Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

afgoderij

Een gedicht van Hubert Poot 1689-1733

Afgoderij.

Hoe buigt zich, met verdwaald gebaar,
D' Afgoderij voor 't blind Altaar!
Hoe zwaait ze wierookvieren,
Wier stank de ware God verveelt,
Terwijl men zijne glorie steelt,
En schenkt aan stomme dieren!
Zo doolt men zeker al te wijd.
Dees godvergeten dolheid smijt
De wet uit Mozes' handen.
Ontzinde mensen, laat u raên:
Gij stookt de helse vlammen aan
Met heilloos offerbranden.

Gedichten, deel 3 (1735)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:17 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

volkslied

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Wij zijn kindren van ons land.

Volkslied.


Wij zijn kindren van ons land,
Vrije Batavieren!
Bloemen van de waterkant
Ons de hoed versieren.
't Water dreigt, maar krijgt ons niet
Achter onze dijken,
En de verste zeeplas ziet
Onze vlaggen prijken.

Dankbaar dienen we onze God,
Eren onze koning;
Slechts op trouw aan 't hoogst gebod
Wachten wij beloning,
Helden zijn wij voor het recht;
Niet in 't oproer schreeuwen;
Aan de Oranjevaan gehecht,
Nederlandse leeuwen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

vrijerstarief

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

      Vrijerstarief

        Schone Fillis, altijd schrander
        Als ze een goede ruil kon doen.
        Eiste van haar lief Silvander
        Dertig schapen voor één zoen.

        's Daags daaraan – 't zijn vreemde dingen –
        Schonk zij aan de herdersknaap
        Zonder loven, zonder dingen.
        Dertig zoenen voor één schaap.

        's Daags daaraan – wat werd zij milde! –
        Schonk zij hem, zodra hij kwam.
        Zoveel zoenen hij maar wilde;
        En zij eiste zelfs geen lam.
 
       's Daags daaraan, door min gedreven.
        Had zij kudde en hond en staf
        Voor een enkele kus gegeven
        Dien hij Kloë gratis gaf.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:29 Reageer op dit bericht

onontbeerlijk

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Onontbeerlijk.

Mij kan geen donker leed genaken,
Mij kan geen lichte vreugde ontvliên
Zolang gij over mij blijft waken
En ik naar U, naar U mag zien.

Gij zijt als brood mijn leven nodig,
Wat regens zijn voor 't dorstig land;
En, wordt mij alles overbodig,
O, nooit de handdruk van úw hand!

O! nooit de gloed der stralende ogen,
Die in des Levens hooggetij
Mij zegge' als woorden 't nooit vermogen:
'Hoe onontbeerlijk zijt ge ook mij!'

schrijver

Geschreven door Dora om 17:17 Reageer op dit bericht

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Zwartgroene populier.

Zwartgroene populier,
Die in de zonne klettert,
Wat wil dat wild getier
Daar uwe kruin van schettert?

Wat is er dan met haast
Zo dievelings vergaderd?
En rept en roert en raast
In 't ronkende gebladert?

Daar woelt en walewiept
Een wereld kleine gekjes;
En piepe-tjiepe-kriept
Met schrille snebberbekjes.

Meteen een dof gezoef,
Bijwijlen aan 't versterken
Door hier en daar een roef
Van openslaande vlerken.

Al vogels, links en rechts,
Die snoepend, ondertussen,
Pikpikken als de spechts,
En moorlen als de mussen.

Als vogels in uw muit
Fliefladdrend op en neder.
Geen ééntje valt er uit
Of toont me kop of veder.

Doch langer niet, o boom,
Verdraagt gij al dat leven.
Gij schiet uit uwe droom
En al uw bladjes beven.

Gij schuddebolt... en... schuift!
Al schreien en al schreeuwen,
Neer uit uwe kruine, stuift
Een dikke duizend spreeuwen.

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Gij draagt het gladde mom der dood

Gij draagt het gladde mom der dood;
uw oog is groot van lijden;
het naaste naken van de nood
heeft uwe mond gescheiden.

Reeds is het, of het laatste woord
uw lippe gaat verpaarsen.
Gij spert uw vingeren, doorgloord
van eeuwig licht, als kaarsen.

Uw glimlach voert het bijster beeld
der eeuw'ge ontvangenisse.
Het lam des offers is gekeeld,
o gij, zijn blanke nisse.

Gans uw gedaante is als verklaard;
uw gang is eêl en zedig:
gij zijt gezuiverd, of gij waart
van zekerheên volledig.

En waar mijn eigen leên en brein
van levens-koortse dorden,
is 't, of mijn weiger medelij'n
mag eindlijk liefde worden.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:42 Reageer op dit bericht

blond

Een gedicht van Hajo Spandaw 1777-1855

Blond boven Bruin

Ruil nooit uw zachte kleur, bekorelijke Blonden!
Voor harde verf of bruine kuif;
De lof der bleke roos klinkt toch uit duizend monden,
En zoet is 't blinkend sap der muskadellendruif;
De zachte perzik is het sieraad van de hoven,
Zij wint het van de kers in geur;
De lommerrijke linde, in blonde tooi, praalt boven
De hagedoren, bruin van kleur.
Natuur hult all' wat schoon, beminlijk wordt gevonden,
Steeds met een zachte en blonde huif. -
Ruil nooit uw blanke kleur, bekorelijke Blonden!
Voor harde verf of bruine kuif.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

onkunde

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

De hardnekkige onkunde

       Gij grote, wijze mannen,
        Die, in uw schone schriften,
        De komma's en de punctum's,
        De stippen en de strepen,
        Zo kunstig, weet te plaatsen;
        o Grote, wijze mannen!
        Al ben ik juist geen schrijver,
        Toch weet ik, in een reden,
        De komma's en de punctum's
        De stippen en de strepen,
        Zo nu en dan, te plaatsen:
        Wanneer ik, grote mannen,
        In de armen van mijn meisje,
        Op hare boezem, rust,
        Dan praat mijn lachend meisje,
        En zegt mij honderd dingen;
        Mijn meisje kent geen komma's,
        Geen punctum's, of geen stippen;
        Maar ik zet, onder 't praten,
        De komma's en de stippen
        Gedurig op haar wangen;
        Dit doe ik met mijn lippen!
        Maar, 't plaatsen van een punctum
        Schijn ik niet wel te weten;
        Want, dikwijls is mijn meisje,
        In 't midden van een reden,
        Dan druk ik reeds mijn lippen,
        Op haar, nog sprekend, mondje -
        En dit – dit is een punctum!


        o Grote, wijze mannen!
        Al is 't, dat ik de punctum's
        Wat al te schielijk plaatse -
        Maakt mij toch nimmer wijzer.

Proeve voor het verstand,den smaak en het hart (1790)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:18 Reageer op dit bericht

verlangen

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Ontembaar is in mij het wreed verlangen

Ontembaar is in mij het wreed verlangen
Als van een tijger, aan te grijpen met
Mijn hakende verstand, het Al, en het te klauwen,
Tot het ligt uitgerafeld voor mij heen.

Maar in het wrede ogenblik, wanneer
De greep, machtig zich uitstrekt naar de zee,
De zon, het manenschild, de ronde luchten
Waarop het wijnrood uit de vaten werd gemorst,

In dit opschreeuwende moment, weerhoudt
Iets mij, te scheuren, en ik zie de prooi,
En krijg het lief,
En kniel, en wil het in mijn armen nemen.

O Gij oneindigheid van zon, en zee, en strand,
En woud, en stroom, en dier, en mens, en plant,
En kleur, en zacht bewogen fijne luchten,
Hoe wilde ik scheuren, en hoe min ik U.

Uit liederen der gemeenschap III (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

blik

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920
Waarom uw blik...

Waarom uw blik mijn blik niet boeit?
Waarom uw lach mijn lach niet wekt?
Waarom niet heel mijn hart ontgloeit
bij 't schittren van de reinste schatten
  dat elk gemoed naar 't uwe trekt?

Eens zwom mijn ziel, als uwe ziel,
  in wondre wonne en zonneschijn;
maar 't leven kwam, de sluier viel,
die 't al met toverwaas omschemert,
  en naakt bleef de aarde als een woestijn.

Gij drukt zo argloos elke bloem
  met wellust aan de rode mond:
ik zocht de grond van liefde en roem;
wat bleef er van dat rustloos streven?
  De geest ontgoocheld, 't hart gewond!

Uw leven is de kalme vloed,
  die zeewaarts helt met zachte baar:
mijn leven is de zwarte vloed,
die negenmaal de hel omkronkelt
  en wegvloeit... ik en weet niet waar...

Waarom uw blik mijn blik niet boeit?
  Waarom uw lach mijn lach niet wekt?
Zeg, kan de roos, die 't graf ombloeit,
de koude lijken nog bekoren,
  in blanke doodswâ neergestrekt?

1887

De eerste verzenbundel

schrijver

Geschreven door Dora om 19:08 Reageer op dit bericht

burgerjongen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Een Burgerjongen.

'Mijn knaap van vijftien jaren
Wat zal hij doen
Met goed fatsoen?’...
Ik denk, hij kon gaan varen!
De zee is rijk, de zee is groot,
Zout water geeft het zoetste brood!

Wil hij te land graag blijven;
Waarom niet vroeg
Met spa en ploeg
Kloek Akkerwerk te drijven?
Een kèrel groeit er zeker van:
Een Boer is anderhalve man!

Of mocht hij liefst begeren
(Heeft hij verstand
En vlugge hand)
Een Ambacht goed te leren -
Ik sta hem borg voor loon en gunst,
Hij hebb' maar trouw en vlijt en kunst.

Slechts dàt zou mij verschrikken,
Zo hij begeer'
Als halfblanks Heer
Te gaan uit pennenlikken;
Schoon rok en boord en hoed wat blinkt,
Dàt brood is steeds doorweekt - met inkt!

schrijver

Geschreven door Dora om 17:24 Reageer op dit bericht

landman

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

Een landman strijkt met forse streek de zeis

Een landman strijkt met forse streek de zeis,
De zomerdag is weder rijk aan leven,
Ik beid nu onbevreesd de laatste reis,
Die veler hart staag van angst doet beven.

Zijn al mijn zonden mij dan och vergeven,
Leef ik, zoals ik steeds begeerd heb, wijs?
Ik won de zielenvrede, hoogste prijs,
Waarnaar men in dit veeg bestaan kan streven.

Terwijl Spinoza eens de Waarheid zag
Gelijk een driehoek, snel en scherp omlijnd,
Zoude ik haar liever zien als een glimlach,

De glimlach, die ook rust op Boeddha’s trekken,
Die naar ik hoop op mijn gelaat verschijnt,
Als ik het moede lijf voorgoed zal strekken.

Rijmproeven (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1924

Regen

Schaduwen van wie er gaat
ingedoken over straat,
kleren, hoofd en voetenhak
weggeëffend, grauw en vlak
als lei.

Tuin en schutting allebei,
heesters, perken en jasmijnen
opgetild in een verdwijnen
en het uitgerafeld pad
heeft ook zijn stil verlies gehad.

Tussen bleke huizenmuren
hangt de dag van trage uren,
evenwicht naar alle zijd;
in de stilstand van de tijd
lekt het sijpend ogenblik
tik, tik.

Gemengde Verzen III

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 1 reactie Reageer op dit bericht

ondergaan

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Rustig ondergaan.

Wat daalt gij rustig in der golven schoot
o Glansrijk licht, beneveld noch verdonkerd,
0 Gouden zon; gij, beeld van al wat flonkert,
Van wat op Aarde heerlijk is en groot!

Al hebt gij hoog aan 's Hemels trans gestaan,
Toch daalt gij kalm en zonder klagen neder;
En schóner nog verrijst gij eenmaal weder
Voor 't oog der Aard, die U zag ondergaan.

Buig zó uw kruin, wanneer Uw Avond daalt,
Buig zo uw kruin, o Grijsheid! zonder klagen;
Vind rust in God: - Ras zal de Morgen dágen,
Wiens Eeuwge glans de Hemelen doorstraalt!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:49 Reageer op dit bericht

ongerept

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

0 VAN ' T ONGEREPT ONTROEREN . .

0 van 't ongerept ontroeren,
nauw-geboren, ongezeid,
huivrend reeds de pennen roeren
aan de vlerken van de Tijd;

zien, hoe de eigen adem-halen,
klarend voor 't verbaasd gezicht,
schuiven aan de zonne-stralen
als een waas van schóner licht;

proeven, in de diepe groeven
die de roodste Lippe graaft,
hoe het langst en wrangst bedroeven
de eêlste en rijkste liefde laaft;

— worde ik als de wees, gezeten
aan een schoon en breed festijn,
die van vreugde mag vergeten
vroede spijs en kloeke wijn;

laat ik stappen naar het duister
en me zeggen: ,'k ben voldaan,
want er is geen zonne-luister
die uit mij niet is ontstaan'.

Nagelaten gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

liedekens

Een gedicht van Willem Zuidema 1855-1938

Twee liedekens.

I. Morgen.

Goede morgen!
Alle de vogeltjes zingen al - hoort!
Jubelend dragen ze 't overal voort:
Goede morgen!

In de weide
Flonkert de dauw in de jeugdige staat;
Erica purpert in vreugdige praal
Op de heide.

In de bomen
Ruist er het liedje zo jong en zo oud,
Fluistert van alwie er zongen in 't woud,
Van hun dromen!

Kom dan mede!
Dolend in velden en dreven naar lust
Vindt de vermoeide van 't leven de rust
En de vrede.

II. Avond.

Avond die glanst op de hei;
Avond die dauwt in de wei;
Dromende zwaatlen de bomen -
Avond in mei!

Meidoren balsemt den wind,
Die om het lieflijke kind
Dartelt en lokken verspartelt,
Of hij haar mint!

't Avondrood bloost hare koon;
Hoort ze in der vogelen toon
Spelende 't minnelied kwelen? -
Avond volschoon!

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Liedje

Neem gij het leven
Zoals het is
Een beetje onrechtvaardig,
Een beetje boosaardig,
Maar ook wel eens aardig
En soms lang niet mis!

Leef gij het leven
Zoals het gaat —
Niet al te opzichtig,
Niet al te gewichtig,
Een beetje voorzichtig
Dan is 't niet zo kwaad!

Houd gij het leven
Bedaard in het oog.
Toon gij u krachtig,
Uw doel steeds gedachtig,
Nooit onwaarachtig,
En dan: kop omhoog!

Zingende stemmen (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:03 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

EEN VROUW

Haar smal gelaat, onder de grijze haren,
smal, bleek en moedig, is mij toevluchtsoord,
een blanke koepel, hoog en ongestoord
door 't dom geraas, de hartloze gebaren.

Het ware onnodig dat zij met één woord,
voor mij alleen, die stilte ging verklaren,
ik ken de droom die somtijds komt gevaren
diep in haar blik, en éven haar bekoort.

Haar leven ging, zij heeft het niet gegrepen,
en wat haar toeviel, zal zij verder slepen,
met liefde zelfs, met simpelheid vooral.

Want deze vrouw, zozeer een vrouw gebleven,
straalt zacht en warm, voorbij haar eigen leven,
boven de roes en boven het verval.

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

zang

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1868-1926

De zang der zee.

Ik teken het leven
Inwendig gegeven
Inwendig gebleven
Vol vorstlijke trots.
't Onkenbaar gekende;
't Onweetbaar gewende
't Onschendbaar geschende
Der heerlijkheid Gods.

In paarlende randen
Langs fulpene stranden;
In kuivende branden
Op rotsige kust.
In zwijgende nachten
Van star'lende prachten
Vol donkre gedachten
Van godlijke rust.

In blauwende dagen,
Als dromende vagen
De golven, die dragen
Het zonnelicht mee.
Bij stormende wolken
Als blik'rende dolken
In weerlichte kolken
Verflitsen in wee.

Ik geef in de grillen
Waar kleinen om rillen
Het wrochtende willen
Der énige macht.
Het nemen en geven
Zichzelve gebleven
Zichzelve ontheven
In grensloze kracht.

De smarten der aarde,
Van waardloze waarde
Voor Hem die ze baarde
En Zich er in zag.
Van duivels en englen
't Ontwijken en menglen
't Tot een-zijn zich strenglen
In schreiende lach.

Uit mij is geboren
In goddelijk gloren
Verlost en verloren
Der schoonheid gestalt':
De liefde der goden
De mensen geboden;
De Schepper der noden
Waar alles in valt.

Mijn zang is: der zielen
Niet kennende knielen
Het rusten en wielen
Der scheppende schijn.
Het nimmer gegrepen
Het immer begrepen.
Der ketens, die slepen
En zalig doen zijn.

Onze eeuw (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

boom

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933
MOLME BOOM

Wie zal 't u aanzien
die leproos van voet
diep met uw wortels
in verrotting wroet
dat gij nog 's avonds klimt
langs weke bladertrappen
en boven uw miserie
met de sterren staat te klappen?

Wie zal 't u aanzien,
uitgestoten mens,
die op uw schande wankeldoolt
tot leste grens
terwijl ons onbarmhartigheid
uw zondemantel zoomt
dat gij langs drasse weg
van witte heirbaan droomt?

Wie zal 't u aanzien?
God en enklen maar.
Ach, wisten al de mensen van elkaar
't geheim beluik
van 's harten loense wijken
waarin de trappen staan
die naar Gods liefde reiken.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:21 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten