warmte
Dichter onbekend
Warmte
Kinderen in het gras slapen
vrouwen op het balkon hangen
wasgoed op nylondraden
Jongens trappen sloom langs de zon
een bal, schieten vaak mis
en eindigen, liggend in het gras
warmteDichter onbekend
Warmte
Kinderen in het gras slapen
vrouwen op het balkon hangen
wasgoed op nylondraden
Jongens trappen sloom langs de zon
een bal, schieten vaak mis
en eindigen, liggend in het gras
zonnebloemleed
Zonnebloemleed
Een zonnebloem in een klein prieel
Stond rillend in de regen,
En dacht bezorgd: 'Mijn stuifmeel
Kan er helemaal niet tegen.
Ach, achter de wolken zou ik stralen
In mijn gele japon.
Want achter de wolken schijnt de zon'
Karel Scholten

zomeravondEen gedicht van Jacob Israël de Haan
Zomeravond
O zomeravond, smachtend neergevlijd
op 't gele veld, in 't Westen goudgetint...
Teerkreunend ruisen van de avondwind,
die langs de vlakte in zware weemoed glijdt...
O melodie uit lang verleden tijd,
waarvan ik zin noch woorden wedervind...
O rust, o stilte, blauwige avonddoom!
Doorzichtig ligt ge op verre velden neer...
Zo schouwt mijn geest de beelden van weleer
door 't wazig scheemren van een weke droom.
't Verleden rimpelt, onbepaald en loom,
- verzonken stad in 't stilgevallen meer.
Verheerlijkt glinstren! onbereikbre trans!
O vloeiend zilverlicht zo hoog verbreid...
De zwoele nacht doortrilt uw majesteit,
de aarde is een matte weerschijn van uw glans;
zacht om mijn slapen vloeit uw stralenkrans;
mijn zwellend harte vult de onmeetlijkheid.
zomerEen kort zomer gedicht schrijver onbekend
Het is zomer
Het is zomer in mijn hart
Het is zomer
De zon schijnt hard
Daar in de hete zomer zon
Zit ik te genieten wanneer ik maar kon
Nu is het winter en zit ik thuis in mijn door de kachel verwarmde huis
hitteEen zomergedicht over de hitte
Hitte
't Staat in 't uutgestrekte Bloite,
's zomers, reuzeldikte, van
gers en groene, verder zelve, of
dat ne minsche kiken kan.
Diepe, in 't diepste van de ruumte,
hangt de julizonne en bit
ip de weideground, dat hi er,
zuuveruut van opensplit.
Noirderwaarts, in 't blouwe van den
hemel, is 't verhitte zand
van de dunen, bezig met te
weemlen lik entwa da' brandt.
Tusschen koeien, die daa' luuzig,
liggen op de nakte ground,
floddert er 'n grouwe bende,
dounkergrouwe spreeuwen round.
En ik zitte, lik versmoird, in
die geruste zee van groen,
bachten 'n geborsten wuulge
- voi de koelte - niets te doen.
Omer Karel de Laey, (1876-1909)
uit: Landelijk leven,
Heideland-Orbis, Hasselt 1997
zomerEen gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
Zomer
Ik zat waar zon op 't warme water scheen
En gele bloemen bloeiden aan de kant;
Het grazend vee ging door de weiden heen,
De zomerlucht hing walmend over 't land.
De wilgen waren zilverbleek en stil
Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij;
Een glazenmaker vloog, met lichtgetril
Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.
De schuwe vissen, in 't koeldonker diep,
Verschoten snel, of stonden lang op wacht,
Waar d'aarde zich, in beeld, nog schoner schiep,
Dromend de zomerdroom van eigen pracht.
En over 't hooiland, waar een wagen stond
Met vers-groen gras te geuren in de zon,
En verder waar het drachtig korenblond
Met brede golving boog ten horizon,
Tot waar een scheem'rend bos zich flauw verhief,
De wereld wegsmolt in der hemelen gloed,
Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief
Uw schone ziel verlangend tegemoet.
gedicht

waterlelieDe waterlelie
Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.
Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...
Frederik van Eeden
Uit: Van de passielooze lelie,
W. Versluys, Amsterdam, 1901
juliJuli en onverdraaglijk herfstig
Juli en onverdraaglijk herfstig
is de lucht. Zoveel bladeren
van het berkje dwarrelen nu al
in de vroegte samen tegen
de stenen traptreden. Hun geel
vergaderen is verontrustend.
Een koude wind om de hoek valt
van het huis, waar ik al bladerend
in mijn geschriften in de ochtend
zit en huiver en mij niet thuis
voel, toch blijf weigeren
naar elders te vluchten.
En mijn hart is moe en het hangt
als een rood blad aan zijn aderen
en zijn grote geruchten zijn
geluwd, zijn in de koude wind
weggeschuwd en het houdt zich klein
en hurkt weg in voorzichtig zuchten.
Elly de Waard
uit: Anderling,
De Harmonie, Amsterdam 1998
tuin
de zomersDe zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip
uit: Au! de rozen bloeien.
Sonnetten van bedreigd geluk.
Bert Bakker 1983
gewetenEen gedicht over geweten, schrijver onbekend
Verbeter je geweten
Vul je ziel met zaligheid
Sacramenten,
vooruitstreven,
Niet slenteren,
maar grote stappen nemen
We hebben een bepaalde tijd
Om de liefde die we kregen,
Te delen met al het levende
Dus heb lief en ontwikkel
Maak een fout en zet het recht
Vergeef jezelf, je bent niet slecht
Maar gewoon een mens
Fouten maken we allemaal
In dit leven vol prikkels
Het is normaal dat je faalt
Je kunt niet denken dat het niks kost
Want de weg van het goede,
is de weg die Jezus nam,
Jezus moest lijden en bloeden
Zijn leven werd geofferd,
als het bloed van een lam
Maar zijn geweten is zuiver
En leeft in ons
Als je daar naar luistert
Weet je zeker dat je verder komt
In dit leven,
vol tegenslagen en moeilijkheden
Ligt het antwoord op alle vragen
In het hart van je geweten
zomergedichtDe zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip
uit: Au! de rozen bloeien.
Sonnetten van bedreigd geluk.
Bert Bakker 1983
gedicht
gevoelEen gedicht over gevoel
gedicht
beetje
Een gedicht van Toon Hermans
sterven doe je niet ineens
maar af en toe een beetje
en alle beetjes die je sterft
't is vreemd, maar die vergeet je
het is je dikwijls ontgaan
je zegt ik ben wat moe
maar op 'n keer ben je aan
je laatste beetje toe


Een kort gedichtje het geeft een zomergezichtje

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927
Ik heb u niet genoeg bemind,
Mijn jonge jaren.
Ik speelde met u, als een kind
Met groene blaren.
Ik wist niet dat in u bestond
Wat ik steeds wachtte
En immer zocht en nimmer vond,
In u verachtte.
Nu ben ik als een die verkreeg
Zonder te weten
Het liefste waar zijn hart toe neeg,
En 't was vergeten.
U die ik niet begrijpen mocht
Vergleden dagen
Gij droeg de schoonheid die ik zocht...
En ik bleef klagen!...
Onze Eeuw, jrg 12 (1912)
deuntje
Een gedicht van P.C. Hooft 1581-1647
Op de wijs: Si c’est pour mon pucellage
Als Jan Sijbrech zou belezen
en haar sprak van liefde an,
zei ze: ‘Ja, maar Janneman,
zou het Reine Liefde wezen,
die gij mij geeft te verstaan?
die…verstaan: Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
‘Reine Liefd’ van d’allerreinste’,
zeid’ hij, ‘Sijbrech, bolle meid!’
‘Wel’, zei zij, ‘dat’s goed bescheid,
’t huw’lijk is op ’t allerheinste,
Jan, ik wil ’t met u bestaan.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
Vijftig builen in twee slagen
smeet hem laatst de boze feeks
met een wakk’re sleutelreeks.
Als hij toen begon te klagen,
zei ze: ‘Jan, wat gaat u aan?
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
Zij heeft een zweep ontboên uit Polen,
die ze bij haar kammen hangt.
Als haar dan een lust bevangt,
zegt ze: ‘Jan, licht op uw zolen,
hippel luchtig, onbelaên.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
Jan bestond zijn wijf te vragen:
‘Was het u al Reine Liefd’?’
Sijbrech zeide: ‘Ja ’t ontdieft!
Daarom moet gij mij verdragen
als ik lust heb wat te slaan.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
‘Wel, verdraag dan ook mijn smijten’,
zeide Jan, en stelde doe
ook een bos met sleutels toe.
En als zij begon te krijten,
kreet hij daar weer tegen aan:
‘Reine Liefd’ kan niet vergaan!’
Wildij Reine Liefd’ doen duren?
Voegt er Reine Liefde bij,
want de Liefd’ aan ene zij
kan in korte tijd verzuren.
Hangt ze beide zijden aan:
Reine Liefde’ kan niet vergaan!
