maak

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
Maak pompen van kanons
en speiten van geweren,
al 't vechten is voorbij,
't is vrede weere in 't land.
Kleengedichtjes (1872)

maak
Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
Maak pompen van kanons

uitvaart
Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

sterven
Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

sterven
Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914
Sterven. III.
. . . . . . . . . . . . . .
Zoals de golven gaan en komen,
Komen en gaan,
Den schoot van heur moeder, de zee, ontnomen
Levenbelaân;
Zoals de bloemenkindren komen,
Bloeien en gaan,
De schoot van heur moeder, de aarde, ontnomen
Levenbelaân;
Zoals de starren gaan en komen,
Schittren en gaan,
De schoot van heur moeder, 't heelal, ontnomen
Levenbelaân;
Zo zal de zielenvonk, ontnomen
Levenbelaân,
Aan de W e r e l d z i e l, het Godslicht, komen,
Groeien en gaan,
Gloren en deinzen, deinzen en gloren,
Door schijnbre dood heen nieuw geboren,
Tot nieuwe sfeer en nieuw bestaan,
Totdat zij àlles zal verstaan,
En eeuwig 't Licht zal toebehoren:
De ziele, licht uit Licht geboren,
Kan niet vergaan, kan niet vergaan ....
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Zó, door 't G e m i s, suisden stemmen aan.
Serena (1898)

sterven
Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

sterven
Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

buddléia
TuinEen gedicht van Ida Gerhardt
Tuin van Epicurus
(voor de vrienden)
Gij die in eenvoud wilt tezamenhoren,
de tiende jaarkring sloot om onze dis,-
waar vriendschap open als het zonlicht is
werd ons een ongepeild geluk beschoren.
In arbeid werd der uren goud ontgonnen;
de volle rijkdom van het eigen ik
vindt ieder terug, gespiegeld in de blik
van wie aan hèm zijn klaarte heeft gewonnen.
Zie naar het licht-hoe kleurt het mild en stil
ons samenzijn. Wat grenzen zijn gesteld
aan wie het nodige slechts nemen wil?
Nog ongeweten wegen zult gij gaan.
Vriendschap-gij hebt haar reinigend geweld
alreeds beseft. Zo weet: zij ving pas aan.
korenhalmen
Een gedicht van Ilse Steel
Korenhalmen

warmteDichter onbekend
Warmte
Kinderen in het gras slapen
vrouwen op het balkon hangen
wasgoed op nylondraden
Jongens trappen sloom langs de zon
een bal, schieten vaak mis
en eindigen, liggend in het gras
zonnebloemleed
Zonnebloemleed
Een zonnebloem in een klein prieel
Stond rillend in de regen,
En dacht bezorgd: 'Mijn stuifmeel
Kan er helemaal niet tegen.
Ach, achter de wolken zou ik stralen
In mijn gele japon.
Want achter de wolken schijnt de zon'
Karel Scholten

zomeravondEen gedicht van Jacob Israël de Haan
Zomeravond
O zomeravond, smachtend neergevlijd
op 't gele veld, in 't Westen goudgetint...
Teerkreunend ruisen van de avondwind,
die langs de vlakte in zware weemoed glijdt...
O melodie uit lang verleden tijd,
waarvan ik zin noch woorden wedervind...
O rust, o stilte, blauwige avonddoom!
Doorzichtig ligt ge op verre velden neer...
Zo schouwt mijn geest de beelden van weleer
door 't wazig scheemren van een weke droom.
't Verleden rimpelt, onbepaald en loom,
- verzonken stad in 't stilgevallen meer.
Verheerlijkt glinstren! onbereikbre trans!
O vloeiend zilverlicht zo hoog verbreid...
De zwoele nacht doortrilt uw majesteit,
de aarde is een matte weerschijn van uw glans;
zacht om mijn slapen vloeit uw stralenkrans;
mijn zwellend harte vult de onmeetlijkheid.
zomerEen kort zomer gedicht schrijver onbekend
Het is zomer
Het is zomer in mijn hart
Het is zomer
De zon schijnt hard
Daar in de hete zomer zon
Zit ik te genieten wanneer ik maar kon
Nu is het winter en zit ik thuis in mijn door de kachel verwarmde huis
hitteEen zomergedicht over de hitte
Hitte
't Staat in 't uutgestrekte Bloite,
's zomers, reuzeldikte, van
gers en groene, verder zelve, of
dat ne minsche kiken kan.
Diepe, in 't diepste van de ruumte,
hangt de julizonne en bit
ip de weideground, dat hi er,
zuuveruut van opensplit.
Noirderwaarts, in 't blouwe van den
hemel, is 't verhitte zand
van de dunen, bezig met te
weemlen lik entwa da' brandt.
Tusschen koeien, die daa' luuzig,
liggen op de nakte ground,
floddert er 'n grouwe bende,
dounkergrouwe spreeuwen round.
En ik zitte, lik versmoird, in
die geruste zee van groen,
bachten 'n geborsten wuulge
- voi de koelte - niets te doen.
Omer Karel de Laey, (1876-1909)
uit: Landelijk leven,
Heideland-Orbis, Hasselt 1997
zomerEen gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
Zomer
Ik zat waar zon op 't warme water scheen
En gele bloemen bloeiden aan de kant;
Het grazend vee ging door de weiden heen,
De zomerlucht hing walmend over 't land.
De wilgen waren zilverbleek en stil
Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij;
Een glazenmaker vloog, met lichtgetril
Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.
De schuwe vissen, in 't koeldonker diep,
Verschoten snel, of stonden lang op wacht,
Waar d'aarde zich, in beeld, nog schoner schiep,
Dromend de zomerdroom van eigen pracht.
En over 't hooiland, waar een wagen stond
Met vers-groen gras te geuren in de zon,
En verder waar het drachtig korenblond
Met brede golving boog ten horizon,
Tot waar een scheem'rend bos zich flauw verhief,
De wereld wegsmolt in der hemelen gloed,
Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief
Uw schone ziel verlangend tegemoet.
gedicht

waterlelieDe waterlelie
Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.
Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...
Frederik van Eeden
Uit: Van de passielooze lelie,
W. Versluys, Amsterdam, 1901
juliJuli en onverdraaglijk herfstig
Juli en onverdraaglijk herfstig
is de lucht. Zoveel bladeren
van het berkje dwarrelen nu al
in de vroegte samen tegen
de stenen traptreden. Hun geel
vergaderen is verontrustend.
Een koude wind om de hoek valt
van het huis, waar ik al bladerend
in mijn geschriften in de ochtend
zit en huiver en mij niet thuis
voel, toch blijf weigeren
naar elders te vluchten.
En mijn hart is moe en het hangt
als een rood blad aan zijn aderen
en zijn grote geruchten zijn
geluwd, zijn in de koude wind
weggeschuwd en het houdt zich klein
en hurkt weg in voorzichtig zuchten.
Elly de Waard
uit: Anderling,
De Harmonie, Amsterdam 1998
tuin
de zomersDe zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip
uit: Au! de rozen bloeien.
Sonnetten van bedreigd geluk.
Bert Bakker 1983