Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

moskee

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

 IN DE MOSKEE.

Ets van Beuer.

Trots op het witte ros, dat buigt gedwee,
Verheft hij zich, de Sultan, met gebaar
Van heerschappij, en angstig deint de schaar
In 't vale schemerlicht van de moskee.

En door de ruimte ruiht een bange beê
Tot hem, de heerser, aan wiens voeten daar
Een mensenhoofd geveld ligt, met gestaar
Van brekende ogen in een macht'loos wee.

De blanke zuilen stijgen stil omhoog,
En bevend droomt het licht in de gewelven,
Neerzind'rend wil 't de mensenzee bedelven.

Twee ranke lampen dalen van de boog,
En werpen witte reinheid om zich henen...
Steeds momm'lend waart alom het doffe stenen.

Ver van 't gewoel (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

ALLEN

Zijn het enkel maar deez' weingen,
Die, de Droom te voet gevallen,
Zich aan zijne aanblik reingen?
Neen, ik voel de gloed in allen.

Als in 't najaar vogelscharen,
Zich verzaamlend voor zij trekken,
Blanker dan het schuim der baren,
Kust en duinenrug bedekken,

Eerst in aarzelend gewemel
Angstig door elkander kringend,
Dan - hun opvlucht naar de hemel,
En de zee het reislied zingend;

Zo staan talloze verlangers
Zuidwaarts naar de trans te turen;
Doch hun stem is niet des zangers,
Dus hun zucht zal ook niet dúren.

Kònden zij het blauw bevolken
Met hun beeldende gezichten,
Tuinen zouden door de wolken,
In een teelt van rozen, lichten;

Ieders ander land ging gloren
In een glans van zomerweders,
En zijzelven, nieuwgeboren,
Zweefden op ontploken veders.

Liefste, ik heb alleen van zeven
't Lied der laatste hoop doen schallen,
Maar één vers blijft ongeschreven:
Het gebed der duizendtallen.

Opvluchten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

najaarslied

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Najaarslied.
Ik ken geen schoner kleuren
Dan die van 't Hollands bos
In bruine najaarsdos;
Ik ken geen zoeter geuren,
Dan die uit droge mos,
Uit geelrode eikenbladeren
En varenkruid dat bloeit,
Mij op het koeltje naderen,
Dat met mijn lokken stoeit.

Ik ken geen schoner zangen
Dan vink en lijster slaakt,
Bij 't morgenlicht ontwaakt,
Eer hen de strikken vangen,
Door al wat zingt gewraakt:
De wildzang uit de twijgen
Met vochtig rag omstrikt,
Dat, als de dampen stijgen,
Met perels blijft bestikt.

Ik ken geen schoner luchten
Dan waar de herfst mee praalt,
Als 't zonlicht nederdaalt
En dorpen en gehuchten
In goud en kleuren maalt.
Dan rijzen blanke rotsen
En donkre bergen op,
Begroeid met ruige bossen,
Verguld aan rand en top.

Dan spelen alle verven
Dooreen met stille pracht,
Tot dat ze, schoon en zacht,
Versmelten en versterven,
En zeggen: ‘Het wordt nacht!
Weer is een dag vervlogen;
Welhaast een jaargetij:
Een jaar gaat voor uwe ogen,
Gelijk een damp voorbij.’

Gedichten III (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

herfst

Herfst


Toornige vreugde doet mij rechtop gaan
dwars door de herfstige plantsoenen
waar in het nat verwilderd gras
rillend naast de zwarte plas
een troep verregende kalkoenen
verworpen, onheilspellend staat.

De wind schuift in de glazen wolken
lichtende wakken hemel open
en wervelt glinsterende kolken
omhoog uit gele bladerhopen.
Als gevallen englen hokken
door geen zon meer te verzoenen
in een somber dreigend mokken
daar mijn broeders de kalkoenen.

Maria Vasalis,
uit parken en woestijnen

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

dingen

Een gedicht van V. de Meyere 1873-1938

Er schuilt in al de dingen, die ik zing

Er schuilt in al de dingen, die ik zing
zo'n wondre zin die weinigen beseffen
zullen, in hun stil-leven dat zó effen
henenvloeit, zonder droom noch mijmering.

0, zangen van mijn Ziel! ik zeg mijn leven
rein uit in uwe gelukzaligheid,
omdat elk lied, altoos een nieuwer streven,
een breder Passie om mijn slapen leit.

Uw zoet geluid, dat om mij heen komt spelen
met balsemklanken, die mijn oren strelen,
't ruist al de jeugdge schoonheid van mijn hert!

Groot is uw doel, mijn zang : Een jeugd van weelde,-
maar ook van smart, - 't herscheppen met die beelden
die mij omruisten sinds ik Dichter werd!

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

sibylla

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Sibylla

Sibylla, aangebeden kind -
zoo wispelturig als de wind -
die louter zielenvreugde vindt
met herten doen te smachten,
die gij door uwe schoonheid blindt
en aan uw zegekarre bindt,
terwijl ge toch geen een bemint,
hoe zij naar u ook trachten.

Is ‘t niet uw blauwig ogenpaar,
uw blond gestruiveld fulpenhaar,
uw stem, als ene harp zo klaar,
die ieders ziele vangen?
ik weet niet, maar ik word gewaar,
en waar ik ben, en waar ik vaar,
dat ik toch altoos, altoos naar
uw liefde blijf verlangen.

Eens, 't was in 't schone jaargetij,
ging ik zo zalig naars uw zij;
uw beeld versmolt zich gans in mij:
Ik wou u min betonen!
Gij lachtet, hiet het gekkernij,
doch waart zo goedgezind en vrij,
om mijne liefde, uit medelij,
met gene spot te lonen.

Bevallig meisje, is ‘t mijn schuld,
dat steeds mijn hert, met u vervuld,
geen ander beeld dan ‘t uwe duldt?
O, 'k heb het God gezworen:
Dat ik, waar ge u ook wenden zult,
hoe ge  uw englenneusken krult,
u volgen zal met mijne huld',
al moest ik gaan verloren!

Sibylla, godgewijde meid,
eens daagt de hemelse eeuwigheid
voor allen die, in zedigheid,
met ‘t hert vol liefde leven!
O, als uw ziel van ‘t lichaam scheidt,
moog dan in ‘t licht, dat zij verspreidt,
mijn geest, vol vuurge tederheid,
lofzingend, juichend zweven!

Gedichten (1861 - 1863)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:05 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhof 1898-1936

Novalis

Hij wist met kalme angst hoe alles moest
Leven. Voortleven, zalig of verdoemd.
Niets wordt vernietigd, spoorloos verwoest:
Een geur, een toon die in de stilte zoemt,

Iets blijft, hoe ook verijld, versteend, verbloemd,
Leven moet alles tot in eeuwigheid.
Geen sluimering, geen min, geen dood verzoent
De kruistocht redeloos door ruimte en tijd.

De doden rusten niet, gezweept tot feesten
Waarin zij ijdel trachten te bezwijmen
Tot redding uit de onduldbare geheimen.

En ieder zwervling is omzwermd door geesten;
Nooit worden wij eenzaam en nooit met rust
gelaten aan een beek, een graf, een kust.

Erts (1927)

Illustratie: Novalis (1772 - 1801)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

beek

Een gedicht van Elisabeth Maria Post 1755-1812

Aan een beek

Lief beekje dat daar kronkelt,
En zachtjes murm’lend vloeit,
Zo aangenaam verdonkerd
Door ’t lommer dat hier groeit!
Ik zet mij onder de eiken
Op ’t zwellend oevermos,
Geen zorg kan mij bereiken
Hier in dit zalig bos.

Ik zie door 't windj' u strelen,
Het krult uw oppervlak,
'k Hoor 't in de takjes spelen
Van ’t groene schomm’lend dak.
Een vogel schommelt mede,
Zingt onderwijl zijn lied,
’t Is of hij, wel te vrede,
Zijn beeld in 't water ziet.

Hoe geuren Eik en Berken!
Wat is 't hier koel en fris!
Hier voelt zich 't hert versterken
Dat mat en dorstig is.
Hoe lavend is dit water!
- ô Welk een teug! - Het leeft!
Men hoort van ver 't geklater
Der bron, die 't leven geeft.

Hoor! welk een statig ruisen
Van waterval bij val,
Fontein en springbron bruisen;
ô Welk een zalig dal!
Hoe rijk in koele stromen,
Hoe eenzaam en hoe stil,
Of niets het lied van bomen
En water storen wil.

Verhit, en moe van ’t dwalen,
En schier van dorst verstikt,
Kwam ik hier adem halen
En werd geheel verkwikt;
Mijn liefde en eerbied groeien
Voor U, ô God! wiens hand
Die beekjes zo doet vloeien
Door dit gelukkig land.

Leid, waterrijke streken,
Leid, koel beschaduwd oord,
Mij tot de volle beken
Van Jesus' liefde voort.
Daar ’s lafenis en krachten
Voor ’t hart dat Gode leeft;                           
Dat dorstig moet versmachten
Bij al wat de aarde geeft.

Ontwaakte zang-lust (1807)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

nagedachtenis

Ter nagedachtenis aan Joost Zwagerman

Veel

 

Het werd teveel

Je hebt je deel

En je kijkt scheel

Scheel van ellende

Zou het ooit nog wenden

Mensen tegenspreken

Mensen die het niet zien zitten

En zelf was hij alleen

Ondanks alle gaven die hij bezat

Een man ging heen

Helemaal alleen!

 

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

De Schone Herfst

Naar deze herfst had ik ontroerd gewacht
Als naar een nacht van zwoel-doorgeurde dromen:
Naar 't koele licht en naar de gouden bomen
In grauwe nevel langs de smalle gracht.

De dagen waren vreemd van vege pracht,
Een felle gloed scheen alles te doorstromen:
De bloemen baarden huivrend-zoete aromen
En wrede kleuren, bont en brandend-zacht.

En als ik trad onder het droeve woeden
Van stilte en weelde en lust de dood gewijd
Voelde ik een beven door mijn leden spoeden,

Maar ook, diep in mijn ziel die bang-verblijd
De rijkdom dronk, het mateloze bloeden
Van schrijnende angst en hete onzekerheid.

De Beweging, jaargang 12 (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

spel en ernst

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Spel en ernst.
O wij lopen in onz' gebondenheid,
Met onze illusie van vrij-wils-bestaan,
Hoog en onkrenkbaar 't leven gadeslaan,
En hij die de gebondenheid altijd

Voelt, maar dat leed alleen zichzelf belijdt,
Speelt zijn illusie koel en wèl-berâen,
Meesterlijk, met de vreugd van 't wel-gedaan
Komedianten met zijn menslijkheid.

Maar wie, d'illusiedronknen, altijd weer
Dromend, vergeten dat ze illusie is,
Dat zijn de Vrijen, wie hun spel zo zeer
Ernst is dat het onsterflijke errenst is.

En uit het Leven dat de Illusie wil,
Stroomt hun oneindge Kracht, oneindge Wil.

Tweemaandelijksch Tijdschrift. Jaargang 1 (1894-1895)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

maak

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Maak pompen van kanons

Maak pompen van kanons
    en speiten van geweren,
    al 't vechten is voorbij,
    't is vrede weere in 't land.

Kleengedichtjes (1872)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

uitvaart

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Uitvaart.
Wij dragen hem uit: zijn tijd is daar.
Breng aàn uw kransen
Van schone gedachten
En daden; laat glansen
Wat ge onder hem wrocht als hulde op zijn baar;
Zacht roeme
Uw mond zijne weldaân; elk woord zij een bloeme
Voor 't dode Jaar.

De middernacht laat hoog in de lucht
Zijn sterren branden
Bij de uitvaart des doden;
Onzichtbre handen
Breidden zacht het sneeuwen dodenkleed uit.
Heur leden
Gehuld in de rouwwade, sussen de steden
Haar wielgerucht.

Vreze des doods de aarde overspreidt..
Voor ene seconde
Neigt zich in rouwe
Alles in 't ronde,
Voelt naadren 't Onzegbre, Groot-stille Nacht,
Verborgen
In schaduw der heemlen, een nacht - zonder morgen? -
Huivrend verbeid.

Treê zacht tot de baar. Waar blijft uw groet?
Stom zijn uw lippen
En ledig uw handen!
Geen trane' ontglippen
Uw ogen. Verbitt'ring daarbinnen woedt,
Doet sterven
Lichtblijde erinn'ring in de vlamrode verven
Van hare gloed!

Gij mort, gij lijdt? Van uw lippen laat
Dan vallen uw klagen,
Nog eenmaal ontboezem
Uw hart zijn vragen....

Maar - stel u ootmoedig voor 't dode jaar;
Hef stille
De tere balans van uw eigen wille
Tot goed en kwaad.

Nu vlij met ons de dode neer
In 't stil Verleden.
...Een deel van uw leven
Met hem is vergleden!
Zaagt gij er vele gaan? Wacht gij er meer?
Vol weemoed
Herdenk! - En dek zacht en in deemoed
't Graf van 't Weleer.

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:57 Reageer op dit bericht

sterven

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Sterven. IV.
Toen Z ij n e stem, wellend uit diepe nacht ...
Lichtend gelaat zag 'k over mij gebogen;
Ik staarde in kalme, vriendlijk blikkende ogen:
‘Kom met mij,’ wenkten oog en lippen zacht.

Mijn Gids had vleuglen, en op vleuglen vlogen
Wij de aarde langs, die droomrig, dauwbevracht,
Opglansde een wijl. Dan hoger, tot in pracht
De sterrenzeeën om ons voortbewogen.


En de aarde glipte weg, een donkre kogel,
In 't wazig-diepe blauw der holle luchten ....


‘Ik heb geen vleuglen,’ kreet ik en ik sloot
Mij vast aan Hem, die voortzweefde als een vogel.


‘Eens breng ik ze u. Zult gij dan 't volgen duchten?’
En opziend, kende ik wie daar sprak: de D o o d.

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:29 Reageer op dit bericht

sterven

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Sterven. III.

. . . . . . . . . . . . . .
Zoals de golven gaan en komen,
Komen en gaan,
Den schoot van heur moeder, de zee, ontnomen
Levenbelaân;

Zoals de bloemenkindren komen,
Bloeien en gaan,
De schoot van heur moeder, de aarde, ontnomen
Levenbelaân;

Zoals de starren gaan en komen,
Schittren en gaan,
De schoot van heur moeder, 't heelal, ontnomen
Levenbelaân;

Zo zal de zielenvonk, ontnomen
Levenbelaân,
Aan de W e r e l d z i e l, het Godslicht, komen,

Groeien en gaan,
Gloren en deinzen, deinzen en gloren,
Door schijnbre dood heen nieuw geboren,
Tot nieuwe sfeer en nieuw bestaan,
Totdat zij àlles zal verstaan,
En eeuwig 't Licht zal toebehoren:
De ziele, licht uit Licht geboren,
Kan niet vergaan, kan niet vergaan ....
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Zó, door 't G e m i s, suisden stemmen aan.

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:57 Reageer op dit bericht

sterven

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Sterven. II.
De nacht is donker. - Buiten hoor
Ik Z ij n e schreden gaan;
‘t Is of zij pozen… Of zij voor
Mijn drempel blijven staan.

Blijven zij pozen? ... ‘t Is of mijn hart
Stiller en stiller slaat;
Of mij een grote, rauwe smart
Plotsling te wachten staat.

De deur is dicht. Mijn lamp brandt hel,
En weert de donkere nacht.
Ik hoor Zijn stille roepen wel:
‘t Is of hij op antwoord wacht.

Ik hoor Zijn stille roepen wel…
Het licht dooft om mij heen,
In mijne haard het vlammenspel…
Al wat mij leven scheen.

Ik vouw in vrees de handen saam.
‘t Roepen lijkt zo nabij!
Iets sloop naar binnen door deur en raam,
Buigt ongezien over mij.

Iets vat mijn handen in loden vuist.
Mijn adem stokt… Genâ!
‘t Is of de zee door het duister bruist,
Een zee, waarin ik verga.

In brede baren van duisternis
Sluit over mij de zee,
In een afgrond van geheimenis
Slip ik geluidloos mee.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

sterven

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Sterven. I.
't Is het Leven dat henengaat,
Stadig, stil,
Als zoveel dat altijd verder gaat
En toch niet heengaan wil;

Als elke tik van de klok, die uur
Nà uur slaat,
En nieuwe voortdringt, en ze één voor één,
Eén voor één sterven laat;

Als elke vonk in de vlammende haard,
Vuur een poos,
Door 't vuur geboren, door 't vuur verjaagd
En geblust voor altoos.

Als elke klop van 't harte, warm
Leven-doortrild,
Dat met elke klop toch een levensdrop,
Een dropke levens spilt....

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:22 Reageer op dit bericht

buddléia

Buddléia
 
Wat weten vlinders van augustus?
De buddléia bloeit, ze nemen het
ervan. Je dochter kan dat eigenlijk
niet aan, zo ijl, zo flinterdun
haar jurk. Je bent haar vader maar
kunt kijken als een man. Waar eindigen
haar poten? Hoge zomen vangen wind,
de zomer raakt nu op zijn bangst.
Ze fladdert weg, je kijkt haar na zoals
de vriend die laatst iets ongelukkigs
zei toen zij op haar fiets passeerde.
Later als het licht de middag heet
en scherp maakt bij de sloot aan gene
zijde jaagt een man bij de buddléia 's.

Victor Vroomkoning
uit: Oud zeer,
Manteau, Antwerpen/Amsterdam 1993

Geschreven door Dora om 22:34 Reageer op dit bericht

Tuin

Een gedicht van Ida Gerhardt

Tuin van Epicurus

(voor de vrienden)

Gij die in eenvoud wilt tezamenhoren,
de tiende jaarkring sloot om onze dis,-
waar vriendschap open als het zonlicht is
werd ons een ongepeild geluk beschoren.

In arbeid werd der uren goud ontgonnen;
de volle rijkdom van het eigen ik
vindt ieder terug, gespiegeld in de blik
van wie aan hèm zijn klaarte heeft gewonnen.

Zie naar het licht-hoe kleurt het mild en stil
ons samenzijn. Wat grenzen zijn gesteld
aan wie het nodige slechts nemen wil?

Nog ongeweten wegen zult gij gaan.
Vriendschap-gij hebt haar reinigend geweld
alreeds beseft. Zo weet: zij ving pas aan.

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

korenhalmen

Een gedicht van Ilse Steel

Korenhalmen

Roerloos bij zoveel schoonheid
een droom gelijk
staat de wereld even stil
De wuivende korenhalmen
ragfijn gepenseeld
lijken mij dichterbij te wenken
de vogels nog niet uitgespeeld
stijgen in de strakblauwe lucht
De roodgouden gloed
van de ondergaande zon
straalt een bekoring uit die
ik ademloos onderga
bodemloos is mijn geluk
 

 zomergraan.jpg

 

Geschreven door Dora om 20:02 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten