Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

warmte

Dichter onbekend

Warmte

Kinderen in het gras slapen
vrouwen op het balkon hangen
wasgoed op nylondraden

Jongens trappen sloom langs de zon
een bal, schieten vaak mis
en eindigen, liggend in het gras

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

zonnebloemleed

Zonnebloemleed

 

Een zonnebloem in een klein prieel

Stond rillend in de regen,

En dacht bezorgd: 'Mijn stuifmeel

Kan er helemaal niet tegen.

Ach, achter de wolken zou ik stralen

In mijn  gele japon.

Want achter de wolken schijnt de zon'

 

Karel Scholten

zomer_sunflowerb.jpg

 

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

zomeravond

Een gedicht van Jacob Israël de Haan

Zomeravond


O zomeravond, smachtend neergevlijd
op 't gele veld, in 't Westen goudgetint...
Teerkreunend ruisen van de avondwind,
die langs de vlakte in zware weemoed glijdt...
O melodie uit lang verleden tijd,
waarvan ik zin noch woorden wedervind...

O rust, o stilte, blauwige avonddoom!
Doorzichtig ligt ge op verre velden neer...
Zo schouwt mijn geest de beelden van weleer
door 't wazig scheemren van een weke droom.
't Verleden rimpelt, onbepaald en loom,
- verzonken stad in 't stilgevallen meer.

Verheerlijkt glinstren! onbereikbre trans!
O vloeiend zilverlicht zo hoog verbreid...
De zwoele nacht doortrilt uw majesteit,
de aarde is een matte weerschijn van uw glans;
zacht om mijn slapen vloeit uw stralenkrans;
mijn zwellend harte vult de onmeetlijkheid.

Geschreven door Dora om 21:26 1 reactie Reageer op dit bericht

hitte

Een zomergedicht over de hitte

Hitte

 

't Staat in 't uutgestrekte Bloite,
's zomers, reuzeldikte, van
gers en groene, verder zelve, of
dat ne minsche kiken kan.

Diepe, in 't diepste van de ruumte,
hangt de julizonne en bit
ip de weideground, dat hi er,
zuuveruut van opensplit.

Noirderwaarts, in 't blouwe van den
hemel, is 't verhitte zand
van de dunen, bezig met te
weemlen lik entwa da' brandt.

Tusschen koeien, die daa' luuzig,
liggen op de nakte ground,
floddert er 'n grouwe bende,
dounkergrouwe spreeuwen round.

En ik zitte, lik versmoird, in
die geruste zee van groen,
bachten 'n geborsten wuulge
- voi de koelte - niets te doen.

Omer Karel de Laey, (1876-1909)
uit: Landelijk leven,
Heideland-Orbis, Hasselt 1997

Geschreven door Dora om 19:40 Reageer op dit bericht

zomer

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Zomer


Ik zat waar zon op 't warme water scheen
En gele bloemen bloeiden aan de kant;
Het grazend vee ging door de weiden heen,
De zomerlucht hing walmend over 't land.

De wilgen waren zilverbleek en stil
Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij;
Een glazenmaker vloog, met lichtgetril
Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.

De schuwe vissen, in 't koeldonker diep,
Verschoten snel, of stonden lang op wacht,
Waar d'aarde zich, in beeld, nog schoner schiep,
Dromend de zomerdroom van eigen pracht.

En over 't hooiland, waar een wagen stond
Met vers-groen gras te geuren in de zon,
En verder waar het drachtig korenblond
Met brede golving boog ten horizon,

Tot waar een scheem'rend bos zich flauw verhief,
De wereld wegsmolt in der hemelen gloed,
Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief
Uw schone ziel verlangend tegemoet.

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

gedicht

Een gedicht
De eerste regel is om te beginnen.
De tweede is de elfde van beneden,
De derde is om wat terrein te winnen.
De vierde moet weer rijmen op de tweede.

De vijfde draait u plotseling een loer.
De zesde heeft het twaalftal gehalveerd.
De zevende schijnt zwaar geouwehoer,
De achtste bloedserieus. Of omgekeerd.

De negende vertelt nog eens hetzelfde.
De tiende is misschien een desillusie.
De elfde is niets anders dan de elfde.
De twaalfde is van niets de eindconclusie.

-----------------------------------------
uit: Maagdenburgse halve bollen (1968).

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 1 reactie Reageer op dit bericht

waterlelie

De waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...

Frederik van Eeden
Uit: Van de passielooze lelie,
W. Versluys, Amsterdam, 1901

Witte%20waterlelie%20gd.JPG

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

juli

Juli en onverdraaglijk herfstig

 

Juli en onverdraaglijk herfstig
is de lucht. Zoveel bladeren
van het berkje dwarrelen nu al
in de vroegte samen tegen
de stenen traptreden. Hun geel
vergaderen is verontrustend.

Een koude wind om de hoek valt
van het huis, waar ik al bladerend
in mijn geschriften in de ochtend
zit en huiver en mij niet thuis
voel, toch blijf weigeren
naar elders te vluchten.

En mijn hart is moe en het hangt
als een rood blad aan zijn aderen
en zijn grote geruchten zijn
geluwd, zijn in de koude wind
weggeschuwd en het houdt zich klein
en hurkt weg in voorzichtig zuchten.

Elly de Waard
uit: Anderling,
De Harmonie, Amsterdam 1998

 

Geschreven door Dora om 22:31 1 reactie Reageer op dit bericht

tuin

Tuin Dordrechts museum
Als ik gestorven ben
zal in de tuin van dit museum
boven het warrig bladerengedruis
een merel net zo helder zingen
op net zo'n late voorjaarsdag
En ik, ik zal er niet meer zijn
om door dit zingen te vergeten
dat ik moet sterven mettertijd.
Maar aan de andre kant zal ik
-je weet maar nooit-
veel langer leven dan die vogel
En als ik dan toch onder de zoden lig
dan zal mijn zoon nog eens
een merel net zo horen klinken
op net zo'n late voorjaarsdag.
En hij zal weten wie ik was
en ach, een vogel weet van niets.
Maar aan de andre kant alweer:
als merels aan hun vaders konden denken
wellicht dat ze dan krasten als een raaf.
J. Eijkelboom,
uit: Wat blijft komt nooit terug.
De Arbeiderspers, Amsterdam 1979
 
Geschreven door Dora om 21:20 1 reactie Reageer op dit bericht

de zomers

De zomers

 

Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.

Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.

Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.

Kees Stip
uit: Au! de rozen bloeien.
Sonnetten van bedreigd geluk.
Bert Bakker 1983

Geschreven door Dora om 22:38 1 reactie Reageer op dit bericht

geweten

Een gedicht over geweten, schrijver onbekend

Het hart van je geweten

Verbeter je geweten
Vul je ziel met zaligheid
Sacramenten,
vooruitstreven,
Niet slenteren,
maar grote stappen nemen

We hebben een bepaalde tijd
Om de liefde die we kregen,
Te delen met al het levende
Dus heb lief en ontwikkel
Maak een fout en zet het recht
Vergeef jezelf, je bent niet slecht
Maar gewoon een mens

Fouten maken we allemaal
In dit leven vol prikkels
Het is normaal dat je faalt
Je kunt niet denken dat het niks kost
Want de weg van het goede,
is de weg die Jezus nam,
Jezus moest lijden en bloeden
Zijn leven werd geofferd,
als het bloed van een lam

Maar zijn geweten is zuiver
En leeft in ons
Als je daar naar luistert
Weet je zeker dat je verder komt
In dit leven,
vol tegenslagen en moeilijkheden
Ligt het antwoord op alle vragen
In het hart van je geweten

Geschreven door Dora om 11:48 Reageer op dit bericht

zomergedicht

De zomers

 

Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.

Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.

Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.

Kees Stip
uit: Au! de rozen bloeien.
Sonnetten van bedreigd geluk.
Bert Bakker 1983

Geschreven door Dora om 21:21 Reageer op dit bericht

beetje

Een gedicht van Toon Hermans

telkens een beetje

sterven doe je niet ineens
maar af en toe een beetje
en alle beetjes die je sterft
't is vreemd, maar die vergeet je
het is je dikwijls ontgaan
je zegt ik ben wat moe
maar op 'n keer ben je aan
je laatste beetje toe

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

Een kort gedichtje het geeft een zomergezichtje

Vermaak
 
Met de hitte is er weinig vermaak
Alles is teveel
Vlieg het je naar de keel
Maak dan een lied
en je weet dan
Dat jezelf van alles geniet
Ook al zijn het maar een paar regels
Het is beter dan middenin
de zomer bedolven te worden
onder ijspegels
Geschreven door Dora om 19:43 1 reactie Reageer op dit bericht

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Ik heb u niet genoeg bemind...

Ik heb u niet genoeg bemind,
Mijn jonge jaren.
Ik speelde met u, als een kind
Met groene blaren.

Ik wist niet dat in u bestond
Wat ik steeds wachtte
En immer zocht en nimmer vond,
In u verachtte.

Nu ben ik als een die verkreeg
Zonder te weten
Het liefste waar zijn hart toe neeg,
En 't was vergeten.

U die ik niet begrijpen mocht
Vergleden dagen
Gij droeg de schoonheid die ik zocht...
En ik bleef klagen!...

Onze Eeuw, jrg 12 (1912)

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

deuntje

Een gedicht van P.C. Hooft 1581-1647

Deuntje

Op de wijs: Si c’est pour mon pucellage

Als Jan Sijbrech zou belezen
en haar sprak van liefde an,
zei ze: ‘Ja, maar Janneman,
zou het Reine Liefde wezen,
die gij mij geeft te verstaan?
die…verstaan: Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

‘Reine Liefd’ van d’allerreinste’,
zeid’ hij, ‘Sijbrech, bolle meid!’
‘Wel’, zei zij, ‘dat’s goed bescheid,
’t huw’lijk is op ’t allerheinste,
Jan, ik wil ’t met u bestaan.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

Vijftig builen in twee slagen
smeet hem laatst de boze feeks
met een wakk’re sleutelreeks.
Als hij toen begon te klagen,
zei ze: ‘Jan, wat gaat u aan?
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

Zij heeft een zweep ontboên uit Polen,
die ze bij haar kammen hangt.
Als haar dan een lust bevangt,
zegt ze: ‘Jan, licht op uw zolen,
hippel luchtig, onbelaên.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

Jan bestond zijn wijf te vragen:
‘Was het u al Reine Liefd’?’
Sijbrech zeide: ‘Ja ’t ontdieft!
Daarom moet gij mij verdragen
als ik lust heb wat te slaan.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

‘Wel, verdraag dan ook mijn smijten’,
zeide Jan, en stelde doe
ook een bos met sleutels toe.
En als zij begon te krijten,
kreet hij daar weer tegen aan:
‘Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

Wildij Reine Liefd’ doen duren?
Voegt er Reine Liefde bij,
want de Liefd’ aan ene zij
kan in korte tijd verzuren.
Hangt ze beide zijden aan:
Reine Liefde’ kan niet vergaan!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten