Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

moeder

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Jonge moeder.

‘Hoe vreemd, dat mij gegeven is,
wat niet mijn eigen leven is,
maar sluimerend in het mijne hing,
en ging,
en brak de draad,
en wezen wou in eigen staat’.

‘Ik ben nog moe...
heb ik geleden?
of is een droom uit mij gegleden?...
Ik doe mijn ogen dicht
en ben tevreden,
en mijn gedachten en mijn lijf zijn licht’.

‘Is dit nu barensnood,
met hijgende gevaren
tot aan de dood?
Ik wist niet, dat een leven komen kon
zo rood en bloedend, als de ondergaande zon’.

De Gids,  jrg 81 (1917)

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

dromen

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Ik wil mijn dromen tot een toren bouwen

Ik wil mijn dromen tot een toren bouwen
Van blank ivoor, met rode en gouden lijnen
Zal ik in 't wit de fabelen doen schijnen
Dat ieder zo mijn leven kan doorschouwen.

De vredige pastoralen en de gaarden
Met vreemd-vervlochten bloemen, en de afgronden
Van dood en vlammengloed, met juichemonden
De englen in schitterende rei geschaarde;

En 's nachts, wanneer mijn Teken op de rotsen
In 't maanlicht blinkt boven de woelige zeeën
En een schip nadert van een vreemde kust,

Schijnt het de stuurman boven 't golvenklotsen
Neergedaalde Godin van hemelreeën
Zoete verkondigster van liefde en lust.

De Beweging, jrg 2 (1906)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

verworpenen

Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933

DE VERWORPENEN

De verworpenen, die denkend worden,
Zullen ingaan tot een nieuwe dag,
In wier oude hoofd de ogen dorden,
Deze worden blinkend van gezag.

In wier leven armoe heeft gesproken,
Gore stem van tellend kopergeld,
Deze zullen horen, de ontloken
Gouden klokken van het voorjaarsveld.

Zij, die voor de meester bogen neder,
Handen opwaarts naar het dageloon,
Zullen springen op en worden weder
Van de vrije aarde vrije zoon.

Deze die neerzaten, heengezonken,
Peinzende, wat hen dus had vergoord,
Zullen worden van het weten dronken,
Dat een nieuwe schoonheid hun behoort.

En die eertijds droegen om de leden
Tekenen van de afhankelijkheid,

Zullen opgaan naar een stralend heden,
Door de poorten der oproerigheid.

Opstandige liederen (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:01 Reageer op dit bericht

herderin

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

De badende herderin.

Waar aan der weiden zoom, verzadigd om te grazen,
Het lodderzieke vee de zomernoen verdroomt,
Ontdekt de herderin, in vreugdevol verbazen,
Hoe uit 't naburig woud een murmlend beekje stroomt.

Zij laat de kudde alleen en dringt de ruigte binnen;
En waar een kampje in 't kroes ten oever rustplaats biedt
Daar blijft ze luistrend staan in aarzlend zelfbezinnen...
Tot dieper ze ademhaalt: ze waant zich onbespied.

En simpel, onbeschroomd, de oever toegetreden,
Ontgordelt ze, als in droom, haar schamele gewaad,
En toont der eenzaamheid, van maagdelijke leden,
Het ongerepte schoon met onontroerd gelaat.

Dan proeft haar voet het nat en met nieuwsgierige ogen
Volgt ze, hoe rimpels ros, waar 't water langzaam vlaakt,
Zich voegen tot een beeld en plotsling, fel bewogen,
Ziet ze, (maar durft niet zien) haar eigen jonkheid naakt!

Ze ziet haar brede borste' als blanke beukelaren,
Ze ziet haar schoud'ren sneeuw, haar wangen zongeroost,
Ze ziet de wederschijn van 't welig goud der haren...
En raadt zich zelve schoon, en glimlacht zacht, en bloost.

Zo staat zij lange tijd in zelfverliefde dromen...
Totdat een vallend blad de waterspiegel roert...
En, opgeschrikt, ze ontwaart hoe, door het loof der bomen
De stilte, van rondom, uit duizende' ogen loert...

Dan, plotsling, met een kreet, heeft, (weerloze bescherming!)
Zij kruiswijze op haar borst de handen uitgespreid..,
En 't huivert door haar leên, saamkrimpende om ontferming,
Een nameloze angst voor 's levens heerlijkheid!

Experimenten (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

zij

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Zij was zo jong

Zij was zo jong en schoon, en blozend als de roze,
Zij telde nauwlijk vijftien jaar.
De doodesengel kwam en nam de vlekkeloze,
Als of 't een echte bloeme waar'.

Zij was zo jong! De liefde sloeg haar wonden,
Met haren geur'ge toverstaf;
Zij wilde 't leven in, en vroeg naar zaal'ge stonden,
En aarzelde op de boord van 't graf.

Zij was zo jong en schoon! - Vol hopeloze smarte
Zag zij der velden eerste groen;
Zij drukte 't bleek gelaat aan moeders liefdrijk harte,
En weende stil bij moeders zoen.

Zij was zo schoon! - Zij liet het hoofdje zijgen,
En kwaal en smarte, 't was vergaan.
De dood aanzag de maagd en kuste in somber zwijgen
Van 's kindes oog de laatste traan.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van J.P. Hasebroek 1812-1896

AAN ENE MOEDER.

Hoe schoon stond de bloemkroon op 't jeugdige hoofd,
Toen 'k u in de Bruidzaal mocht groeten;
Toen waart ge aan de Vreugd en de Schoonheid verloofd;    
De Jonkheid bracht hulde aan uw voeten;
De oranjebloem zelfs scheen niet wit bij de glans
Van 't elpenblank voorhoofd, gedekt met haar krans.

Thans buigt zich uw schedel allengskens ter neer;
Uw voorhoofd, met rimplen doorsneden,
Tooit sneeuwwitte bloesem noch elpenbeen meer;
Geen jeugd strooit gebloemt' voor uw schreden.
o Moeder, in wie dus de Schone verdween,
Waar is nu de bloemkroon van gisteren heen?

Maar hoe? Is die bloemkroon gevallen ter aard',
Waarheen mij uw blik schijnt te wijzen?
Ja, 'k zie daar, als bloesem, die viel in de gaard,
Een krans, om zijn schoonheid te prijzen;
Een krans, die maar enkel uit knoppen bestaat,
Waarin zich de wordende Schoonheid verraadt.

Een krans is 't van - kindren, gekweekt met u w bloed,
Dat helder hun wangen doet blozen;
- Van kindren, wier oogstraal nu blinkt van uw gloed,
Wier lip is bedekt met uw rozen;
Van kindren, in wie gij, o Moeder! herleeft,
En ons weer uw schoon te bewonderen geeft!

Buk, Moeder! naar de aarde, en vergaar op uw schoot
Het kroost, dat uw voeten omhuppelt;
Dan tooit u de krans, die uw lokken ontschoot,
Met tranen van vreugde bedruppeld.
Cornelia sprak: mijn juwelen zijn hier!
En gij: Zie de bloemen, waar 'k thans mij mee sier!

Nieuwe Winde-kelken (1864)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:32 Reageer op dit bericht

offer

Een gedicht van Liesbeth Maria Post 1755-1812

Offer der liefde.

Een stille hut op 't eenzaam land,
Vrij van gewoel en slommer;
Een kleine moestuin met een beek,
Beschaauwd van milde lommer;
Een lieve schrijfcel, en een kas
Met boeken, weinig mensen,
Was al wat ik, als 't grootst geluk,
Op Aard, van God kon wensen:
Die keus lag in mijn kinderhart,
Zij groeide met mijn jaren,
Ik kreeg ze in 't eind; God wilde zelfs
Hier meer dan 'k vroeg, vergaêren.

In een betovrend vruchtbre streek,
Vol bossen, bergen, dalen,
Vol bronnen, akkers, weiden, waar
De beekjes kronklend dwalen;
Een oord waarin Natuur, door kunst
Geleid, maar niet gedwongen,
Elk treft, en door een bos-concert
Verrukkend wordt bezongen;
Daar gaf mij 's Hemels trouwe zorg,
Een lieve eenvouwge woning,
Die 'k niet zou ruilen voor den glans,
De zorgen, van een' Koning:
Hier biedt Natuur haar lachend schoon,
Elk' avond, ieder' morgen;
Hier rollen dagen vol genot,
Bevrijd van duizend zorgen;

Hier kan ik, juist naar mijn' genie,
Een rustig leven leven;
Mij in mijn lieve boeken-cel
Of 't open veld begeven;
Van mijn Cheri alom verzeld,
Door woud en bergen dwalen;
En bij een frisse koele bron
Weer rustig ademhalen;

Verscholen in een kleine hut,
De wereld gans vergeten,
En luistrend naar het bosgeruis
Een Solitaire heten.
Op duizend plekjes hier en ginds
Vond ik, vermoeid van 't dolen,
Een rustplaats met mijn boek, in 't groen,
Voor 't zoekend oog verscholen.
Ik kon..... Maar neen, ik kon niets meer;
Sinds gij mijn rust vermoordet,
Sinds gij die zelf-genoegzaamheid
Door uwe liefde stoordet;
Sinds is Natuur hier dood voor mij,
En de eenzaamheid vervelend;
Geen denkbeeld dan uw liefde alleen,
Is voor mijn hart meer strelend.
Sinds ik u kende, is 't vruchteloos,
In deze lieve streken,
't Geluk te zoeken; 't is me alom,
Op 't liefste plekje ontweken.
Gij deed voor mij dit paradijs
In wildernis verandren;
Maar wildernis wordt paradijs
Ziet zij ons bij elkandren.

Ik ga dan waar me uw liefde wenst;
Ik offer stil genoegen,
Genietrek, alles, om, als vrouw,
In huiszorg druk te zwoegen.
'k Verlaat dan 't bosrijk Gelderland,
Voor Hollands vlakker streken;
Maar 'k weet, mijn beste! aan uwe zij
Zal mij geen troost ontbreken:
Dit offer u en mijner waard
Zal nimmer mij berouwen
Uw trouw zal mij vergoeding doen
'k Juich in dit blij vertrouwen.

Gezangen van liefde (1794)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:42 Reageer op dit bericht

roman

Een gedicht van Egar du Perron 1899-1940

ROMAN IN TWEE VENSTERS

1.

Mijn lief zat voor het open raam,
een zon, die langzaam viel,
omlijstte met verzachte schijn,
in een bleekgouden, tere lijn,
haar hoogvoornaam
profiel.

Toen schoof mijn lief de blinden dicht,
verveeld, een beetje boos,
maar binnen drong één scherpe straal
en op haar mooie mond, brutaal,
danste het licht
een poos.

Als eens mijn lief, verveeld en boos,
mijn liefde buitensluit,
dan sterft mijn liefde, zo gewond,
stil, als dat zonlicht, op die mond,
zonder één voos
geluid.

2.

'k Sta aan mijn venster. Het is laat.
Ik kijk neer op de stille straat.
In duisternis, waar niemand gaat.

Van nergens komt meer één geluid.
'k Sta met mijn hoofd tegen een ruit.
Wanneer gaat die lantaren uit?

Eén lichtkring op wat vunzigheid.
Die gloor is met dat goor in strijd.
Daar gaat zelfs geen verloren meid.

In mij is net zo'n stille straat.
Waar niet één lamp te branden staat.
Waar sedert lang geen mens meer gaat.


1922

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

recensent

Een gedicht van N.J. Storm van 's Gravenzande

De Recensent

Laatst had ik eens een vent te gast;
(Hij was mij juist wel niet tot last,
Want ik had slechts mijn daaglijks eten.)
Verbaasd! wat heeft de vent gevreten,
Alsof hij in geen veertien daag 
Iets had gekregen in zijn maag.
En toen hij naauw mij had verlaten
Ging hij bij een der buren praten;
En gaf daar nu wat dapper af,
Op 't geen ik hem te schransen gaf:
De soep kon wel pikanter wezen;
't Gebak was niet genoeg gerezen;
De kippen konden blanker zijn;
De groenten gaarder, en de wijn
Met meer bouquet. De loze vent!
Wie was het toch? — Een Recensent.

Luimige poëzy (1827)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:10 Reageer op dit bericht

burgerhuisje

Een gedicht van Lodewijk van Deyssel 1864-1952

Burgerhuisje.

Door 't burger-huis op laten middag traden
Wij de open lucht in, waar seringen-geur
Hing over de achterdeur en lente-wind
Stil witte wolken dreef door 't hemelblauw.

Een kleine stadse tuin, alzijds bemuurd
Door grauwe steen, en waar een enge ring
Groen gras en witte kiezel 't perk
Veelkleurge bloemen, 't éénge, rond omsloot.

Luwte beving ons, zon op achtermuur
Scheen goud, geluid van schelpjes aan de zee
Maakte de kiezel onder 't zachte gaan.

Seringenblaadjes streelden langs ons heen,
Rozen, violen, en purpre papaver
Bloeiden, en ginds in killen schaduwhoek
De schuchtre blanke lelietjes-van-dalen.

Zó rijk, zó schoon leefde in die lutle tuin
De volle lente, dat ik dralend toef
Voor 'k met een klánk nog de herinnering
Diepst doe herleven: blijde gekwinkel
Van klokkentoren daalde spelend neer
Langs steile muur, door luwte in 't loof, verzellend
Ons stille spreken. Toren verborgen
Achter de muren, slechts een enkle dag,
Een feestdag, deed gij meerder dan 't gewoon,
Niet meer bespeurde, daaglijks zelfde, tinklen,
En zong ge, telkens weer, de uren door...

De zoele wind en 't heldre spelen wiegden
Mijn ziel in sluimring, makend zon en bloemen,
Gras-rand en pad tot kleurig droomtafreel.

De Gids (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

mensen

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

De menschen dóen, maar weten niet waaróm

De mensen dóen, maar weten niet waaróm
Zij doen, en zitte' in hun eentjes te wegen,
Hoe zij het meeste van het leven kregen,
't Leven dat langs hen gaat en ziet niet om, -

Hopen en haken of er níet wat kom,
Voelen hun hartjes van blijdschap bewegen,
Stil in hun lekkere bedjes gelegen.....
Maar áls 't wat geeft, dan houden zij zich dom:

Dan kijken ze uit een paar onschuldige oogjes,
Willen niet, maar willen wel, en zijn zo bleutjes....
't Leven zegt: ‘zo!..’ en neemt het weer weerom.

O, geef elkaar zo even maar wat droogjes
Oogjes en schuintjes en vriendelijke peutjes,
O, mensjes lief, wat zijn wij allen dom!

Verzen (LIV) (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

wintermorgen

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868=1922

Wintermorgen.

Week op het wit van het wazige land,
Week door het grijs van de wolken daarachter,
schemert de schijn van de zon, die met zachte
goudglans de zomen omrandt.

Blank als de glans op het wazig verschiet,
week als de schemer van de zon door het grijze,
weifelt het licht door mijn stille gepeinzen,
schemert de vreugde door mijn lied.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:03 Reageer op dit bericht

spinnerad

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

Vivat mijn spinnerad, mijn schat!
Mijn rok en garenklos, vivat!
Dat kleed me warm en geeft mij brood,
Beveiligt mij voor leed en nood.
Ik spin en zing mijn liedekijn
Bij zomeravondschemerschijn,
Verveel me nooit, ben nimmer mat -
Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

Twee beekjes sluiten 't plekje in,
Waar ik al zingend zit en spin;
Hunne armen slaan daarover heen
De berk en hagendoorn ineen,
Opdat er 't visje vro en vrij
En 't vogelnestje veilig zij;
De zon beglanst het loverig pad -
Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

De tortel kirt naar eigenen aard
In 't dichtgewassen eikgeblaart,
De vlasvink zingt zijn wijsje mee
En dingt naar 't zangersprijsje mee;
De kwakkel in het klaverveld,
De zwaluw, die mijn dak omsnelt,
Dat alles maakt me vreugdezat -
Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

Zo 'k weinig win, 'k verteer nog min,
En de armoe sluipt mijn huis nooit in.
Ik ben tevreen bij mijne stand
Meer dan de rijkste vrouw in 't land,
En gun haar geerne pronk en pracht,
Van wijd en zijd haar toegebracht -
Mijn spinnerad, dat is mijn schat!
Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

Liederen (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

wonderstil

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Wonderstil

Gij zijt mij overal nabij,
In ieder ding: gij ziet naar mij,
Of ik u aanzie en herken,
En, een met u, gelukkig ben.

Wel blijf ik dikwijls blind voor u
En reis ik ver van hier en nu,
Of ergens ’t veilig eiland is
Waar ’k troost of slaap vind voor gemis.
Maar soms ben ’k onverwacht weer thuis.
Gij roept mij zachtjes. In ’t geruis
Van wind en blaren langs het raam
Hoor ik de fluistring van mijn naam,
Of in de glinstering van ’t licht
Zie ik uw wachtend aangezicht.
Als ik dan schuchter tot u kom,
Wordt het zo wonder-stil rondom,
Zo vreemd en wonder-stil in mij,
Dan is er enkel ik en gij,

Neen, gij alleen en wat gij zijt:
Mijn eind van menigvuldigheid,
Mijn oorsprong waar ik ongedeerd
In liefde toe ben weergekeerd...

Maar dan, ontwaakt tot de oude droom,
Hoor ik de wind weer in de boom,
En zie de kleine dingen aan,
Die stil en ernstig voor mij staan,
Verzonken in hun eigen rust.
Zo, van ons diep verband bewust,
Heb ik hen lief en hoor tot hen,
Met wie ’k in u gelukkig ben,
En tot die nieuwe zin gewijd
Wordt al wat is nu werklijkheid.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 1 reactie Reageer op dit bericht

gestrenge

Een gedicht van Jacob van Oosterwijk Bruyn

AAN EEN GESTRENGE BEOORDEELAAR

Gij wilt, mijn verzen zullen vloeien,
En noemt mijn zang een waatrig lied:
Hoe is 't nog mooglijk u te boeien!
Vloeit dan bij u het water niet?

De boertige zangster (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

gedicht

Een gedicht van Anton van Wilderode

het gedicht 

Toen ik, die avond in Santillana,
liep met de donswoorden van een gedicht
ging in een kamer een fata morgana
een luchter aan als een boom van licht.

(Er was niets van de huizen buiten
dan een donker gesloten verbond,
mijn stappen vluchtten omhoog in de ruiten
naar een raam toe dat openstond.)

Ik wist de woorden in mijn geheugen
trage bewegers zijn naar elkaar
een volzin vol in twee diepe teugen,
een versregel inééns regelrecht klaar.

(De straat liep haastig wég van mijn voeten
naar portalen vol oponthoud
waar de echo mij kwam begroeten groeten
met een hijgstem van holten en hout.)

Ik voelde de woorden mij omringen
tot een waaiende groene haag
en vanuit tastbare daagse dingen
lagen beelden in hinderlaag.

(De nacht was begonnen te dalen
uit een hemel vol zilveren gruis
waar de sterren zich vurig herhalen
in gestalten van driehoek en kruis.)

Toen zag ik de luchterboom vóór me doven
een onbereikbaar gebleven geheim, -
plotseling stonden mij zeven strofen
in het fonkellicht van het rijm.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

ziel

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Mijn ziel is in mij.

Mijn ziel is in mij als een kind
Dat droomt, terwijl zijn voeten bloeden,
Van vleugels verloren, die hij, de moede,
Wel eenmaal wedervindt.

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

lichten

Een gedicht van Omar Karel de Laey

Van lichten

Men heeft of liever zij, ja zij
die wilden 't fijne weten,
zij hebben - in de oude tijd -
't verstand ‘'n licht’ geheten.

Dit was oprecht geniaal en sinds
- gelief hierop te letten -
ontdekte men een meubel ook
om ‘'t licht’ ten toon te zetten.

En ‘'t licht’ och God! het blonk zo fel,
dat 't meubel allerwegen
van lieverlee de gulden glans
der fama heeft gekregen.

En des - ter Universiteit -
verwekt het min misbaren,
als men thans korte keersen vindt
op hoge kandelaren.

Dietsche Warande en Belfort, jrg 1908.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:06 Reageer op dit bericht

jantje

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

AAN JANTJE PEDANT.

Gij,die uzelv' zo wijs gelooft,
Ei, let eens op die korenschoven!
De volle halm buigt needrig 't hoofd;
De lege steekt het trots naar boven.

De nachtegaal en het lijstertje (1854)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

seringen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De seringen

Deze geuren zijn zo week als 't strelen
Van een hand door zijïg zachte haren.
O hun vleiïng die het bloed met zware
Slagen door de vingeren doet spelen

En dan zachtjes tempert tot bedaren.
En een vreemde droefheid glijdt met hele
Lichte aarzelingen in vervelen
Over, en een lusteloos strak staren.

O dit wreed genadeloze dringen
Van uw schone rouw, paarse seringen,
Tot ons denken, tot ons vlotte bloed,
Is gelijk een overmacht van minnen,
Die 't weerstreven der nerveuze zinnen
Sidderend zich onderwerpen doet.

Het Kostbaar Bloed (1918-1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten