Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

slapen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Hoe kunt ge slapen?

De nachtwind huppelt langs de vloed
En draagt mijn groet
Naar 't huis der Allerliefste mijn:
Hoe kunt ge slapen, maagdelijn?

Een parelwitte maneschijn
Spreidt op het meer zijn zilvren gloed,
Spreidt schaduw op uw blank gordijn; -
De schaduw van het breed geboomt
Waaronder 't oog geen spieders schroomt...
Hoe kunt ge slapen, maagdelijn?

Of is het dat ge van mij droomt?
Dan zou het u vergeven zijn!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:17 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

op de roos

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Op de roos

Mij lust de Lent', die bloemgewassen draagt,
De Lenteroos, die Goôn en mens behaagt;
't Aanminnigste versiersel voor een Maagd,
Ter eer' te zingen.
Het is de Roos, de malse Roos-alleen,
Met welker blaân de drie Bevalligheên,
Als 't Minnewicht met haar ten rei' zal treên,
Haar hoofd omringen.
Zing, Disgenoot! zing vrolijk met mij mee!
De Roos, de lust van gulden Cythereê:
De schone Roos, 't bemind gewas der ne-
gen Zanggodinnen!
Schoon zij de hand met spitse doornen drukt,
Wanneer men haar de groene steel ontrukt;
Wie is er, die geen lieflijk Roosje plukt
Met blijde zinnen?
Hoe aangenaam zijn haar satijnen blaân!
Men brengt de Roos op blijde tafels aan,
En Bacchus feest. Wat wordt er toch gedaan,
Wat zonder Rozen?
Haar purper doet de schone Dageraad,
Die 's Hemels poort in 't Oost ontsluiten gaat,
En 't Wagenspan van Titan binnen laat,
De vingers blozen:
Zelf Cypris wordt, van die haar schoonheid roemt,
In heilig Dicht, na deze blos genoemd.
Der Helden graf versiert men door 't gebloemt
Van Rozelaren.
Niet minder is haar frisse reuk geacht:
Vergeefs beproeft de tijd daar op zijn macht;
Haar geur houdt stand, hoewel haar tooi en pracht
Zijn weggevaren.
Doch melden wij, hoe ze eerst haar oorsprong kreeg!
Als Venus uit de azuren golven steeg
Der zee, die voor haar oog zich stilde, en zweeg,
En scheen te slapen;
Wanneer Minerve uit 's Vaders edel hoofd,
Door 't diamant van Mulciber gekloofd,
Met speer en schild, wier glans de glans verdooft
Van Mavors wapen,
Te voorschijn kwam; toen is de nieuwe plant
Der Roos, gevormd door de alleswijze hand
Van Vrouw Natuur, uit 's aardrijks ingewand
Eerst voortgesproten.
Het Godendom zag 't Roosje pas volbloeid,
Of heeft het met zijn nectar mild besproeid;
En uit haar' struik is de eedle druif gegroeid,
Die sedert wortel heeft geschoten.

1781.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:58 Reageer op dit bericht

seizoenen

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

DE SEIZOENEN

Najaar, vluchtend langs de wegen,
Bijna hebt gij afgelegd
't Rode kleed, dat losgeregen
Enkel aan één gesp nog hecht.

Langs de zoom der bruine heide
Zweef zo ijlings niet voorbij,
Zet Uw ben met fruit terzijde,
En tot afscheid zegen mij.

Ook Uw beide zusters duldden
Bij het afgaan van dit pad,
Dat mijn gul gebrachte hulde
Om een gunst, een weergroet, bad;

Zomer heeft haar doek verschoven,
En haar boezem bloot gemaakt,
Zacht heb ik die bron der hoven
Met de lippen aangeraakt;

En dat kind, wier lieflijk Leven
Duurt zolang de koekoek lacht,
Heeft mij hier een bloem gegeven,
Dat ik altijd aan haar dacht.

Kom dus tot mij, herfst, want ginter,
Laatste leidsvrouw van het jaar,
Nadert reeds de bleke winter
Met een maretak in 't haar.

Het aardsche paradijs (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

gave

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1864-1926

De volmaakte gave.

Wie arbeidt werkt aan zich en wie de kunst
Ziet als zijn arbeid werkt zich op tot God.
Zijn leven wordt een eng en streng gebod;
Een strevend geven zonder éne gunst.

In zijn gedachten, in zijn daden, streeft
Hij steeds gedreven door dezelfde trouw,
Gelijk in liefde streeft de reine vrouw,
In vol geloof aan hem wie zij zich geeft.

In hem ziet zij de goddelijke Vlam
Die tot een offer heel haar zijn begeert;
Die als zijn recht haar ganse zijn verteert
Wijl hij van god tot haar op aarde kwam.

Zij offert hem haar schoonheid en haar jeugd;
Zij leeft alleen, wanneer zijn liefde spreekt;
Zij lijkt alleen, wanneer zijn liefde ontbreekt
En zelfs dit lijden is haar als een vreugd.

Zo is de kunstenaar; en zó, gewijd
In toegewijde liefde wordt hij groot.
Zo overwint hij 't leven en de dood
En heft zijn arbeid op tot eeuwigheid.

Wie arbeidt werkt aan zich; en wie de kunst
Kent als zijn arbeid nagelt zich aan 't kruis.
Hij spreekt ‘Vergeef het hun’, als het gespuis
Hem hoont, en neemt hun ‘edik’ als een gunst.

Als de Volmaakte Gave, die niets wacht
Dan Zelf-verlossing door Volmaakte Daad
Sterft hij en Zege is op zijn laatst' gelaat
Wanneer hij spreken kan ‘Het is volbracht’.

Onze Eeuw. Jaargang 23. 1923

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

margrieten

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

Margrieten

’t Is of die bloemen het weten:
Ze buigen beurt om beurt  
uit eerbied voor de stilte   
die aan mijn hart is gebeurd.

En reder dan aan mensen   
doe ik die elfen in ’t gras  
het effen verhaal dat hij heenging 
om ’t heimwee dat ik was.  

Ze neigen  bevreemd naar elkander 
’t naïeve margrietenhoofd:  
dàt hadden ze van de mensen 
toch nooit geloofd.   

Nu staan ze zonder vragen,  
een bleke sterrenstoet,  
een goedheid zonder woorden,
te bloeien aan mijn voet.

Een kommer te raden, te helen,   
en te doen of men weet het niet,  
dat moeten de mensen nog leren  
van de hoge stille margriet.

Verzamelde gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

grootvader

Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1875

DE GROOTVADER.

Gij spreekt wel soms van al zijn lijden,
Die oude man met sneeuwwit haar;
Maar meest zit hij in zich verzonken,
En stil en zwijgend nevens haar.

Zij wordt wel groot, maar is zo tenger;
Hij legt de hand soms op haar hoofd :
Zo ze eenmaal in mijne oude dagen
Door vroege dood mij werd ontroofd!

Dan lacht ze op hem met stille weemoed,
Terwijl ze zwijgend hem aanschouwt,
En denkt: ‘hij zal niet lang meer leven,
Hij wordt zo stram, hij is zo oud!’

Wie zal het eerst van beiden sterven,
Zo diep beducht thans voor elkaar —
Het meisje in de bloei van 't leven,
Of de oude man van tachtig jaar?

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

zonsondergang

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

NA ZONSONDERGANG AAN ZEE.

Zonne stervend zonk in zee,
en een wijde wade spreidde
op de brede kimme neer
't wolkenheer.
Eenzaam ruist de duistre zee,
langs der duinen ruigje kruinen,
als met droeve dodenklacht
zucht de nacht.
Eenzaam.,eenzaam ruist de zee,
slaat de kuste zonder ruste,
moeder aarde ligt alom
doods en stom.
Op het woelend vlak der zee
wislend dansen kille glanzen
starre lach der dode maan
staart mij aan.
Dreigend, dreigend druist de zee!
'k zie een grijzen nevel rijzen
komt uit 't grote zonnegraf
op mij af!
Red
mij,
red mij van de zee!
Red mij, aarde, die mij baarde!
Vaal-gewiekte oneindigheid
naderschrijdt !

1883

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 1 reactie Reageer op dit bericht

jonathan

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

JONATHAN

Zijn kleren had hij niet alleen geruild
en kostbaar wapentuig, maar ook zijn leven.
Hij had zijn wijsheid en zijn kracht gegeven
en wat in harts verholen diepten schuilt.

Voor simpele eenvoud, sterke aanhanklijkheên,
bood hij het de gebronsde jonge herder.
Die nam, en streed, en slingerde het verder
en trof Saul met de scherpgekante steen.

En Jonathan duldde het dubbel leed.
Hij dacht zijn vader hard en David wreed,
en kampte om ’t arm geluk van dood te zijn.

Bij ’t rijzen van de grijze schemervloed
gruwt David van de lauwe smaak van bloed,
en staart vol afschuw naar de rode wijn.

Illustratie: David en Jonathan

schrijver

Geschreven door Dora om 22:53 Reageer op dit bericht

verjaardag

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Verjaardag.

De wereld aan te zien, welvarend nog en krachtig,
Maar met een afscheidnemend oog,
De zeventig voorbij, in 't opgaan naar de tachtig,
Een leefkring die, uit veel, een enkle slechts voltoog;

Omstuwd van een geslacht, mij over 't hoofd gewassen,
Meest door een andre geest dan mij vervult bestierd;
Op stelsels prat, die slecht bij wat ik voorsta passen;
Dat weinig missen zal als 't ook mijne uitvaart viert:

Ziedaar wat ernstig maakt; maar niet gebiedt te treuren,
Zolang mij huwlijksmin en kinderliefde omringt,
Een Godlijk avondrood mijn westerkim blijft kleuren,
Zo menig lieve bloem mijn dalend pad doet geuren,
En tussen 't gelend groen nog éne vogel zingt.

1887

schrijver

Geschreven door Dora om 21:03 Reageer op dit bericht

primula

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Primula veris.

Lief bloempje! dat met half-ontvouwde bladen,
Veelkleurig, door het groene omkleedsel breekt,
De tengre knop begerig opwaarts steekt
Om vroeg zich reeds in 't zonnelicht te baden:

Zeg, vreest gij niet, als zich de winter wreekt,
Dat hij, met sneeuw en stollend ijs beladen,
De sappen stremm' der pas ontloken bladen,
Wier tederheid een milder pleging smeekt!

Waarom zo vroeg uw stengels opgeheven? -
Wacht, kleine bloem! in 't groen, dat u omgaf,
Een luwer koelte en zoeler dagen af.

Maar neen, uw lot is een vroegtijdig graf! -
En 'k heb er vaak benijd, wie 't was gegeven
Te sterven in de lente van hun leven.

De Gids (1840)

Illustratie: Primula veris of gulden sleutelbloem

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

vriend

Een gedicht van Isaac da Costa 1798-1860

AAN EEN JONGE VRIEND,

OP ZIJN VIJFTIENDE VERJAARDAG.

Verheug u, Jongeling! ten dag van uw jeugd!
geen ouderlijk gemoed wraakt argeloze vreugd.
Ja, gulle scherts kan vaak de geest weldadig wetten,
gelijk de Lentewind het jonge gras verfrist.
Maar wen u te gelijk op d’ uitgang streng te letten
van ’t hart dat, onbewaakt, zich-zelf zo licht vergist.
’t Hart, o mijn jonge Vriend! dan vroeg gekeerd naar Boven!
Men zoekt zijn Heiland nooit òf te ijvrig òf te vroeg.
Van dat uw moeder u naar ’t heilig doopbad droeg
ontving gij stof en wenk, om biddend Hem te loven.
Wees vrolijk, jongeling! ten dage van uw jeugd.
Maar meng’ zich de ernst dier vraag, beslissend voor het leven:
„wien hoor ik? wie alleen kan mij behoudnis geven?”
bij de u van ganser ziel gegunde levensvreugd.


1843.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

zwaar

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

Zwaar

Voor een lange voermanswagen,
volgeladen met kareel,
wordt een hooggebouwde hengst gespannen
in zijn sterk gareel.

De oude voerknecht trekt geweldig
met de toom en schreeuwt het uit.
't Kloeke beest spant al zijn spieren,
zet zijn poten achteruit;

en het snokt uit al zijn kracht en
witte schuim komt op zijn mond,
maar de wagen roert niet, blijft lijk
vastgenageld aan de grond.

De oude knecht, vol razernije,
grijpt de djakke en met getier
van een duivel, slaat hij rond de
buik van 't machtig dier.

't Peerd schudt waaiend met zijn manen
trekt en snuift en grinnikt, wringt
met zijn poten dat een vuurvonk
uit de harde stenen springt.

En dan rolt de wagen, raatlend
lijk de donder, deur de straat,
wijl de ruwe knecht gedurig
vloekend met de djakke slaat.

Dietsche Warande en Belfort jrg 1906

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

zeeman

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

De jonge zeeman.

'k Ben zeeman; - van echt Hollands bloed,
Heb ik mijn lust in 't varen;
Vindt gij aan wal het leven zoet,
Ik zwalp liefst op de baren,
En, ben ik jong, vaak is de orkaan
Me toch al over 't hoofd gegaan:
Hoezee!

'k Ben zeeman; - hier op 't nuchter strand
Wil 't mij niet lang behagen;
Veel liever hoor ik door het want
De winden buldrend jagen.
Ha, wat een pret, als 't roezig spookt,
De golfslag rolt, de pekel kookt!
Hoezee!

'k Ben zeeman; - onder 't felst geblaas,
Als we over 't water vliegen,
Klim ik getroost in mast en ra's
En laat me er lustig wiegen;
En blies de wind ook feller nog,
Ik hoorde er 't bootsmansfluitje toch:
Hoezee!

'k Ben zeeman; - komt maar weer de bries
De slappe zeilen stijven,
'k Zeg allen dan getroost adies,
Die op het droge blijven;
'k Zeg: Ouders, treurt toch niet om mij,
Ik heb een leven vrij en blij:
Hoezee!

Ha! eerstdaags gaat het weer in zee;
't Land schijnt dan weg te zinken,
En spoedig zie ik van de ree
Slechts 't hoogste duin nog blinken.
'k Roep dan: Adies, mijn vaderland!
Wij zeilen naar 't Javaanse strand:
Hoezee!

Proza en poëzie (1880)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

avondstemming

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Avondstemming.

'k Liep langs de landen zo stil voor mij heen
En aan de hemel reeds d' avondster scheen,
'k Floot zacht een deuntje en ik neurde en ik dacht
Aan het mysterie van nad'rende nacht,....
'k Zag in de verte in een donkere laan
Naar 't stille kerkhof twee minnenden gaan,
Peinzende vroeg ik mij glimlachend af
Waarom de liefde zoekt 't sombere graf....
Uit weide en wegen steeg vochtige damp
Ver over velden blonk licht van een lamp
Goud-gele schijn door de nevelen heen
Uit land'lijk huisje daar vredig en kleen,
'k Voelde de rust van de velden in mij,
D' avond, dat lichtje, zij maakten mij blij,
'k Wist dat mij wachtte in het vriendelijk huis
Ene die 'k minde bij 't lindengeruis....

Onze Eeuw jrg 13 (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

melancholia

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Melancholia.

Toen zong er, zonder zorgen,
Daar in de vroege morgen
- En dat klonk zo jong, zo blij -
Een boer die was aan 't ploegen;
Hij zong voor zijn genoegen
Een klein, oud lied daarbij.

En altijd weer van voren
Af aan trok hij de voren
Tot in de verte van licht,
Met de beide willige paarden
Door de rulle wolkige aarde
Naar het zilverig vergezicht.

En altijd zag ik hem keren
In de prachtige blauwe kleren
Met de sterke gang, en met
De paarden, die hadden beiden
Het ritme, dat ik benijdde
In het rustige van hunne tred.

En ik zag de middag komen:
De donkere loverbomen
Maakten hun schaduwen klein.
De ploegschaar lag te blinken
En de velden lagen te drinken,
Verzwolgen de zonneschijn.

En boven in de kronen
Der bomen leek te wonen
Een doffer en koerde zoet,
Zo als in ons inwendig
De stem des harten bestendig
Klaagt, omdat het bloedt.........

En ik zag de koeien treden
Naar een wetering beneden,
Want de zomerbedding was diep,
En zij stonden parelmoeren-
Blank boven de blauwe vloeren
Die de hemel in 't water schiep.

Maar de zon hield op te zengen,
En ik zag de schaduwen lengen,
Lavend, over het veld:
De lichte zilvergazen
Uit damp van water-wazen
Van de wetering op-geweld.

Het was niet langer stijgen,
Maar dalen; niet zingen, maar zwijgen
Want de schemering kwam aan;
Achter de stille landen
Zag ik de zonne stranden,
Stranden en...... dan vergaan.

Toen riep er bij dat scheiden
Een koekoek of hij zeide
De zon een avondgroet.........
En boven de bomen blonk er
Het helle nachtgeflonker
Van der gesternten gloed.........

uit: Onze Eeuw, jrg 23  (1923 )

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

koehoedster

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

DE KOEHOEDSTER.

De koe die schurkte laag haar kop
de gouden zonne scheen erop
en op het zwart en witte vel
en op de lichtglanzende bel,
die rinkte, die rinkte
zo fijn.

Het dorp was naar de mis gegaan;
het meisje liep maar zoetjes aan
door 't groene pad langs 't korenland
en voerde 't koetje aan haar hand.
Het koetje trad maar lijzig aan
en liet de belle al maar gaan,
die rinkte, die rinkte
zo fijn.

Zo blauw als ver de lucht, omhoog,
was 't jurkje en 't droomwijde oog,
en goud als zon en koren glom
lag 't wilde haar heur hoofde om,
en bruin tot donkerbrons gebrand
was 't rond gezicht en voet en hand.

Het dorp was naar de mis gegaan;
het meiske liep maar zoetjes aan
door 't groene pad langs 't korenland
en voerde 't koetje aan haar hand.
Het koetje trad maar lijzig aan
en liet de belle al maar gaan
die rinkte, die rinkte
zo fijn.

Een bonte vlucht (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

wie

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803

Wie 't Christendom verdrukt

Wie 't Christendom verdrukt, bespot,
Belaagt en ondermijnt, voert oorlog tegen God!
Maar zal Zijn Raad niet breken.
Wat ook de bliksem vell', zij laat die ceder staan.
Zijn loof hange al eens slap; de kruin blijft opwaarts gaan.
De wortel breidt zich uit; de groei duurt onbezweken.

Ik sta op dit geloof gegrond.
Ik weet, wie Jezus is. Die nooit beloften schond,
Zal ook zijn doel niet missen.
Hij is, hij blijft de steun van 't menselijk geslacht;
De rots, waar ‘t smachtend volk een levens-stroom uit wacht,
Die vette beemden schept in zand en wildernissen.

Verblijd u, Christenschaar! Wie keert
Zijn arm, die heil verschaft, en steeds zijn rijk vermeêrt.
De Koning aller volken
Voert, door zijn vijand zelf, zijn plan weldadig uit.
Wie wijs is, zie op Hem, eerbiedig' zijn besluit;
En wachte op zijne komst, in donkerheid en wolken!

schrijver

Geschreven door Dora om 23:27 Reageer op dit bericht

droom

Een gedicht van Rhijnvis Feith

DROOM

Schoon elk hem weerstand bood,
En jammrend van hem vlood,
Hij 's doof voor hun gekerm.
Hij neemt ze in zijne arm,
En brengt ze, rij na rij,
Gestaag aan de overzij.
Maar nauwlijks zijn ze daar,
Of 'k zie de blijdste schaar.
De laatste zucht vervloog;
De zielrust blinkt in 't oog,
De jongling wordt bemind
En is hun beste vrind.

Verbaasd van 't vreemd gezicht,
Wens ik mijzelve licht.
'k Dring tot de jongling door.
Verleen me een poos gehoor.
Wie zijt gij? (sprak mijn wens)
Een engel of een mens?

Hij zucht, en staart mij aan.
Ik zie in 't oog een traan.
Wat vraagt gij naar mijn naam?
Niet dat ik mij hem schaam;
Maar, (ach, hier zonk zijn blik)
Hier wekt hij niets dan schrik;
Maar ginds (zijn oog herrees)
Vervangt verrukking vrees.
Hij zucht nog eens en vlood,
En zegt: “ik ben de dood."

'k Ontwaak met ene gil!
't Is alles om mij stil.
Ik vinde in 't eind mij weer,
Ik zie op 't mensdom neer.
Ik zie al 't foltrend wee.
Een bloed-en tranenzee
Bruist golvend mij voorbij;
Maar 'k zie ook de overzij,
Hare eeuwig groene kust,
Hare ongestoorde rust,
Haar eindeloos verschiet,
Dat niets dan weelde biedt, ---
Dáár juicht mijn hart tot God.
Ik draag gerust mijn lot.
Zijn engel brengt ook mij
Eerlang aan de overzij!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

zonderling

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort

Een zonderling heb ik gekend

Een zonderling heb ik gekend, een vrek,
De echte , lepe, wrede gierigaard,
Zo boos als deze was wel nooit een gek,
Hoe talrijk doe ook zijn mogen op aard.

Hij hokt nog steeds in zijn bedompt vertrek,
Terwijl zijn glimmend oog in het ledig staart,
Zijn ziel gelijkt een oord, dat riekt naar drek,
Want afval is het al, wat hij vergaart.

En buiten, zie de zon, het geurend woud,
De weelde der natuur, gij met uw goud,
Wat baatte het uw ziel, uw lijf, uw huis?

Uw huis valt in elkander vroeg of laat,
Uw lijf verkeert straks in een rottingsstaat,
Was ooit een ziel benard als in die kluis?

Rijmproeven (1937)

Illustratie: een vrek

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

de zaligen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

DE ZALIGEN

De gele rozen lichten langs 't terras.
In diepe stoelen liggen zij te rusten,
de zaligen, die elkaar gelukkig kusten,
de toekomstlozen; heel hun leven was

een dringen naar de voorgeweten uren,
waar alles eensklaps in vergeten is;
't verwaait, nadat het stukgereten is,
hun oud bestaan; en nooit kan iets meer duren

naast dit verzonken zijn, dit niet meer wezen
deze gevaarlijk stille eeuwigheid,
dit weggevaagd zijn en terust geleid,
waaruit zij langzaam, stil en moe verrezen.

De regen, een grijs kraalgordijn, een poos
zacht tikkelend, laat door zijn lauwe kieren
hen 't paradijs nog zien met zijn revieren,
achter de vlammen van de gele roos.

Kaleidoscoop (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:18 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten