
dat, alom, al de ijskristallen
wieglen, waggelen in de maan...
En mij dunkt, die ijskristallen,
waglend, wiegelend in de maan,
'k hoor ze klingelend, klangelend vallen,
'k zie ze vonkelend, flonkerend vallen,
in de lange, lange laan...,
tjankelend vallen, tjankelend vallen,
honderdtallen, duizendtallen
vallen, vallen, vallen, vallen
in de lange, lange laan.
Zomervlammen (1922)

kleur
Rood is de vlag, die wij volgen genoten!
Rood is de morgen op zijn blozende kruin,
Rood zijn de pannen van de daken van Holland,
Rood zijn de stenen van de huizen van Holland,
Rood zijn de bloemen aan 't Haarlemse duin,
Rood zijn de kersen in de Betuwse tuin!
Wit is de vlag, die eens wappert op aarde,
Wit zijn de wolken die drijven voorbij,
Wit zijn de bloesems van de velden van Holland,
Wit is het zand van de stranden van Holland,
Wit is de zee als ze schuimt aan hun zij,
Wit is het vee in de Hollandse wei!
Blauw is de vlag, die onze nobele doden,
Onze strijd, onze liefde - eenmaal allen bedekt: -
Blauw is de hemel van ons heldere Holland, -
Rood-Wit-blauw is de vlag van ons Holland -
Door ons, kameraads, zij ze immer gedekt!
Door ons kameraads, zij haar wapper gewekt!

stille
‘t Is stille. Rustig ligt
en slaapt het altemaal,
dat leute en leven was,
dat locht- en vogeltaal.
Geen windeken en waakt:
november houdt de staf,
en stelpt dat wekken mocht
het eindloos duister graf
des aardrijks. Ongebaand
en dood zijn weg en straat;
de voet alleen verwekt,
en ‘t stappen van die gaat,
een doof gerucht in ‘t loof,
dat, afgevallen, plekt
de grond, die ‘t in een spree
van doodse varwen dekt.
‘t Is stille. Gij alleen,
o vlugge en vlijtig ding,
dat, langs de natte tak
geklaverd, uw gepink
laat horen, fijn en snel,
ge ontsnapt en snetst alom:
"Ik leef nog: piep! Ik leef,
spijts ‘s winters winterdom!"
Tijdkrans (1893)

slavernij
Hebt ge vuisten kloek en sterk,
Hebt ge een harte zacht en goed,
Zijt ge lang geen domme bloed,
Maar de knapste haast in ’t werk,
Zijt gij eerlijk, trouw en braaf,
Leeft ge, wat uw arbeid zij,
Als een vogel, vrij en blij,
Drink dan ‘water,’ zo als hij -
Anders zijt gij morgen Slaaf!
Ach, hoe menig kloeke hand,
Ach, hoe menig blij gemoed,
Hoe veel harten zacht en goed,
Hoe veel flinkheid en verstand,
Zag ’k verdronken in een glas,
Waar (in steê van 't zuiver nat,
Dat uit bron of duinwel spat)
’t Vloeiend vuur uit kruik of vat,
’t Hels jenevervocht in was!
Ziet! die ergste slavenbeul
Smeedt zijn kluisters om u heen,
Snerpt zijn zweepslag om uw leên,
Zonder troost ooit, zonder heul! -
Hieldt ge eens tegen Slavernij
Tachtig bange jaren stand,
Krachtig volk van Nederland!
Thàns omsluit u strenger band....
Blanke slaven, vecht u vrij!
Al de volksdichten (1865

aan....
Ik durf met mijn denken
Uw smart niet genaken,
Niet aan te raken
Uw droefenis;
Hetgeen mij zou troosten
Licht zou het u krenken,
Het teerste en brooste
Dat in u is.
Ik zie uw verklaarde,
Uw stilfijne trekken,
Die, wat ze bedekken
Aan wanhoop en strijd,
Verheerlijkt belijden
En dankbaar aanvaarden
Het gevensbereide,
Dat in ons schreit.
Onze Eeuw jaargang 21 (1921)

de zondares
O Heer, ik ken die zaalge zondares;
Het was mijn ziel, die wenend voor U bukte,
Die met haar liefde Uw minnend hart verrukte,
De nardus gietend uit albasten fles.
Ze ontwond in drift de slingerende tres
Der haren die haar teedre schouders smukte.
Slavin, die kussen op Uw voeten drukte,
Was ze aller zondaars zoete meesteres.
Nooit in haar leven kwam een zaalger stond,
Dan toen ze Uw goddelijke deernis vond.
Nog vóór zij bad, was al haar schuld vergeven.
Wat kan ze, U minnend, meer dan minnen doen?
Zij zal, ondanks der bozen honend woên,
Op U, Beminde, wachtend, voor U leven.
De donkere bloei (1923 - 1925)

editorAlle verandering is geen
verbetering....
Dit geldt voor de editor!
tuin
Een gedicht van Jacob van Looy 1855-1930
Eerste sneeuw in de tuin
Verhelderd ligt en overal omzwacht,
En tinteljong en toch zo eindloos oud,
Dat 't bijna angstig maakt en onvertrouwd
Dit daaglijks plekje nu in winterdracht.
Gedekt zijn alle sporen, kalm en zacht,
En alle onwilligheên en stutten boud,
Met veertjes blank als bijenvlerkjes koud,
Belegen werden uit de hemelnacht.
Van 't hart uit wit tot de einden als de dromen,
Die, woord nawoord, uit dichters neergekomen,
Zich levend schikten in het stilst der nachten;
Zo ligt de tuin gestrekt nu in het heden;
Wie zal er zetten komen de eerste schreden?
Anders dan mussen die hun kruimkens wachten.
Gedichten (1932)

herfstavond
Op 't donkre buiten
Boomkruinen ruisen;
Stormwolken drijven:
In 't lamplicht huis en
Voor donkre ruiten,
Zit 'n dromend beeld
Woorden te schrijven,
En 't kruinenruisen,
En 't wolkendrijven,
Staat, een geluid, in
Schrift gepenseeld.
Nieuwe gedichten



Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914
Val nu mijn woorden als hele reine
Drupjes van klank in der oren fijne
Luistrende schelpjes; maak melodije
Van mijn gedachten, en zoetjes laat
Ze op rimpling van golvige rhythmen glijen,
Totdat de ontwaakte stilte staat
In zachte glimlach van verblijen.
Serena (1898)

nacht
Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929
Nacht. - Aan het open raam
Nacht. - Aan het open raam waar mijn begeerte huivert
van pijnigende weelde en blij-doorpriemend wee,
hoor 'k, in het wind-gewuif, van dag-gebroei gezuiverd,
gescheurd en moe de kreet der ongeziene zee.
Ik luister. En 't geschuif der zuiverende vegen
van flodder-wind, die hijgend-blij 't geluchte wast,
voelt zeulen in zijn joel en door zijn woelen wegen
de stem der zee die kreunt en wijkt, die huilt en wast...
- o Vreugde-winden, die mijn pijnlijk-open ogen,
die mijn gedachten manlijk aait en waaiend zoent:
geen schaatren heeft mijn oor voor diepre stem bedrogen,
geen sussen dat mijn ziel met eigen leed verzoent.
In norse toomloosheid, in koppig-taai weerstreven,
voel ik mijn rouw in mij gelijk de zee gebreid:
nóg wilder, waar ze in zich voelt huiveren en leven,
o Zee, het wéten van haar wrede oneindigheid.
Want, hoe ge mijne kreet in eigen grol mocht smachten,
o Zee; hoe 'k eigen drift om eigen trots verbeet:
nog dieper dan mijn rouw bijt, sterkend, de gedachte,
dat gij mij niet en kent en ik uw grenzen weet.

rijp
Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1817-1908
Nu glinstert alles van de witte rijp.
De dunne berkentakjes zijn bedekt
Met wollig dons, dat wonderbaarlijk blinkt.
Het groene koolblad, dat zoo sierlijk krult
Aan lange stengel, vonkt van diamant.
In schaduw van de doornenheg hangt, laag
Er tegen aan, in 't windje wuivend, rag,
Dat door ijspluimpjes dik omsponnen werd.
En lager tegen de aard straalt 't gele gras
Wijd uitgebloeid, hoog opgeschoten, fijn,
Zijn zijden aartjes pluisdun in de lucht,
Zo kostelijk fraai met edelsteen getooid,
Als strooide een zak met parelgruisjes daar
Een engel over 't uitgebloeid struweel.
Gedichten (1910)

bomenKom niet onder hoge bomen,
die klein zijt en niet groeien kunt,
wie alleen een haastig dromen
een ontrouw denken is gegund.
Zo wie loopt op losse voeten
heeft lichte last van hart en hoofd.
Taaigewrongen wortlen moeten
hem binden die in kracht gelooft.
Zie, de bomen ruisen, leven,
slaan streng hun zware schoonheid uit.
Blijf daar weg zo gij maar even
wat lispelspeelt met half geluid.
Heilig zijn de sterke stromen,
een hart dat scheurt, een pijn die gilt...
Kom niet onder hoge bomen,
kleintrotse, die niet lijden wilt.
Noordhorn (1916)
oog
In de stad met het zilverig oogerondkijken,
de tere omhoge volneergeblazen zachtgerande wolklucht, ’t strijkel
van de blauw wittigbespeelde lucht.
Hoe heerlijk. Het stille hoogdroge roodwange door de lucht.
Met moeie voeten, maar warm lepelende lucht;
stil langs de huizen, de lichtglazen, de donkerstenen,
dat donker geloop naast, er over henen,
dof het hoofd, laagdof, slaapdof, maar heerlijk de lucht
in de stad langs, op het water over, van omhoog door de blauwe lucht
De school der poëzie (1897)



De bolle winden blazen blauwe kuilen
In 't asgrauw fulp der zware wolkenlagen.
Een brede bundel zilverlicht komt vagen
De rug van 't grijze paard, dat sleept de zuilen
Van 't woud, gevelde stammen, op een wagen,
Door 't blanke heizand. Matte zon bleef schuilen.
De wegen-eiken staan als ijle tuilen,
Maar de einder-berken, schimmenbleek, vervagen.
De lucht vervullen blijder geen geruchten
Dan, uit een verre hofsteê, honden janken
En 't altoos eendre kling der paardenbellen
Versmelt met donker dodeklokken-luiden.
Maar 't somberst dunkt mij van die droeve klanken
De slag der bijlen, die de bomen vellen.
Nieuwe verzen (1920)

aan
De rozenknop in ranke vaas, vuurrood,
Rijst roerloos uit het tere kristallijn,
Stil in verwond’ring van zó schoon te zijn...
Dan legt hij bevend héél zijn binnenste bloot.
En hij geeft weer wat eens natuur hem bood,
Wat eens zijn deel werd van de rijke regen
En wat hij opving van de gouden zegen,
Die naar deez’ aard in gulle golven vloot!
Maar als de dag gedaald is, laat hij neer-
Vallen de welke blaân, zo pas nog bloeiend,
Want hij heeft uitgebloeid zijn bloei-begeer...
O, mocht ik sterven in mijn jonge jeugd,
Als heel mijn zoete zang, uit mijne ziele vloeiend,
Gezongen is van liefde – leed en - vreugd...!

herinnering
O, lief, berg aan uw borst mijn bleke wang
En span uw armen veilig om mij heen:
Hoort ge zó in mijn ziel dat zacht geween
Om dingen die daar stierven al zo lang?
Hoort ge zó zuchten om een leed-verleên
Mijn smarte-spoken?.... Lief, ik ben zo bang
Nu daar blijft schreien, trots mijn vreugd-verlang'
Die wrede erinring altijd door me heen...
Ze maakt zo moe: die dode, dode pijn,
Die àl maar klaagt hierbinnen, nacht en dag;
Die niet wil zwijgen voor uw liefste lach
Die niet wil wijken voor uw bij-me-zijn....
O, rèd me lief, en dood dat spook-van-leed:
Ik kàn niet leven, als ik niet vergeet!

de kooi
Ik voel de lust te reizen, te verhuizen,
of schepen fluiten die vertrekken gaan,
als in het najaar, in de koffiehuizen,
weer gladiolen op de tafels staan.
Ik weet: nu zijn de velden zonder koren,
van dag tot dag wordt dieper groen de wei
en scheert de zwaluw sneller rond de toren,
de gentiaan bloeit in't moeras der hei.
Wordt dan voor immer mijn geboeid verlangen
gevoed door een seizoen en door zijn kleur,
is dit de kooi waarin ik ben gevangen,
waar is het slot en wie ontsluit de deur?

schat
Een gedicht van Nico van Suchtelen 1878-1949
Des harten schat
Hoe gaarn wilde ik nu geven
U menig schoon sieraad,
Uw jong en lieflijk leven
Te tooien naar zijn staat.
Uw haren zal ik sieren
Met flonkerende krans
Robijnen en saffieren
Van diepste gloed en glans.
Ik zal uw hals omhangen
Met paarl en edelsteen,
'k Zal gouden snoere' en spangen
Winde' om uw armen heen.
Maar 'k had mijn schat verborgen
Tot verre, veilge tijd:
Toen de onverzade zorgen
Dwongen tot stage strijd.
Waar ligt mijn schat geborgen?
'k Zocht in mijns harten grond
Alnachtlijk tot de morgen
Of ik hem wedervond.
Waar ligt mijn schat verborgen?
'k Heb u zoveel beloofd.
Wee mij, de sluwe zorgen
Hebben mijn schat geroofd!
Zij hebben 't àl genomen,
Leeg zijn mijn hart en hand;
Hoe zal 'k nu tot haar komen
En doen mijn woord gestand?
‘Geen schatten kom ik dragen,
Leeg zijn mijn hand en hart;
Een aalmoes kom ik vragen
En troost voor eigen smart’.
‘Ach, of ge ook al geheven
Tot mij uw handen houdt,
Wat zoude ik kunnen geven?
Ik zelf heb goed noch goud’.
‘Ik vraag om goud noch kransen
Van paarl of edelsteen;
Ik vraag één sprank van 't glanzen
Al uwer lieflijkheên.
Geef mij de gouden waarheid
Die uit uw stemme klinkt,
Geef mij de diepe klaarheid
Die uit uwoogen blinkt;
De vriendschap en 't vertrouwen
Van handdruk, woord en blik,
De blijheid en het rouwen
Van stille lach of snik’.
‘Ach, of 'k zo vluchtge gaven
Al gaarn gegeven had,
Wat baatte 't? Opgegraven
Werd u veel rijker schat.
Vergankelijke spranken
Vergoên geen edelsteen
En broze en tere klanken
Geen gouden kostbaarheên’.
‘Uw vluchtge gaven zullen
Mijns harten wonderschrijn
Weer met de gloed vervullen
Van nieuwer schoonheid schijn;
Die zal mij nooit ontzinken,
Want eeuwig in mijn hart
Blijft al wat schoon is blinken,
Tot vast kleinood verstard.
En zo ik dan vergaarde
Weldra nog schoner schat,
Van hoger pracht en waarde
Dan 'k vroeger ooit bezat;
Ik zal hem niet begraven
In een verloren land,
Maar met uw eigen gaven
Doe ik mijn woord gestand.
En breng als parelkransen
En goud en edelsteen
U 't onverganklijk glanzen
Al uwer minlijkheên.
Dan zal ik 't schoonste u geven
Tot overrijk sieraad,
Uw jong en teder leven
Te tooien naar zijn staat’.
