Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

avondstemming

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Avondstemming.

'k Liep langs de landen zo stil voor mij heen
En aan de hemel reeds d' avondster scheen,
'k Floot zacht een deuntje en ik neurde en ik dacht
Aan het mysterie van nad'rende nacht,....
'k Zag in de verte in een donkere laan
Naar 't stille kerkhof twee minnenden gaan,
Peinzende vroeg ik mij glimlachend af
Waarom de liefde zoekt 't sombere graf....
Uit weide en wegen steeg vochtige damp
Ver over velden blonk licht van een lamp
Goud-gele schijn door de nevelen heen
Uit land'lijk huisje daar vredig en kleen,
'k Voelde de rust van de velden in mij,
D' avond, dat lichtje, zij maakten mij blij,
'k Wist dat mij wachtte in het vriendelijk huis
Ene die 'k minde bij 't lindengeruis....

Onze Eeuw jrg 13 (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

melancholia

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Melancholia.

Toen zong er, zonder zorgen,
Daar in de vroege morgen
- En dat klonk zo jong, zo blij -
Een boer die was aan 't ploegen;
Hij zong voor zijn genoegen
Een klein, oud lied daarbij.

En altijd weer van voren
Af aan trok hij de voren
Tot in de verte van licht,
Met de beide willige paarden
Door de rulle wolkige aarde
Naar het zilverig vergezicht.

En altijd zag ik hem keren
In de prachtige blauwe kleren
Met de sterke gang, en met
De paarden, die hadden beiden
Het ritme, dat ik benijdde
In het rustige van hunne tred.

En ik zag de middag komen:
De donkere loverbomen
Maakten hun schaduwen klein.
De ploegschaar lag te blinken
En de velden lagen te drinken,
Verzwolgen de zonneschijn.

En boven in de kronen
Der bomen leek te wonen
Een doffer en koerde zoet,
Zo als in ons inwendig
De stem des harten bestendig
Klaagt, omdat het bloedt.........

En ik zag de koeien treden
Naar een wetering beneden,
Want de zomerbedding was diep,
En zij stonden parelmoeren-
Blank boven de blauwe vloeren
Die de hemel in 't water schiep.

Maar de zon hield op te zengen,
En ik zag de schaduwen lengen,
Lavend, over het veld:
De lichte zilvergazen
Uit damp van water-wazen
Van de wetering op-geweld.

Het was niet langer stijgen,
Maar dalen; niet zingen, maar zwijgen
Want de schemering kwam aan;
Achter de stille landen
Zag ik de zonne stranden,
Stranden en...... dan vergaan.

Toen riep er bij dat scheiden
Een koekoek of hij zeide
De zon een avondgroet.........
En boven de bomen blonk er
Het helle nachtgeflonker
Van der gesternten gloed.........

uit: Onze Eeuw, jrg 23  (1923 )

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

koehoedster

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

DE KOEHOEDSTER.

De koe die schurkte laag haar kop
de gouden zonne scheen erop
en op het zwart en witte vel
en op de lichtglanzende bel,
die rinkte, die rinkte
zo fijn.

Het dorp was naar de mis gegaan;
het meisje liep maar zoetjes aan
door 't groene pad langs 't korenland
en voerde 't koetje aan haar hand.
Het koetje trad maar lijzig aan
en liet de belle al maar gaan,
die rinkte, die rinkte
zo fijn.

Zo blauw als ver de lucht, omhoog,
was 't jurkje en 't droomwijde oog,
en goud als zon en koren glom
lag 't wilde haar heur hoofde om,
en bruin tot donkerbrons gebrand
was 't rond gezicht en voet en hand.

Het dorp was naar de mis gegaan;
het meiske liep maar zoetjes aan
door 't groene pad langs 't korenland
en voerde 't koetje aan haar hand.
Het koetje trad maar lijzig aan
en liet de belle al maar gaan
die rinkte, die rinkte
zo fijn.

Een bonte vlucht (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

wie

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803

Wie 't Christendom verdrukt

Wie 't Christendom verdrukt, bespot,
Belaagt en ondermijnt, voert oorlog tegen God!
Maar zal Zijn Raad niet breken.
Wat ook de bliksem vell', zij laat die ceder staan.
Zijn loof hange al eens slap; de kruin blijft opwaarts gaan.
De wortel breidt zich uit; de groei duurt onbezweken.

Ik sta op dit geloof gegrond.
Ik weet, wie Jezus is. Die nooit beloften schond,
Zal ook zijn doel niet missen.
Hij is, hij blijft de steun van 't menselijk geslacht;
De rots, waar ‘t smachtend volk een levens-stroom uit wacht,
Die vette beemden schept in zand en wildernissen.

Verblijd u, Christenschaar! Wie keert
Zijn arm, die heil verschaft, en steeds zijn rijk vermeêrt.
De Koning aller volken
Voert, door zijn vijand zelf, zijn plan weldadig uit.
Wie wijs is, zie op Hem, eerbiedig' zijn besluit;
En wachte op zijne komst, in donkerheid en wolken!

schrijver

Geschreven door Dora om 23:27 Reageer op dit bericht

droom

Een gedicht van Rhijnvis Feith

DROOM

Schoon elk hem weerstand bood,
En jammrend van hem vlood,
Hij 's doof voor hun gekerm.
Hij neemt ze in zijne arm,
En brengt ze, rij na rij,
Gestaag aan de overzij.
Maar nauwlijks zijn ze daar,
Of 'k zie de blijdste schaar.
De laatste zucht vervloog;
De zielrust blinkt in 't oog,
De jongling wordt bemind
En is hun beste vrind.

Verbaasd van 't vreemd gezicht,
Wens ik mijzelve licht.
'k Dring tot de jongling door.
Verleen me een poos gehoor.
Wie zijt gij? (sprak mijn wens)
Een engel of een mens?

Hij zucht, en staart mij aan.
Ik zie in 't oog een traan.
Wat vraagt gij naar mijn naam?
Niet dat ik mij hem schaam;
Maar, (ach, hier zonk zijn blik)
Hier wekt hij niets dan schrik;
Maar ginds (zijn oog herrees)
Vervangt verrukking vrees.
Hij zucht nog eens en vlood,
En zegt: “ik ben de dood."

'k Ontwaak met ene gil!
't Is alles om mij stil.
Ik vinde in 't eind mij weer,
Ik zie op 't mensdom neer.
Ik zie al 't foltrend wee.
Een bloed-en tranenzee
Bruist golvend mij voorbij;
Maar 'k zie ook de overzij,
Hare eeuwig groene kust,
Hare ongestoorde rust,
Haar eindeloos verschiet,
Dat niets dan weelde biedt, ---
Dáár juicht mijn hart tot God.
Ik draag gerust mijn lot.
Zijn engel brengt ook mij
Eerlang aan de overzij!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

zonderling

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort

Een zonderling heb ik gekend

Een zonderling heb ik gekend, een vrek,
De echte , lepe, wrede gierigaard,
Zo boos als deze was wel nooit een gek,
Hoe talrijk doe ook zijn mogen op aard.

Hij hokt nog steeds in zijn bedompt vertrek,
Terwijl zijn glimmend oog in het ledig staart,
Zijn ziel gelijkt een oord, dat riekt naar drek,
Want afval is het al, wat hij vergaart.

En buiten, zie de zon, het geurend woud,
De weelde der natuur, gij met uw goud,
Wat baatte het uw ziel, uw lijf, uw huis?

Uw huis valt in elkander vroeg of laat,
Uw lijf verkeert straks in een rottingsstaat,
Was ooit een ziel benard als in die kluis?

Rijmproeven (1937)

Illustratie: een vrek

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

de zaligen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

DE ZALIGEN

De gele rozen lichten langs 't terras.
In diepe stoelen liggen zij te rusten,
de zaligen, die elkaar gelukkig kusten,
de toekomstlozen; heel hun leven was

een dringen naar de voorgeweten uren,
waar alles eensklaps in vergeten is;
't verwaait, nadat het stukgereten is,
hun oud bestaan; en nooit kan iets meer duren

naast dit verzonken zijn, dit niet meer wezen
deze gevaarlijk stille eeuwigheid,
dit weggevaagd zijn en terust geleid,
waaruit zij langzaam, stil en moe verrezen.

De regen, een grijs kraalgordijn, een poos
zacht tikkelend, laat door zijn lauwe kieren
hen 't paradijs nog zien met zijn revieren,
achter de vlammen van de gele roos.

Kaleidoscoop (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:18 Reageer op dit bericht

zonde

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

IK BEN MIJN ZONDE MOE EN MIJN BEROUW

Ik ben mijn zonde moe en mijn berouw,
ik ben mij zelve moede en ik ben
het zoeken moe naar God, die ik niet ken,
en die ik toch zo gaarne kennen zou.

Ik ben mijn zwakheid moe en mijn verdriet,
mijn arbeid en mijn hoop en mijn genot,
maar bovenal het zoeken naar mijn God! -
ik ben het zoeken moede - maar God niet.

Hij ziet en kent mijn zonde en vergeeft
ze zeventig maal zeven maal en meer.
Hij wil niet, dat mijn ziele sterft maar leeft.

O, wonderbare goedheid van de Heer,
die naar zo moedeloos een ziel nog vraagt,
die alle dingen, en ook mij verdraagt.

Nieuwe verzen (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

grafschrift

Een gedicht van Isaac da Costa 1798-1878

Grafschrift voor een kind.

Een bloempje, vóór de tijd van 't oudrenhart gerukt -
Neen! door der Englen hand voor 't Eden Gods geplukt!
Voor wie in Jezus stierf, is dood geen dood, maar leven;
En 't pand, aan Hem betrouwd, moet zelfs dit graf hergeven!


1834.

Da Costa's kompleete dichtwerken II (1862)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:36 Reageer op dit bericht

vulkaan

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

De poolvulkaan

Barre verlatenheid
Duldde ik eeuwen reeds,
In gelatenheid
Trots en uitgebrand.

Wolken sneeuwen steeds,
Zwaar en eindeloos;
Wit en eindeloos
Ligt het poolland rond.

‘t Laaiend Noorderlicht
In staalharde nacht
Houdt in mij de hoop
Dat een langre schicht
Mij inééns losscheurt uit mijn krater

En in vlammenvloed
Al het eeuwig ijs
Smelt tot groen, schuimbekkend water,
Waar ik rood en donker uit verrijs.

Al dwalend II Poolreizen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

dodenklacht

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

DODENKLACHT

Laat dicht de luiken! 't Zonlicht dringe
niet in deez' ruimten, waar geen morgen
haar langer wacht.

En laat me alleen met mijne dode!
'k Wil met haar zijn in de eerste wake
van hare nacht...

Ik wil de teedre woorden spreken,
die 'k nog voor haar in 't hart bewaarde
'k zei niet genoeg.

Ik wil haar dodensponde sieren
met bloemen der herinring. Liefste,
zij bloeien vroeg!

Kon met mijn hartbloed ik u 't leven
hergeven, u de zonnige ogen
weer op doen slaan,

of in mijn armen door het duister
der stille dodengangen dragen,
en met u gaan...

schrijver

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht

oude zijde

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

DE OUDE ZIJDE.

Wij zitten hier zo licht, mijn vriend, en kijken
Over de tijden heen en deze stad
In het gezicht van die kerk, die zij had
In 't vorig g'loof en oer-staat, die moest wijken

Met met 't getij der tijden, dat 't ging lijken
Een sprookje, een geur wel, die vervloog, gevat
In dat relieken-doosje, eens alle stad,
Waar restjes van bekartlen nog de wijken

Zo dier ons, de Oude Zijd': hoor ze op doen rijzen
't Straten-geraas, verzacht haast tot een zucht
En ondertoon van ons hoog-wijze praten

Over de tijden — 't wisslend licht der lucht
Op toren-transen en in lage straten —
Verre muziek der tij'n, vèr-raadbre wijze.

1895

Verzen (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:26 Reageer op dit bericht

tribunus

Een gedicht van Omer Karel de Laey 1876-1909

Tribunus plebis

Ik kom Tribunus Plebis soms,
des avonds rond de negen,
gezeten voor zijn stenen kroes,
ter club-vergaring tegen.

Ofschoon wij nooit of zelden, in
malkaars gedachten delen,
belet ons zulks niet, nu en dan,
te saam piket te spelen.

Het bier verstompt 't verstand en zo -
na onze kaartenzaken -
gebeurt het, dat we op 't bijster spoor
der politiek geraken.

'k Verwijt hem - want ik draag alom
'n vracht illusies mede -
dat hij, ad usum populi,
meer pathos zoekt dan rede.

Hij kijkt me sterling aan en laat
van zijn tribunuslippen,
met snaakse lach en spotgebaar,
dit aforisme glippen:

Wie zoude willen met azijn
op jacht gaan naar de vliegen,
als men ze zo gemaklijk kan
met suikergoed bedriegen!

--------------------------------------
tribunus plebis - volkstribuun: belangenbehartiger van het gewone volk (oorspronkelijk in Rome)
ad usum populi - ten nutte van het volk
aforisme - kort geformuleerde ervaringswijsheid

Dietsche Warande en Belfort. Jrg 1907

schrijver

Geschreven door Dora om 18:34 Reageer op dit bericht

dingen

Een gedicht van V.de Meyere 1873-1938

Er schuilt in al de dingen, die ik zing

Er schuilt in al de dingen, die ik zing
zo'n wondre zin die weinigen beseffen
zullen, in hun stil-leven dat zó effen
henenvloeit, zonder droom noch mijmering.

0, zangen van mijn Ziel! ik zeg mijn leven
rein uit in uwe gelukzaligheid,
omdat elk lied, altoos een nieuwer streven,
een breder Passie om mijn slapen leit.

Uw zoet geluid, dat om mij heen komt spelen
met balsemklanken, die mijn oren strelen,
't ruist al de jeugdge schoonheid van mijn hert!

Groot is uw doel, mijn zang: Een jeugd van weelde,-
maar ook van smart, - 't herscheppen met die beelden
die mij omruisten...sinds ik Dichter werd!

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:34 Reageer op dit bericht

Hebt gij

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

HEBT GIJ TINEL

Hebt gij Tinel,
Edgar Tinel gezien,
gezien, gehoord, gesproken?
En heeft hij u
dat overstoflijk brood
van zang en spel gebroken,
op zijn klavier?
En heeft hij dit klavier,
bij felle meesterstreken,
schier levend doen
zijn woord, zijn hart, zijn ziel
en zijn gedacht uitspreken?
Hebt gij Tinel,
Edgar Tinel gezien,
gezien en hem verstanden;
en zijt gij niet
meer mens weer opgestaan,
van onder zijne handen?
Vereer ze dan,
vereer de kunst in hem,
de Godlijke, en buig neder
voor God, die al
dat kunst of kunstnaar is
terugbeeldt en geeft weder.

Tijdkrans (1893)

Illustratie: Edgar Tinel (1854 - 1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

hermes

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

HERMES VAN PRAXITELES.

Hier klopt het marmer met een levensslag,
Pulseert de scheppingsdaad in pracht van bloei,
Waar overweld'gend rijst in hoge groei
Het heerlijk godenlijf met mild gezag.

Wat toch het dwepend oog bepeinzen mag?
Waarhenen stroomt het rustige gevloei
Van de' ernstig-zachte godenblik? Wat boei
Omsluit zijn zinnen in die kalme lach?

En aldoor strekt het kind de handjes uit,
Met open mondje, gretig en belust,
Te grijpen trachtend wat de god het biedt.

Maar immer vrucht'loos streeft het naar zijn buit
En wekt de god niet uit zijn mijmer-rust,
Wiens heil'ge droom in vage verten ziet....

Illustratie: HERMES van PRAXITELES

schrijver

Geschreven door Dora om 22:29 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
 

De gonsregen, regen - 

De gonsregen, regen -
het òpbewegen
van bladen als water valt,
de regen valt valt valt.

Zo in me zelf gedoken te zitten
in 't glanzige niet meer witte
licht - en nooit te beginnen
beweging en niet te bezinnen.

De regen maakt grauwe strepen
in de gladgrauw geslepen
lucht - de gordijnen hangen
treurig, de dag lange.

Verzen (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

vreemdenbezoek

Een gedicht van W.J. Van Zeggelen 1811-1879

Vreemdenbezoek.

‘Het land is er plat en het volk is er stijf,’
Zo spreken van Holland de vreemden;
‘De kunst en natuur hebben weinig om 't lijf;
Men ziet er geen bergen of beemden.
De mensen - ze sluiten zich op in hun kluis,
En stoppen 't fortuin in de kisten;
De vreugd van het leven - ze hoort er niet thuis,
Verveling verjaagt de toeristen.’ -

Ik laat die bewering voor 't geen wat ze geldt,
En denk maar: 't is licht in ons voordeel;
Al worden we weinig bij vreemden geteld -
Zijn wij maar niet blind in ons oordeel.
Toch zijn er wel vreemden, die staag in ons land
Met hopen logies komen zoeken,
En die zelfs, al wijst men hen nors van de hand,
Ons toch zonder vrijpas verkloeken;
Ze ontduiken het oog van kommies en douaan,
Gesteld om hun intree te stuiten;
Ze nemen brutaal hier het burgerrecht aan,
Trots alle ministers-besluiten;
Ze komen te beurs, op het bal, op 't kantoor,
Ze wandlen met armen en rijken;
Ze gaan bij de menigt voor landskindren door,
Waar ze ook maar 't gelaat laten kijken.
Toch voeren ze een leus en toch dragen ze een naam,
Tot wrevel van veler gemoedren;
Maar 't is of zij zeggen: kom, hokken we saam,
Wij willen met Holland verbroedren;
En daarom - geen dak, of ze zoeken een thuis,
En zonder een zier complimenten.
Wie 't ergert, zucht wis: wie verlost ons van 't kruis,
Van de eeuwige Brabantse centen!

1855.

De Dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

bedroefden

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Kom nu, bedroefden! al wie raad'loos klagen!

Kom nu, bedroefden! al wie raad'loos klagen!
'k Bèn niet de Schoonheid, maar 'k zal vóor Haar spreken.
't Bewijs? 'k Geef u mijn woord-zelf als een teken,
Dat Zij mij zond en gij mij raad moogt vragen.

Geloof alleen maar dat zij álle dagen
Kan troosten al wie, lijdend, Háar aansmeken,
En woorden weet, die 't lachen door doen breken
Om monden, toegeschroeid door aardse plagen.

'k Kom nu niet troosten. Maar 'k kom u zó maken,
Dat gij rijp zijt om straks getroost te worden: -
Gij zijt nog niet wat zulken moeten wezen.

Uw monden twijfel-lachen, die voor dezen
Nooit lachten, maar - vergeefs - kreten of morden: -
Tot wie geloven zal de Trooster naken.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:59 Reageer op dit bericht

zangster

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856

Mijne zangster.

Wel dartel, zo als meisjes meest,
Doch op haar tijd bedaard;
Wel zorgloos, maar niet los van geest,
En min vrijmoedig dan bedeesd:
Zie daar mijn zangsters aard.
Voor ieders oren zingt zij niet,
Dan tegen dank geprest;
Maar als geen mens haar stem bespiedt,
Dan schatert en dan schalt haar lied,
Dan zingt zij altoos best.
Dan dringt zij mij een traan in 't oog
En roert mijn ziel naar lust,
Of voert mijn geest verrukt omhoog,
Of lacht mijn ogen vrolijk droog
En wiegt mijn hart in rust.
Somtijds (en 't staat haar gans niet schoon)
Verlokt haar zucht naar eer:
Dan spant ze een hoge heldentoon,
Maar eigen afkeur is haar loon:
Haar stem is veel te teer.
Maar als 't ontloken veldplantsoen
Haar uitlokt naar de streek;
Maar als zij hukt in 't hangend graan,
Dan zingt zij, als de vogels doen,
En murmelt met de beek.
Of speelt zij 't heil der echte min,
Verrukt en blij te moe,
Of stelt zij voor mijn zoet gezin
Een hart- en huislijk toontje in,
Dan knikt mijn ziel haar toe.
Teerhartig en aandoenlijk zacht,
In lief en leed mij waard;
Somtijds verleid door valse pracht,
Maar tot haar eenvoud weergebracht
Zie daar mijn zangsters aard.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten