Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

heimwee

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

 

HEIMWEE

O paradijs, o bomen,
Begeerlijk voor 't gezicht,
Kringloop van heilge stromen,
Dag van ondoofbaar licht,

Niet slechts in 't Boek der Smarte
Van 't oude testament,
Maar in dit innigst harte
Waart ge eens door mij gekend.

Ook ík moest eenmaal eten
Van de verboden vrucht,
Ook ik heb neergezeten In
doodsheid en gezucht;

Maar nu niet meer. Mijn tranen
Hebben de storm bedaard;
Vaak is 't, of door de lanen
Een geur van rozen waart.

Ik hoop weer. Als de weiden
Fonklen van morgenschijn,
Denk ik in vroom verbeiden:
Hier zal mijn zomer zijn.

Soms beeft mijn voet bij 't treden
Over de vlonderplank;
Het water daar beneden
Gaf zulk een wondre klank;

En aarzlend, waar twee wegen
Zich delen tot een kruis,
Bid ik mijn God om zegen,
Want één voert vast naar huis.

Ach, weergevonden vrede,
Uit een diep leed gegroeid,
Geef, dat de hof van Eden
In deze streek herbloeit.

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:38 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

bliksemvuur

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

HET BLIKSEMVUUR

Omdat uw huis niet op de weg van de bliksem lag
Maar juist daaraan, schrikt ge op en stierft gij niet.
Dit zijn de verborgen wegen, de heerbanen van 't hemels vuur
Waaraan wij spelen, sluimren, omstrenglen elkander, ontwaken.

Wat ware mij 't leven als het niet z6 was : dreiging en duisternis,
Gloed en angstwekkend geratel en daar ikzelf in,
Dromend en peinzend, sluimrend en liefde bedrijvend,
Zittend met wijd-open ogen in 't ontzettendste ogenblik,       
Op de rand van het bed, d'arm om de hals der geliefde.

Eén ding schoner: de Dood als hij gulden aankwam,
Staaf van gesmolten goud die ons beiden saamklonk
Onwetend slapende op de weg van die Machtigste.

Het levensfeest  (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Sebald Rau 1801-1887

 

Aan Sarbiewski

Dat vrij der vorsten naam, door slavenhand
In rotsen uitgehouwen, praal!
Dat standbeeld en altaar, hun razernij,
Het bevend mensdom leer'!
De tijd schuurt hunne naam van 't outer af;
De mensheid trekt de voet terug,
Wen zij een beeld in 't dreigend wezen trapt,
En gilt: hier ligt een Vorst!
Veel eedler is uw lot, o gij! wiens naam
Mijn staam'lend lied eerbiedig noemt,
Die naam, die door uw lied vereeuwigd blinkt
En leeft en leven doet.

Sarbiewski! ja! 't gedenkstuk dat ge u zelf,
En met u zelf, uwe eeuw, uw volk,
Hebt opgericht, staat vaster dan arduin
En vreest geen ondergang.
't Bewondrend oog ontvalt een eed'le traan,
Uw lied ontvonkte 't eerst mijn vuur! -
Nu gloeit dit vuur in 't grootser kloppend hart
Voor U, en 't geen gij zingt. -
Gelijk het land, door hete dorst gescheurd,
Wen 't zeeg'nend oog des Eeuw'gen wenkt,
De regen drinkt, terwijl de dankbaarheid
In rozengeuren stijgt:
Zo leefde 't eerst door u mijn dorre ziel. -
Ik dronk verrukt die wellust in!...
En 't leven dreunde mij door de aad'ren toe:
‘Gij zijt onsterfelijk!...’
Omhoog, mijn ziel!... gij zijt onsterfelijk!
Omhoog nu gij Sarbiewski zingt! -
Sarbiewski! Ja wanneer ik u betracht,
Is alles ziel in mij.
Wanneer uw lied, door Engelen benijd,
Ter eer des Eeuwgen horen doet
Hoe pool aan pool door 's donders stem geschud,
Zijn naam al bevend noemt,
Dan beve ik. Maar als gij in kalmte God
Ook dan als uwe vader maalt,
Dan wage ik het, en sla 't gelaten oog
In 't dodend aangezicht. -

Gij zingt, hoe God in 't ongenaakbaar licht
Der stervelingen lot bestuurt,
Hoe eeuwge wijsheid, bij onperkbre macht,
Onpeilb're goedheid paart.
Gij toont mijn ziel, 't verzadigend geluk
Door 't treurig floers des levens heen,
Gij ziet van verre op 't rusteloos gewoel
Des dwaze sterflings neer.
Zo ziet de top van grijzen Carpates,
Wen 't eeuwig ijs de morgen voelt,
Met woeste grootheid op der volken nacht
In volle middag neer.
Maar als uw lied, in englenharmonie,
Gods eeuwge mensenliefde zing,
En d'eeuwge bron der liefde, Jezus, zingt
Door Jezus zelf bezield.
Dan gloeit, dan leeft in mij het edelst vuur,
Aanbiddend sla 'k met u een oog
Op hem. Ik voel de weerschijn van die gloed,
Ik voel de onsterflijkheid!
Als dan uw ziel, met meer dan Seraphs vlucht,
Ver boven 't scheemrend licht der zon,
In d' oceaan der Godheid zich verliest,
Wie volgt... wie zingt u dan?
Ge ontvliedt me!... Neen, gij keert op aard terug,
Allengskens nader toont zij u,
Hoe volk bij volk door 't oorlog ligt verwoest
Of door de vrede bloeit.
Dan drukt u de eer des vaderlands op 't hart;
Hoe gloei ik als uw lied de Pool
Te wapen roept, en op onsterflijke eer
Door dood en bliksems wijst.
Gelijk de Vistula en rots en bos
Terneergedonderd met zich voert,
En springt omhoog in schuimende triomf,
Van bergen toegejuicht:
Zoo voer me uw lied op 't bloedig oorlogsveld,
Verrukking geeft mijn vuist de dolk;
'k Hoor niets dan u, bij 't dondren van 't geschut,
En ben onsterfelijk!-
Had zo uw lied geklonken, toen de wraak,
In 't land, door God weleer betreên,
Barbaren, en met hen, verwoesting, nacht,
En eeuwge naarheid zond;
De heilige as van Isrels grootste Vorst,
Zo groots bezongen in uw lied,
Was nooit, ontbloot van helden tegenweer,
Door trotse voet vertrapt.
Hoe blakend vloog zijn ziel u te gemoet
Toen uwe ziel deze aard verliet;
Gij wierd zijn vriend, daar waar Orion blinkt,
Met werelden omgord.-

Toen rustte op u der Serafijnen oog;
De harp van 's hemels Vorsten zweeg,
Tienduizend aan tienduizend zwaaiden u
Des hemels palmen toe.
Ook zij, wie God, in 't sterflijk stof gehuld,
het eerst een zaalgend lachje schonk,
Zag u, en sloeg, door u te hoog verheft,
De onsterflijke ogen neer -
En bloosde, als toen de bloem van 's hemels jeugd,
Op eeuwge onschuld godlijk trots,
Het zaligst woord haar horen liet, dat ooit
Een sterfling blozen deed. -

Verheven ziel! kan 't zijn, hebt gij ook daar
Bewustheid van dees zang, dit hart?...
Sla dan het oog op mij! beziel mijn geest
En leer mij uwe toon! -
Zo zal dees hand, die door uw zang, het eerst,
Nog zwak, 't beschreide speeltuig sloeg,
Ook dan, als 't oog niet schreien kan, voor u
Nog beven op de lier. -

----------------------------------------------

Sarbiewski - een beroemd Pools Odendichter van Latijnse verzen (1595-1640).
Carpathes - het Karpathische gebergte.
Vistula - de rivier de Weichsel

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

volk

Een gedicht van Cornelis Loots 1765-1834

Waar rees 't eenvoudigst volk door eigen kracht zo hoog

Waar rees 't eenvoudigst volk door eigen kracht zo hoog,
En streefde uit laag moeras tot aan de sterrenboog?
Waar bracht een zwakke hoop van ruwe vissersknapen,
Gewoon in de open boot op 't hobblig vocht te slapen,
Met gene schat, dan met zijn want en vangst bekend,
En aan geen tooi, dan die der ruwe pij, gewend,
Waar bracht die 't ooit zo ver, dat zwijgend onder 't lijden,
En nimmer afgerecht op ridderlijke strijden,
Al 't rijk bezit van hem die hunne vrede schond,
Hem viel uit de ijz'ren klauw en 't deel werd van hun grond,
Dat fijn gesteent' en goud eens aan hun hals mocht pralen,
En purper golfde en zijde in hun gewelfde zalen?
Waar was dit anders dan in Hollands klein gewest,
Zodra de Handel God zijn troon daar had gevest?
Daar wies de welvaart zelfs bij 't klinken der trompetten,
En 't goud blonk schitt'rend op der krijgeren helmetten,
Ja, uit de grond, doorweekt van Spaans en Neêrlands
Verrees op eenmaal de oogst van 's werelds overvloed:
Geen zee was toen bekend, waar Hollands vloot niet zeilde,
Geen wateren zo hol, die niet haar dieplood peilde,
Geen oord, waar 't harnas op haar munt niet was aanschouwd,
Of hare trouw beproefd, nog zuiv'rer dan hun goud.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:23 Reageer op dit bericht

oorlog

Een gedicht van Lodewijk van Deyssel 1864-1952

  

Oorlogsbegin

Een blanke hemel welft zich over 't land,
Waar stoere boeren van de arbeid keren
En knapen zingend lopen hand aan hand.

Vast in de vrede, die geen angst kon deren,

Verdonkren de gezichten, die zich keren
Van waar de zon nog flauw in 't Westen brandt
Achter het hoge bergkam-woud, als speren
En bajonetten, dreigend zwart, geplant.

Nu denken die rouw-donkrë aangezichten
Om 't zacht verlichte raam in verre laan,
Om d'avondspijs, zo vrolijk aangebracht...

Tot bij de dalbocht plots uit vlakte-nacht,
Waar, als bouwvallen, vreemd de huizen staan,
Laaiende purpergloed ze komt verlichten.

De Gids (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

klein

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922

KLEIN EN KLEINST WAARDERING

Welk beeld, welk boek, welk lied,
En wat voor zang, wat wijs,
Ik 't meest geniet,
Ik 't hoogste prijs?

Mij gaat 't dáármee als met bloemen,
Verzameld tot een blij geheel;
Als fraaist van al laat zich geen deel —,
Als fraaist laat zich alleen de volle ruiker roemen.
En niet slechts lelie, roos en tulp
En al wat bloem heet, kwam te hulp
En was van dienst bij kleurenschikking:
Zou deze ook zonder 't stemmig groen
Van mos en blad en spriet voldoen?
Waar weeldegloed verrukt, schenkt eenvouds lach verkwikking.

Niets kan er in de tuil gemist,
Noch iets er uitgelicht zó boeien zonder 't ander;
Meer dan verdragen, mild vervullen doen ze elkander, —
En om geen voorrang wordt getwist.

Levensavond (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:34 Reageer op dit bericht

venster

Een gedicht van Margriet van Essen 1751-1793

Aan het venster, bij maneschijn.

Nacht en stil is 't, om mij heen
Al 't gewoel des daags verdween.
Slechts de lieve maan beschijnt
Mij, door zorgen afgepijnd.

Duizend tranen zijn gestort,
Duizend zorgen afgekort:
En, mij arme, die hier lij,
Is de middernacht zelf blij!

Zachtkens juich ik in mijn deel,
Mij is alles evenveel.
Niets van 't geen het oog bekoort
Is er, dat mijn ruste stoort.

Mag ik maar, vol zuiver vuur,
U, bewondren - o natuur!
Mag ik maar, ootmoedig stil,
Gaan, waar God mij leiden wil!

O wat wens ik mij dan meer?
'k Heb dan al wat ik begeer,
En, zo 'k ooit, door onspoed ween,
'k Zie dan, door dit leven heen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van Anton L. de Rop 1837-1895

In de winter.

Ginds op de heuvel
Onder de beuken,
Dor en ontblaard,
Zit nu de winter;
Wit is zijn kleding,
IJs is zijn baard.

Donzige vlokken
Strooit hij op aker,
landhuis en heg;
Hand doet hij worden
't Water der vlieten,
't Zand van de weg.

Krassende raven
Vliegen in 't ronde,
Bol van de kou;
Nevel en mistdamp
Hullen de velden
Weder in rouw.

Dan vaart de windvlaag
Woest door de takken,
Wild door het hout,
En wat te dor is,
Breekt hij al krakend
Af in het woud.

Maar - dat geeft brandhout
Vrij aan de grijsaard,
Huivrende bloed:
Weer rookt zijn schoorsteen,
Warm wordt zijn hutje -
Dat doet hem goed.

In 't vrije veld (1885) [jeugdliteratuur]

schrijver

Geschreven door Dora om 16:17 Reageer op dit bericht

zwaluw

Een gedicht van Karel Ledeganck 1805-1847

De laatste zwaluw

Oktober strooit, bij wind en vlagen,
De gele blaadren langs de grond;
Reeds koud en huivrig zijn de dagen,
En vliegt gij, Zwaluw! hier nog rond?
o Vlucht, geliefde! vlucht dees streken,
Door al uw zustren reeds ontweken;
Zet u in betere oorden neer,
De lente is hier al lang verdwenen,
De lieve zomer ook is henen,
Hier zijn geen schone dagen meer!

Geliefde, vlucht! geen voedzaam koren
Staat hier meer op het dorre land;
Waar ’t rijk en vruchtbaar was te voren,
Vindt gij thans niets dan stuivend zand;
Geen plekje gronds bleef uitgezonderd,
’t Is alles naakt en bloot geplonderd,
Het woud zelfs schudt zijn hulsel neer.
Blijf in dit oord niet langer zwerven
Of ligt zult ge er aan honger sterven; --
Hier is op ’t veld geen voedsel meer!

Vlieg heen! men vindt hier op den akker
Geen vogel meer die zingen wil,
Niets schijnt er levendig, niets wakker,
Maar alles is er dood en stil
Alleen, op bomen hooggewassen
Zit eenzaam soms een raaf te krassen;
Alleen, bij ’t windrig, buiig weer,
Hoort men van verre een jachtroer knallen,
Of ’t rundvee loeien op de stallen; -
Hier is op ’t veld geen vreugde meer!

Vlucht, lieve! want nog luttel weken,
En dan zal ’t hier zo ijslijk zijn!
Dan maakt de winter deze streken
Zo naar, zo doods als een woestijn.
Dan klemt de vorst met ijzren handen
De stromende rivier in banden;
Dat stort de scherpe hagel neer,
Dan zal de sneeuw natuur bedekken,
En haar tot rouwgewaad verstrekken;
Dan is hier niets dan weedom meer!

Gij hoort wat plagen, welke rampen
Zich hechten aan deez’ ruwe grond;
Hoe alles met de dood zal kampen,
En vliegt gij, Zwaluw! hier nog rond?
o Vlucht, geliefde! vlucht dees streken
Door al uw zustren reeds ontweken;
Zet u in betere oorden neer;
En als de winter is verdreven,
En als de schepping zal herleven,
Breng, lieve! dan de lente ons weer!

Bloemen mijner lente (1839)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

stap

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856

 

De eerste stap.

Op de kruisweg van het leven
Is zo licht een valse tred,
Vrienden, in de grond gezet,
Die er nooit wordt uitgewreven;
Is zo licht een stap gedaan,
Die ons nooit terug laat gaan.

o Wat zijt gij hoog te schatten,
Lesjes, die de wijsheid vond,
Spreukjes in de vadermond,
Waar ik één van op wil vatten;
Spreukje, zo vol eigenschap:
‘Wacht u voor de eerste stap'.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:37 Reageer op dit bericht

de profundis

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

DE PROFUNDIS.

Er is geen hartstocht schoner dan de haat,
de liefde in een brand van vlammen te vernielen,     
zodat in gouden gloor ten onder gaat
de drang en dorst der zielen.

O vrouw, die ik beminde zonder zoet gevlei,
die 'k minde om de nacht, en bij het dagen
met handen die aanbaden heb geslagen,
'k ben ver van U en daarom medelij!

En gij zijt zonder mij en door de straten
doolt gij alleen, die nu de honger weet,
en zo Uw ogen en Uw hart vergaten,
zult gij mij kennen in uw duldloos leed.

De zon, de domme doder van de droom
liet tussen ons te vaak zijn waarheid lichten,     
in wilde wanhoop greep gij naar gedichten
en las, en van Uw haren proefd' ik het aroom.

Te vele nachten, altijd saamgeklonken
in wanhoop die ons drukte als metaal,
te vaak als bann'ling aan de weg gezonken
slechts denkend aan het niet verkregen maal.

Ach, hoeveel dagen lagen onze hoofden,
waarin geen denking zuiver rijpen kon
verzaligd op het kussen dat wij g'loofden
bleek aureool, dat om ons hoofd zich spon.

En thans te ver van U en van Uw veile panden,
de kus van wulpse mond, de gloed van kranke geest,     
de smaadlach van Uw oog en streling van Uw handen,
0 't schaamteloze schoon, dat huivrend is geweest.

Geweest! Maar neen, maar neen, zolang 't begeren
ons hart niet loslaat als zijn lage prooi,
zolang zult gij tot mij, of ik tot u wel keren
zolang ons spel slechts schendend is en mooi.

Er is geen hartstocht schoner dan de haat
die onze liefde slopend zal vernielen
wij moeten verder tot het marmerkil TE LAAT
waar niets blijft dan gebroken nog te knielen.

Parijsche nachten (1923)

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht

een en al

Een gedicht van Alex Gutteling  1884-1910

Een-en-al.

Wat vraagt één ziel van de Aard behalve vrede?
En vrede schenkt zij nooit, slechts strijd en streven,
En kort geluk, gevolgd door snik en beven, -
Zij stoort zich niet aan tranen noch gebeden.

Zij doet haar wil, en strooit haar heerlijkheden,
En werpt haar bliksems, door geen drang gedreven
Dan Macht en Noodlot. Ach, en alle leven
Trekt zij weldra in eeuwge nacht beneden.

En toch, zichzelf bemint ze, en ons, haar kindren,
Kan zij niet haten, - soms verstaan wij, stralen-Omluisterd,
eensklaps haar ontzaglijk Wonder.

't Zien van haar tijdloos wezen doet vermindren
Voor altijd onze vrees, want wat ook dale,
Zij, wij, zijn een-en-al omhoog en onder.

De Beweging (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:04 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Plotselinge dood

De Dood zat in u en ge wist het niet,
Hij scherpte ’t mes al en ge wist het niet –
Gij en uw jonge vrouw, gij schertste en lachte –
Hij mikt naar ’t hart en hij mist het niet.

In de koorts van het kortstondige (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

dorpelwachter

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1864-1926

TOOROP'S SCHILDERIJ: „De Dorpelwachters der Zee".

Verwonderd-rond, zacht-vragend kijkt het kind,
Het zand-blond kind, met de ogen blauw als zee.
En de oudre al wétend Leven; schoon gedwee
Van kleine hoop nog, dat hij toch wel vindt
Voor 't Eind bevrediging. De al'-oudste, 't wee
Van heel een ras in de ogen, staart verblind
Van wanhoop 't Raadsel aan .... waar géén van vindt
Ooit antwoord .... Vragend: waar verdiende ik mee
En allen die daar vóór mij zijn gegaan,
Of komen zullen nog, dit leven-wreed?
---------------------------------------
Met grote ontroering, die ik vreugde heet,
Dank ik de meester, die uit stil bestaan
Ophief en beeldde deze Smarten-ziel,
Belevend dode doek zo 't hem geviel.

Een bundel letterkundige bijdragen (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

wandelaar

Een gedicht van Multatuli 1820-1887

Wandlaar die me hier begraven ziet

II

Wandlaar die me hier begraven ziet,
Als ’t sterven 'n kunst was, dan lag ik hier niet.

Grafschriften voor Thorbecke

Illustratie: Johan Rudolph Thorbecke (1798 - 1872)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

misdrijf

Eem gedicht van Albert Verwey 1856-1936

HET MISDRIJF
Gij zijt mijn Heer, mijn Vader en mijn Vriend.
Als ik misdreef dan deed ik het door u.
Ik die misdreef, die van mijzelve gruw,
Ik heb misdrijvend u alleen gediend.

Ik die misdreef en die, uw straffen ziend,
Staan zal gelijk uw zoon, niet blind, niet schuw,
Straf mij en duld dat ik als eenmaal, nu
Vóór u zal staan, wel bevend, niet ontvliênd.

Ik hief mijn Beeld zoo hoog dat gij alleen
Eraan kunt raken. Brijzel, 't is uw recht.
Of duld dat ik, uw kind, het recht en slecht

U overgeef, hoewel verspeeld, toch gaaf.
Ik buk het hoofd: ik ben uw knecht, uw slaaf.
Gij zult het nooit, nooit in het stof vertreên.

Het blank heelal (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

bladeren

Een gedicht van Jacqueline van der Waal 1868-1922

 

De bladeren
De zonne zond haar stralen uit
   om d'aarde te vergouden,
Die, al te lange tijd verwaaid,
   verregend en ontverfd,
Niet meer aan blijde dagen dacht,
   maar aan de winterkoude
Zich zonder klagen overgaf
   en stil en willig sterft.

De stralen die op 't bladerdak
   een wijle wilden rusten,
Ze gleden door de takken heen
   en vonden vuil, versleurd,
De kleine groene bladerkens
   die zij zo gaarne kusten
'Och, arme bruine bladerkens!
   Wat is er met U gebeurd?'

Maar nauw gevoelt het bladervolk,
   het slappe, natbetraande,
Verloren volk de warmte van
   de gouden zonnegroet,
Of knisperend en knetterend
   begint het doodgewaande
Te leven en te krullen in
   den koesterende gloed.

Nu lopen alle blaadjes in
   het zonlicht langs de wegen,
Nu dansen zij hun rondedans
   de mensen voor de voet,
Nu ruisen zij hun vrijheidslied
   de oude bomen tegen,
Die weten, dat het bladervolk
   zo 't elke jare doet.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

vruchten

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

O vruchten-lege schaal
o Vruchten-lege schaal, o flanken rijk aan reuken
die heel de zomer draagt maar niet verzaden zult:
nóg komt een kopp'ge bij uw nodende ijlte beuken
met hoornen hoofd en dom geduld.

Ik ben 't gekorven hout waaraan geen trossen hangen,
tot lucht verijld het hars dat uit de wonden droop.
o Vruchtenloze geur, wordt menselijk verlangen
ooit goddelijke hoop?

schrijver

Geschreven door Dora om 20:55 Reageer op dit bericht

slaaf

Een gedicht van E.J Potgieter 1808-1875

Het zingen van de slaaf.

Vrij gevolgd naar H.W. Longfellow.

Uit de hut des negers rezen
Aan d' Ohio-stroom bij nacht
Liedren als Jehova prezen,
Toen Hem Isrel offers bracht;
En mijn voet gleed trager voort
Door het statig sluimrend oord.

Luide zong hij Davids Psalmen,
Schoon in slavenboei gekneld;
Luide zong hij zegegalmen
Van de koninklijke held;
't Vorstlijk harpgezang van 't Oost
Ruiste in 't verre Westen troost!

'k Hoorde 't lied, vóór veertig eeuwen
Aan de Rode Zee gedicht.
Langs de Leidsman der Hebreeuwen
Was ze wederzijds gezwicht,
Maar van heel 't Egyptisch heir
Gaf zij ros noch ruiter weer!

De oren lenende aan die zangen,
Werd mijn harte droef te moe:
Onbeschrijfelijk verlangen
Naar verlossing klonk mij toe
Uit de weemoedvolle klacht,
Waar zich 't lied in had verzacht.

Zie, 't geviel in de eerste dagen
Der gemeente van de Heer:
Paulus wordt in boei geslagen;
Silas kromt zich naast hem neer -
Tot het paar de hoofden buigt,
En in banden Gode juicht!

Daar beweegt van schrik zich de aarde,
Daar betoont de Hemel hulp!
't Stenen huis, dat hen bewaarde,
Davert als een rieten stulp, -
Open is 't gesloten graf,
En hun ketens vallen af.

Maar wat engel daalt er neder,
Die der slaven boeien slaakt?
Maar wie schudt het aardrijk weder,
Tot verstokt gewisse ontwaakt?
Biddend zag mijn blik omhoog
Naar der heldre starren boog!


1844.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:29 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het blijde Meisje.

Wie is morgen jarig? - Ik!
O! wat ben ik in mijn schik:
Maatje was nooit karig;
En gewis zal 't morgen weer,
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Keetje en mietje zijn genood,
En mijn nichtje Betje,
Zie, dat geeft, met Klaartje en mij,
En de kleine Suze er bij,
Al een heel saletje.

En dan vinden wij voorwaar,
Even als verleden jaar,
Weer een déjeuneetje klaar;
Heden wat een pretje!

Wie is morgen jarig? Ik!
O! wat ben ik in mijn schik:
Maatje was nooit karig;
En gewis zal 't morgen weer,
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Maatje zal op chocolaad
Zeker ons tractéren.
En zij geeft er wafels bij:
Ligt nog andre snoeperij,
Wat wij maar begeren.

Als het smullen heeft gedaan,
Zullen wij aan 't spelen gaan,
Touwtje springen, raadsels raân,
En ons amuséren.

Wie is morgen jarig? Ik!
O! wat ben ik in mijn schik:
Maatje was nooit karig;
En gewis zal 't morgen wer,
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Buiten twijfel zal Papa
Weer mijn spaarpot vullen.
O! 'k ben zo nieuwsgierig naar
't Geen Mama, en Jan en Klaar
Mij toch geven zullen..

'k Hoop, Mama een nieuwe doek,
En broer jan een prentenboek.
Klaar geeft wis een peperkoek;
Hé! wat zal ik smullen.

Wie is morgen jarig? Ik!
O! wat ben ik in mijn schik.
Maatje was nooit karig.
En gewis zal 't morgen weer.
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Het Nachtegaaltje (1851)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:17 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten