Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

grafschrift

Een gedicht van Isaac da Costa 1798-1878

Grafschrift voor een kind.

Een bloempje, vóór de tijd van 't oudrenhart gerukt -
Neen! door der Englen hand voor 't Eden Gods geplukt!
Voor wie in Jezus stierf, is dood geen dood, maar leven;
En 't pand, aan Hem betrouwd, moet zelfs dit graf hergeven!


1834.

Da Costa's kompleete dichtwerken II (1862)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:36 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

vulkaan

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

De poolvulkaan

Barre verlatenheid
Duldde ik eeuwen reeds,
In gelatenheid
Trots en uitgebrand.

Wolken sneeuwen steeds,
Zwaar en eindeloos;
Wit en eindeloos
Ligt het poolland rond.

‘t Laaiend Noorderlicht
In staalharde nacht
Houdt in mij de hoop
Dat een langre schicht
Mij inééns losscheurt uit mijn krater

En in vlammenvloed
Al het eeuwig ijs
Smelt tot groen, schuimbekkend water,
Waar ik rood en donker uit verrijs.

Al dwalend II Poolreizen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

dodenklacht

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

DODENKLACHT

Laat dicht de luiken! 't Zonlicht dringe
niet in deez' ruimten, waar geen morgen
haar langer wacht.

En laat me alleen met mijne dode!
'k Wil met haar zijn in de eerste wake
van hare nacht...

Ik wil de teedre woorden spreken,
die 'k nog voor haar in 't hart bewaarde
'k zei niet genoeg.

Ik wil haar dodensponde sieren
met bloemen der herinring. Liefste,
zij bloeien vroeg!

Kon met mijn hartbloed ik u 't leven
hergeven, u de zonnige ogen
weer op doen slaan,

of in mijn armen door het duister
der stille dodengangen dragen,
en met u gaan...

schrijver

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht

oude zijde

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

DE OUDE ZIJDE.

Wij zitten hier zo licht, mijn vriend, en kijken
Over de tijden heen en deze stad
In het gezicht van die kerk, die zij had
In 't vorig g'loof en oer-staat, die moest wijken

Met met 't getij der tijden, dat 't ging lijken
Een sprookje, een geur wel, die vervloog, gevat
In dat relieken-doosje, eens alle stad,
Waar restjes van bekartlen nog de wijken

Zo dier ons, de Oude Zijd': hoor ze op doen rijzen
't Straten-geraas, verzacht haast tot een zucht
En ondertoon van ons hoog-wijze praten

Over de tijden — 't wisslend licht der lucht
Op toren-transen en in lage straten —
Verre muziek der tij'n, vèr-raadbre wijze.

1895

Verzen (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:26 Reageer op dit bericht

tribunus

Een gedicht van Omer Karel de Laey 1876-1909

Tribunus plebis

Ik kom Tribunus Plebis soms,
des avonds rond de negen,
gezeten voor zijn stenen kroes,
ter club-vergaring tegen.

Ofschoon wij nooit of zelden, in
malkaars gedachten delen,
belet ons zulks niet, nu en dan,
te saam piket te spelen.

Het bier verstompt 't verstand en zo -
na onze kaartenzaken -
gebeurt het, dat we op 't bijster spoor
der politiek geraken.

'k Verwijt hem - want ik draag alom
'n vracht illusies mede -
dat hij, ad usum populi,
meer pathos zoekt dan rede.

Hij kijkt me sterling aan en laat
van zijn tribunuslippen,
met snaakse lach en spotgebaar,
dit aforisme glippen:

Wie zoude willen met azijn
op jacht gaan naar de vliegen,
als men ze zo gemaklijk kan
met suikergoed bedriegen!

--------------------------------------
tribunus plebis - volkstribuun: belangenbehartiger van het gewone volk (oorspronkelijk in Rome)
ad usum populi - ten nutte van het volk
aforisme - kort geformuleerde ervaringswijsheid

Dietsche Warande en Belfort. Jrg 1907

schrijver

Geschreven door Dora om 18:34 Reageer op dit bericht

dingen

Een gedicht van V.de Meyere 1873-1938

Er schuilt in al de dingen, die ik zing

Er schuilt in al de dingen, die ik zing
zo'n wondre zin die weinigen beseffen
zullen, in hun stil-leven dat zó effen
henenvloeit, zonder droom noch mijmering.

0, zangen van mijn Ziel! ik zeg mijn leven
rein uit in uwe gelukzaligheid,
omdat elk lied, altoos een nieuwer streven,
een breder Passie om mijn slapen leit.

Uw zoet geluid, dat om mij heen komt spelen
met balsemklanken, die mijn oren strelen,
't ruist al de jeugdge schoonheid van mijn hert!

Groot is uw doel, mijn zang: Een jeugd van weelde,-
maar ook van smart, - 't herscheppen met die beelden
die mij omruisten...sinds ik Dichter werd!

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:34 Reageer op dit bericht

Hebt gij

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

HEBT GIJ TINEL

Hebt gij Tinel,
Edgar Tinel gezien,
gezien, gehoord, gesproken?
En heeft hij u
dat overstoflijk brood
van zang en spel gebroken,
op zijn klavier?
En heeft hij dit klavier,
bij felle meesterstreken,
schier levend doen
zijn woord, zijn hart, zijn ziel
en zijn gedacht uitspreken?
Hebt gij Tinel,
Edgar Tinel gezien,
gezien en hem verstanden;
en zijt gij niet
meer mens weer opgestaan,
van onder zijne handen?
Vereer ze dan,
vereer de kunst in hem,
de Godlijke, en buig neder
voor God, die al
dat kunst of kunstnaar is
terugbeeldt en geeft weder.

Tijdkrans (1893)

Illustratie: Edgar Tinel (1854 - 1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

hermes

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

HERMES VAN PRAXITELES.

Hier klopt het marmer met een levensslag,
Pulseert de scheppingsdaad in pracht van bloei,
Waar overweld'gend rijst in hoge groei
Het heerlijk godenlijf met mild gezag.

Wat toch het dwepend oog bepeinzen mag?
Waarhenen stroomt het rustige gevloei
Van de' ernstig-zachte godenblik? Wat boei
Omsluit zijn zinnen in die kalme lach?

En aldoor strekt het kind de handjes uit,
Met open mondje, gretig en belust,
Te grijpen trachtend wat de god het biedt.

Maar immer vrucht'loos streeft het naar zijn buit
En wekt de god niet uit zijn mijmer-rust,
Wiens heil'ge droom in vage verten ziet....

Illustratie: HERMES van PRAXITELES

schrijver

Geschreven door Dora om 22:29 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
 

De gonsregen, regen - 

De gonsregen, regen -
het òpbewegen
van bladen als water valt,
de regen valt valt valt.

Zo in me zelf gedoken te zitten
in 't glanzige niet meer witte
licht - en nooit te beginnen
beweging en niet te bezinnen.

De regen maakt grauwe strepen
in de gladgrauw geslepen
lucht - de gordijnen hangen
treurig, de dag lange.

Verzen (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

vreemdenbezoek

Een gedicht van W.J. Van Zeggelen 1811-1879

Vreemdenbezoek.

‘Het land is er plat en het volk is er stijf,’
Zo spreken van Holland de vreemden;
‘De kunst en natuur hebben weinig om 't lijf;
Men ziet er geen bergen of beemden.
De mensen - ze sluiten zich op in hun kluis,
En stoppen 't fortuin in de kisten;
De vreugd van het leven - ze hoort er niet thuis,
Verveling verjaagt de toeristen.’ -

Ik laat die bewering voor 't geen wat ze geldt,
En denk maar: 't is licht in ons voordeel;
Al worden we weinig bij vreemden geteld -
Zijn wij maar niet blind in ons oordeel.
Toch zijn er wel vreemden, die staag in ons land
Met hopen logies komen zoeken,
En die zelfs, al wijst men hen nors van de hand,
Ons toch zonder vrijpas verkloeken;
Ze ontduiken het oog van kommies en douaan,
Gesteld om hun intree te stuiten;
Ze nemen brutaal hier het burgerrecht aan,
Trots alle ministers-besluiten;
Ze komen te beurs, op het bal, op 't kantoor,
Ze wandlen met armen en rijken;
Ze gaan bij de menigt voor landskindren door,
Waar ze ook maar 't gelaat laten kijken.
Toch voeren ze een leus en toch dragen ze een naam,
Tot wrevel van veler gemoedren;
Maar 't is of zij zeggen: kom, hokken we saam,
Wij willen met Holland verbroedren;
En daarom - geen dak, of ze zoeken een thuis,
En zonder een zier complimenten.
Wie 't ergert, zucht wis: wie verlost ons van 't kruis,
Van de eeuwige Brabantse centen!

1855.

De Dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

bedroefden

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Kom nu, bedroefden! al wie raad'loos klagen!

Kom nu, bedroefden! al wie raad'loos klagen!
'k Bèn niet de Schoonheid, maar 'k zal vóor Haar spreken.
't Bewijs? 'k Geef u mijn woord-zelf als een teken,
Dat Zij mij zond en gij mij raad moogt vragen.

Geloof alleen maar dat zij álle dagen
Kan troosten al wie, lijdend, Háar aansmeken,
En woorden weet, die 't lachen door doen breken
Om monden, toegeschroeid door aardse plagen.

'k Kom nu niet troosten. Maar 'k kom u zó maken,
Dat gij rijp zijt om straks getroost te worden: -
Gij zijt nog niet wat zulken moeten wezen.

Uw monden twijfel-lachen, die voor dezen
Nooit lachten, maar - vergeefs - kreten of morden: -
Tot wie geloven zal de Trooster naken.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:59 Reageer op dit bericht

zangster

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856

Mijne zangster.

Wel dartel, zo als meisjes meest,
Doch op haar tijd bedaard;
Wel zorgloos, maar niet los van geest,
En min vrijmoedig dan bedeesd:
Zie daar mijn zangsters aard.
Voor ieders oren zingt zij niet,
Dan tegen dank geprest;
Maar als geen mens haar stem bespiedt,
Dan schatert en dan schalt haar lied,
Dan zingt zij altoos best.
Dan dringt zij mij een traan in 't oog
En roert mijn ziel naar lust,
Of voert mijn geest verrukt omhoog,
Of lacht mijn ogen vrolijk droog
En wiegt mijn hart in rust.
Somtijds (en 't staat haar gans niet schoon)
Verlokt haar zucht naar eer:
Dan spant ze een hoge heldentoon,
Maar eigen afkeur is haar loon:
Haar stem is veel te teer.
Maar als 't ontloken veldplantsoen
Haar uitlokt naar de streek;
Maar als zij hukt in 't hangend graan,
Dan zingt zij, als de vogels doen,
En murmelt met de beek.
Of speelt zij 't heil der echte min,
Verrukt en blij te moe,
Of stelt zij voor mijn zoet gezin
Een hart- en huislijk toontje in,
Dan knikt mijn ziel haar toe.
Teerhartig en aandoenlijk zacht,
In lief en leed mij waard;
Somtijds verleid door valse pracht,
Maar tot haar eenvoud weergebracht
Zie daar mijn zangsters aard.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Jonge moeder.

‘Hoe vreemd, dat mij gegeven is,
wat niet mijn eigen leven is,
maar sluimerend in het mijne hing,
en ging,
en brak de draad,
en wezen wou in eigen staat’.

‘Ik ben nog moe...
heb ik geleden?
of is een droom uit mij gegleden?...
Ik doe mijn ogen dicht
en ben tevreden,
en mijn gedachten en mijn lijf zijn licht’.

‘Is dit nu barensnood,
met hijgende gevaren
tot aan de dood?
Ik wist niet, dat een leven komen kon
zo rood en bloedend, als de ondergaande zon’.

De Gids,  jrg 81 (1917)

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

dromen

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Ik wil mijn dromen tot een toren bouwen

Ik wil mijn dromen tot een toren bouwen
Van blank ivoor, met rode en gouden lijnen
Zal ik in 't wit de fabelen doen schijnen
Dat ieder zo mijn leven kan doorschouwen.

De vredige pastoralen en de gaarden
Met vreemd-vervlochten bloemen, en de afgronden
Van dood en vlammengloed, met juichemonden
De englen in schitterende rei geschaarde;

En 's nachts, wanneer mijn Teken op de rotsen
In 't maanlicht blinkt boven de woelige zeeën
En een schip nadert van een vreemde kust,

Schijnt het de stuurman boven 't golvenklotsen
Neergedaalde Godin van hemelreeën
Zoete verkondigster van liefde en lust.

De Beweging, jrg 2 (1906)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

verworpenen

Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933

DE VERWORPENEN

De verworpenen, die denkend worden,
Zullen ingaan tot een nieuwe dag,
In wier oude hoofd de ogen dorden,
Deze worden blinkend van gezag.

In wier leven armoe heeft gesproken,
Gore stem van tellend kopergeld,
Deze zullen horen, de ontloken
Gouden klokken van het voorjaarsveld.

Zij, die voor de meester bogen neder,
Handen opwaarts naar het dageloon,
Zullen springen op en worden weder
Van de vrije aarde vrije zoon.

Deze die neerzaten, heengezonken,
Peinzende, wat hen dus had vergoord,
Zullen worden van het weten dronken,
Dat een nieuwe schoonheid hun behoort.

En die eertijds droegen om de leden
Tekenen van de afhankelijkheid,

Zullen opgaan naar een stralend heden,
Door de poorten der oproerigheid.

Opstandige liederen (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:01 Reageer op dit bericht

herderin

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

De badende herderin.

Waar aan der weiden zoom, verzadigd om te grazen,
Het lodderzieke vee de zomernoen verdroomt,
Ontdekt de herderin, in vreugdevol verbazen,
Hoe uit 't naburig woud een murmlend beekje stroomt.

Zij laat de kudde alleen en dringt de ruigte binnen;
En waar een kampje in 't kroes ten oever rustplaats biedt
Daar blijft ze luistrend staan in aarzlend zelfbezinnen...
Tot dieper ze ademhaalt: ze waant zich onbespied.

En simpel, onbeschroomd, de oever toegetreden,
Ontgordelt ze, als in droom, haar schamele gewaad,
En toont der eenzaamheid, van maagdelijke leden,
Het ongerepte schoon met onontroerd gelaat.

Dan proeft haar voet het nat en met nieuwsgierige ogen
Volgt ze, hoe rimpels ros, waar 't water langzaam vlaakt,
Zich voegen tot een beeld en plotsling, fel bewogen,
Ziet ze, (maar durft niet zien) haar eigen jonkheid naakt!

Ze ziet haar brede borste' als blanke beukelaren,
Ze ziet haar schoud'ren sneeuw, haar wangen zongeroost,
Ze ziet de wederschijn van 't welig goud der haren...
En raadt zich zelve schoon, en glimlacht zacht, en bloost.

Zo staat zij lange tijd in zelfverliefde dromen...
Totdat een vallend blad de waterspiegel roert...
En, opgeschrikt, ze ontwaart hoe, door het loof der bomen
De stilte, van rondom, uit duizende' ogen loert...

Dan, plotsling, met een kreet, heeft, (weerloze bescherming!)
Zij kruiswijze op haar borst de handen uitgespreid..,
En 't huivert door haar leên, saamkrimpende om ontferming,
Een nameloze angst voor 's levens heerlijkheid!

Experimenten (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

zij

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Zij was zo jong

Zij was zo jong en schoon, en blozend als de roze,
Zij telde nauwlijk vijftien jaar.
De doodesengel kwam en nam de vlekkeloze,
Als of 't een echte bloeme waar'.

Zij was zo jong! De liefde sloeg haar wonden,
Met haren geur'ge toverstaf;
Zij wilde 't leven in, en vroeg naar zaal'ge stonden,
En aarzelde op de boord van 't graf.

Zij was zo jong en schoon! - Vol hopeloze smarte
Zag zij der velden eerste groen;
Zij drukte 't bleek gelaat aan moeders liefdrijk harte,
En weende stil bij moeders zoen.

Zij was zo schoon! - Zij liet het hoofdje zijgen,
En kwaal en smarte, 't was vergaan.
De dood aanzag de maagd en kuste in somber zwijgen
Van 's kindes oog de laatste traan.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van J.P. Hasebroek 1812-1896

AAN ENE MOEDER.

Hoe schoon stond de bloemkroon op 't jeugdige hoofd,
Toen 'k u in de Bruidzaal mocht groeten;
Toen waart ge aan de Vreugd en de Schoonheid verloofd;    
De Jonkheid bracht hulde aan uw voeten;
De oranjebloem zelfs scheen niet wit bij de glans
Van 't elpenblank voorhoofd, gedekt met haar krans.

Thans buigt zich uw schedel allengskens ter neer;
Uw voorhoofd, met rimplen doorsneden,
Tooit sneeuwwitte bloesem noch elpenbeen meer;
Geen jeugd strooit gebloemt' voor uw schreden.
o Moeder, in wie dus de Schone verdween,
Waar is nu de bloemkroon van gisteren heen?

Maar hoe? Is die bloemkroon gevallen ter aard',
Waarheen mij uw blik schijnt te wijzen?
Ja, 'k zie daar, als bloesem, die viel in de gaard,
Een krans, om zijn schoonheid te prijzen;
Een krans, die maar enkel uit knoppen bestaat,
Waarin zich de wordende Schoonheid verraadt.

Een krans is 't van - kindren, gekweekt met u w bloed,
Dat helder hun wangen doet blozen;
- Van kindren, wier oogstraal nu blinkt van uw gloed,
Wier lip is bedekt met uw rozen;
Van kindren, in wie gij, o Moeder! herleeft,
En ons weer uw schoon te bewonderen geeft!

Buk, Moeder! naar de aarde, en vergaar op uw schoot
Het kroost, dat uw voeten omhuppelt;
Dan tooit u de krans, die uw lokken ontschoot,
Met tranen van vreugde bedruppeld.
Cornelia sprak: mijn juwelen zijn hier!
En gij: Zie de bloemen, waar 'k thans mij mee sier!

Nieuwe Winde-kelken (1864)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:32 Reageer op dit bericht

offer

Een gedicht van Liesbeth Maria Post 1755-1812

Offer der liefde.

Een stille hut op 't eenzaam land,
Vrij van gewoel en slommer;
Een kleine moestuin met een beek,
Beschaauwd van milde lommer;
Een lieve schrijfcel, en een kas
Met boeken, weinig mensen,
Was al wat ik, als 't grootst geluk,
Op Aard, van God kon wensen:
Die keus lag in mijn kinderhart,
Zij groeide met mijn jaren,
Ik kreeg ze in 't eind; God wilde zelfs
Hier meer dan 'k vroeg, vergaêren.

In een betovrend vruchtbre streek,
Vol bossen, bergen, dalen,
Vol bronnen, akkers, weiden, waar
De beekjes kronklend dwalen;
Een oord waarin Natuur, door kunst
Geleid, maar niet gedwongen,
Elk treft, en door een bos-concert
Verrukkend wordt bezongen;
Daar gaf mij 's Hemels trouwe zorg,
Een lieve eenvouwge woning,
Die 'k niet zou ruilen voor den glans,
De zorgen, van een' Koning:
Hier biedt Natuur haar lachend schoon,
Elk' avond, ieder' morgen;
Hier rollen dagen vol genot,
Bevrijd van duizend zorgen;

Hier kan ik, juist naar mijn' genie,
Een rustig leven leven;
Mij in mijn lieve boeken-cel
Of 't open veld begeven;
Van mijn Cheri alom verzeld,
Door woud en bergen dwalen;
En bij een frisse koele bron
Weer rustig ademhalen;

Verscholen in een kleine hut,
De wereld gans vergeten,
En luistrend naar het bosgeruis
Een Solitaire heten.
Op duizend plekjes hier en ginds
Vond ik, vermoeid van 't dolen,
Een rustplaats met mijn boek, in 't groen,
Voor 't zoekend oog verscholen.
Ik kon..... Maar neen, ik kon niets meer;
Sinds gij mijn rust vermoordet,
Sinds gij die zelf-genoegzaamheid
Door uwe liefde stoordet;
Sinds is Natuur hier dood voor mij,
En de eenzaamheid vervelend;
Geen denkbeeld dan uw liefde alleen,
Is voor mijn hart meer strelend.
Sinds ik u kende, is 't vruchteloos,
In deze lieve streken,
't Geluk te zoeken; 't is me alom,
Op 't liefste plekje ontweken.
Gij deed voor mij dit paradijs
In wildernis verandren;
Maar wildernis wordt paradijs
Ziet zij ons bij elkandren.

Ik ga dan waar me uw liefde wenst;
Ik offer stil genoegen,
Genietrek, alles, om, als vrouw,
In huiszorg druk te zwoegen.
'k Verlaat dan 't bosrijk Gelderland,
Voor Hollands vlakker streken;
Maar 'k weet, mijn beste! aan uwe zij
Zal mij geen troost ontbreken:
Dit offer u en mijner waard
Zal nimmer mij berouwen
Uw trouw zal mij vergoeding doen
'k Juich in dit blij vertrouwen.

Gezangen van liefde (1794)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:42 Reageer op dit bericht

roman

Een gedicht van Egar du Perron 1899-1940

ROMAN IN TWEE VENSTERS

1.

Mijn lief zat voor het open raam,
een zon, die langzaam viel,
omlijstte met verzachte schijn,
in een bleekgouden, tere lijn,
haar hoogvoornaam
profiel.

Toen schoof mijn lief de blinden dicht,
verveeld, een beetje boos,
maar binnen drong één scherpe straal
en op haar mooie mond, brutaal,
danste het licht
een poos.

Als eens mijn lief, verveeld en boos,
mijn liefde buitensluit,
dan sterft mijn liefde, zo gewond,
stil, als dat zonlicht, op die mond,
zonder één voos
geluid.

2.

'k Sta aan mijn venster. Het is laat.
Ik kijk neer op de stille straat.
In duisternis, waar niemand gaat.

Van nergens komt meer één geluid.
'k Sta met mijn hoofd tegen een ruit.
Wanneer gaat die lantaren uit?

Eén lichtkring op wat vunzigheid.
Die gloor is met dat goor in strijd.
Daar gaat zelfs geen verloren meid.

In mij is net zo'n stille straat.
Waar niet één lamp te branden staat.
Waar sedert lang geen mens meer gaat.


1922

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten