Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

dood

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Plotselinge dood

De Dood zat in u en ge wist het niet,
Hij scherpte ’t mes al en ge wist het niet –
Gij en uw jonge vrouw, gij schertste en lachte –
Hij mikt naar ’t hart en hij mist het niet.

In de koorts van het kortstondige (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

dorpelwachter

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1864-1926

TOOROP'S SCHILDERIJ: „De Dorpelwachters der Zee".

Verwonderd-rond, zacht-vragend kijkt het kind,
Het zand-blond kind, met de ogen blauw als zee.
En de oudre al wétend Leven; schoon gedwee
Van kleine hoop nog, dat hij toch wel vindt
Voor 't Eind bevrediging. De al'-oudste, 't wee
Van heel een ras in de ogen, staart verblind
Van wanhoop 't Raadsel aan .... waar géén van vindt
Ooit antwoord .... Vragend: waar verdiende ik mee
En allen die daar vóór mij zijn gegaan,
Of komen zullen nog, dit leven-wreed?
---------------------------------------
Met grote ontroering, die ik vreugde heet,
Dank ik de meester, die uit stil bestaan
Ophief en beeldde deze Smarten-ziel,
Belevend dode doek zo 't hem geviel.

Een bundel letterkundige bijdragen (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

wandelaar

Een gedicht van Multatuli 1820-1887

Wandlaar die me hier begraven ziet

II

Wandlaar die me hier begraven ziet,
Als ’t sterven 'n kunst was, dan lag ik hier niet.

Grafschriften voor Thorbecke

Illustratie: Johan Rudolph Thorbecke (1798 - 1872)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

misdrijf

Eem gedicht van Albert Verwey 1856-1936

HET MISDRIJF
Gij zijt mijn Heer, mijn Vader en mijn Vriend.
Als ik misdreef dan deed ik het door u.
Ik die misdreef, die van mijzelve gruw,
Ik heb misdrijvend u alleen gediend.

Ik die misdreef en die, uw straffen ziend,
Staan zal gelijk uw zoon, niet blind, niet schuw,
Straf mij en duld dat ik als eenmaal, nu
Vóór u zal staan, wel bevend, niet ontvliênd.

Ik hief mijn Beeld zoo hoog dat gij alleen
Eraan kunt raken. Brijzel, 't is uw recht.
Of duld dat ik, uw kind, het recht en slecht

U overgeef, hoewel verspeeld, toch gaaf.
Ik buk het hoofd: ik ben uw knecht, uw slaaf.
Gij zult het nooit, nooit in het stof vertreên.

Het blank heelal (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

bladeren

Een gedicht van Jacqueline van der Waal 1868-1922

 

De bladeren
De zonne zond haar stralen uit
   om d'aarde te vergouden,
Die, al te lange tijd verwaaid,
   verregend en ontverfd,
Niet meer aan blijde dagen dacht,
   maar aan de winterkoude
Zich zonder klagen overgaf
   en stil en willig sterft.

De stralen die op 't bladerdak
   een wijle wilden rusten,
Ze gleden door de takken heen
   en vonden vuil, versleurd,
De kleine groene bladerkens
   die zij zo gaarne kusten
'Och, arme bruine bladerkens!
   Wat is er met U gebeurd?'

Maar nauw gevoelt het bladervolk,
   het slappe, natbetraande,
Verloren volk de warmte van
   de gouden zonnegroet,
Of knisperend en knetterend
   begint het doodgewaande
Te leven en te krullen in
   den koesterende gloed.

Nu lopen alle blaadjes in
   het zonlicht langs de wegen,
Nu dansen zij hun rondedans
   de mensen voor de voet,
Nu ruisen zij hun vrijheidslied
   de oude bomen tegen,
Die weten, dat het bladervolk
   zo 't elke jare doet.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

vruchten

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

O vruchten-lege schaal
o Vruchten-lege schaal, o flanken rijk aan reuken
die heel de zomer draagt maar niet verzaden zult:
nóg komt een kopp'ge bij uw nodende ijlte beuken
met hoornen hoofd en dom geduld.

Ik ben 't gekorven hout waaraan geen trossen hangen,
tot lucht verijld het hars dat uit de wonden droop.
o Vruchtenloze geur, wordt menselijk verlangen
ooit goddelijke hoop?

schrijver

Geschreven door Dora om 20:55 Reageer op dit bericht

slaaf

Een gedicht van E.J Potgieter 1808-1875

Het zingen van de slaaf.

Vrij gevolgd naar H.W. Longfellow.

Uit de hut des negers rezen
Aan d' Ohio-stroom bij nacht
Liedren als Jehova prezen,
Toen Hem Isrel offers bracht;
En mijn voet gleed trager voort
Door het statig sluimrend oord.

Luide zong hij Davids Psalmen,
Schoon in slavenboei gekneld;
Luide zong hij zegegalmen
Van de koninklijke held;
't Vorstlijk harpgezang van 't Oost
Ruiste in 't verre Westen troost!

'k Hoorde 't lied, vóór veertig eeuwen
Aan de Rode Zee gedicht.
Langs de Leidsman der Hebreeuwen
Was ze wederzijds gezwicht,
Maar van heel 't Egyptisch heir
Gaf zij ros noch ruiter weer!

De oren lenende aan die zangen,
Werd mijn harte droef te moe:
Onbeschrijfelijk verlangen
Naar verlossing klonk mij toe
Uit de weemoedvolle klacht,
Waar zich 't lied in had verzacht.

Zie, 't geviel in de eerste dagen
Der gemeente van de Heer:
Paulus wordt in boei geslagen;
Silas kromt zich naast hem neer -
Tot het paar de hoofden buigt,
En in banden Gode juicht!

Daar beweegt van schrik zich de aarde,
Daar betoont de Hemel hulp!
't Stenen huis, dat hen bewaarde,
Davert als een rieten stulp, -
Open is 't gesloten graf,
En hun ketens vallen af.

Maar wat engel daalt er neder,
Die der slaven boeien slaakt?
Maar wie schudt het aardrijk weder,
Tot verstokt gewisse ontwaakt?
Biddend zag mijn blik omhoog
Naar der heldre starren boog!


1844.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:29 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het blijde Meisje.

Wie is morgen jarig? - Ik!
O! wat ben ik in mijn schik:
Maatje was nooit karig;
En gewis zal 't morgen weer,
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Keetje en mietje zijn genood,
En mijn nichtje Betje,
Zie, dat geeft, met Klaartje en mij,
En de kleine Suze er bij,
Al een heel saletje.

En dan vinden wij voorwaar,
Even als verleden jaar,
Weer een déjeuneetje klaar;
Heden wat een pretje!

Wie is morgen jarig? Ik!
O! wat ben ik in mijn schik:
Maatje was nooit karig;
En gewis zal 't morgen weer,
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Maatje zal op chocolaad
Zeker ons tractéren.
En zij geeft er wafels bij:
Ligt nog andre snoeperij,
Wat wij maar begeren.

Als het smullen heeft gedaan,
Zullen wij aan 't spelen gaan,
Touwtje springen, raadsels raân,
En ons amuséren.

Wie is morgen jarig? Ik!
O! wat ben ik in mijn schik:
Maatje was nooit karig;
En gewis zal 't morgen wer,
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Buiten twijfel zal Papa
Weer mijn spaarpot vullen.
O! 'k ben zo nieuwsgierig naar
't Geen Mama, en Jan en Klaar
Mij toch geven zullen..

'k Hoop, Mama een nieuwe doek,
En broer jan een prentenboek.
Klaar geeft wis een peperkoek;
Hé! wat zal ik smullen.

Wie is morgen jarig? Ik!
O! wat ben ik in mijn schik.
Maatje was nooit karig.
En gewis zal 't morgen weer.
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Het Nachtegaaltje (1851)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:17 Reageer op dit bericht

's avonds

Een gedicht van Juliu Vuylsteke 1836-1903

'S AVONDS

Soms nog als de avond is gevallen
en alles in stad reeds stil,
draagt mij mijn voet voor 't huis waar zij woonde,
ofschoon ik het zelf niet wil.

O bloemeken van mijn eenzaam leven,
mijn liefde, mijn lust, mijn vreugd!
Een andre geniet nu uw geuren en kleuren
en doet zich deugd aan uw jeugd.

Dan bersten de donkere erinringen open
als hagelwolken, op mij;
dan loop ik zo haastig mooglijk schuilen
in de herberg daar naastbij.

Verzamelde gedichten (1881)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 1 reactie Reageer op dit bericht

peren

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

PEREN 
Gebogen hangt het perenhout,
bevallig, onder ‘t menigvoud
gedrag, dat hem bewonderen laat
alom, en op de bomen staat.

Zo druiven, in malkaâr geklist,
bij grote en dikke krabben is ‘t,
dat top en takken, scheefgelaân,
bezwijkend, van de peren staan.

Hoe schone, als ‘t lieve zonnelicht
daarop zijn mooie stralen zicht;
en, geluw-, groen- en grauwgeveld,
fijn goud op al die peren smelt!

Hoe spannen ze, in hun ronde glans,
vol zerpe en zoete zeupen gans;
die, borstgeeene en lijfgenoot,
nog wassen, bij de moederschoot!

Het staat er die, vol rode schijn,
bloedverwig als de kaken zijn
van menig menig mensenkind,
dat m'hier en daar ten boere vindt.

Het staat er, effenbruin van bast,
aan klene, tere takken vast;
die ‘k puilen zie, alhier, aldaar,
ter pelen uit en... ponden zwaar.

Vaarwel, die zulke giften laat,
o zonne, aleer gij henengaat,
en elders weunt, de lange tijd
dat ‘t wintert, en ge onzichtbaar zijt.

Dat ‘t donker is, dat ‘t waait en buist;
dat verre is al het groen verhuisd;
dat, naakt, of heel met ijs belaân,
onvriendelijk de bomen staan.

Vaarwel, o zonne!... Hij is groot,
diens hand u in de hemel schoot;
diens goedheid, die geen' beurte en kent,
bij beurten, ons die zomer zendt.

o Eeuwig goede, om al het goed
dat ‘t bakelen van de zonne doet
onze onbeholpen schamelheid,
zij lof en ere u toegezeid!

12/10/1894

Rijmsnoer (Herfstmaand)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

LIED.

Nu lichtvergeten
De avond rust
Wordt alle weten
Dieper bewust;
Maar elk begeren
Dat liefde deren
Zou, en bezeren,
Is nu gesust.

En wijder sperren
Zich ziel en zin,
Nu ver de sterren
Ontvonken in
De onbetogen
Azuren hoge...
Klaar als de ogen
die ik bemin!

Experimenten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

arbeid

Een gedict van Herman de Gorter 1864-1924

Uit de arbeid komt voort de bloedige strijd

Uit de arbeid komt voort de bloedige strijd.
De arbeid is 't die doet de stromen bloed
Om de aarde vloeien. In rode damp van bloed
Doet haar dampende voortgaan de arbeid.

Zij gaat in 't Al de sterren tegemoet,
Waarvan de smart en strijd haar onderscheidt,
In wolken van bloed, en tranenbeschreid,
In van pijn en rouw nacht en gloed.

De aard is in goudene sterren rood
En zwart van stromend, geronnen mensenbloed.
De lichamen der levenden een vloot
Op der doden stromende levensvloed.
En van die levenden geweld'ge dood,
Door strijd, van die doden het doden boet.

Strijd (II)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

haat

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

HAAT VERWIJDERT MIJ VAN GOD

Haat verwijdert mij van God,
liefde voert mij nader.
Grauwt ellende door mijn lot,
laat mij liefde, Vader.

Valt de wereld van mij af,
waar de sterren blinken
laat mij in der liefde graf
in Uzelf verzinken.

Meidoorn (1925)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 1 reactie Reageer op dit bericht

psalm

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Psalm XVII.


Hoor, o Heere, mijn gesmeek,
Waarheid uit mijns herten grond;
Valsheid is 't niet, die ik spreek,
Geen bedrog besmeurt mijn mond.

Hebt ge niet beproefd mijn hert,
Heer, het onderzocht bij nacht,
Toen er niets gevonden werd,
Heb ik op uw recht gewacht.

Loutrend mij door reine gloed,
Daar Ge in mij niets bozes vond;
Mijn gedachten, mijn gemoed
Overtreden niet mijn mond.

Voor de daad der rovers, God!
Had ik uwer lippen woord,
Dat beschermde mild mijn lot:
't Leidde mij door 't leven voort.

Heer, mijn voet betrad uw spoor,
Nimmer, wanklend op die baan,
'k Roep tot U, mijn God, o hoor
Mijn gebed genadig aan.

Redder, Gij, van hem, die U
Zoekend zich, door U beschermt...
Help me tegen bozen nu,
God, die u in mij erbermt.

Heer, behoed mij als uw oog,
Berg mij onder 't schaduwbeeld
Uwer vleuglen, uw betoog
Worde, o Heer, mij toebedeeld.

Tegen Goddelozen, Heer,
Die mij prangen in de smert,
Mij verwoestend, wreed en zeer,
Wee! gevoelloos sluiten 't hert.

Trotsheid spuwt hun lastermond,
Zij, omsinglen mij met haat,
Heer, hun oge tracht ten grond
Mij te stoten door verraad.

Aan een leeuw is hij gelijk,
Ene jongen leeuw, die loert
Hongrend. Heer, verniel zijn rijk!
Red mij, eer hij mij vervoert.

Mijne ziele, met uw zwaard,
Red ze voor de boze, Heer!
Voor genieters dezer aard,
Red ze! vel uw vijands neer!

Vol is 't lijf hun door uw goed.
Zonen hebben ze in getal,
Latend hunne overvloed.
Hunne telgen... dat is al!

Maar ik wil uw aangezicht,
Heer, beschouwen hoogverblijd...
'k Word verzadigd door uw licht,
Rein van harte t' allentijd.

De Psalmen in gezangen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

herfstdag

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Parijse herfstdag

Ik heb de weemoed van uw stad verstaan.
Een stad vol vreugde, zeiden zij die nooit
Geneugten weten dan het vlees ontplooit,
Vol zoete tastbaarheid en weken waan.

Maar in uw parken geurde uit iedre laan
't Verleden: grootser tuin, voorlang gerooid;
En iedre lijst die strekt of rijst of glooit
Aan uw paleizen, hing de erinnring aan.

Erinnring aan die grote gouden tijd
Toen om uw zonnekoning 't rijk bewoog,
Moed en bevalligheid en weelde en vlijt.

Gij woelt, maar overwon niet: laag en hoog
Richt over u die Dode; uit perk en boog
Beheerst Zijn IJdelheid uw ijdelheid.

Oorspronkelijk dichtwerk (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Geert Teis 1864-1945

Knoalster lorelei
Ik wait nait, wat zel 't toch beduden,
Dat ik zo miesderig bin;
n Vertelster uut olle tieden,
Dat gaait mie moar nait uut de zin.
't Is kôld over 't daip en 't wordt duuster,
't Is ales in rust, groot en klaain,
De leunen van de badde is dudelk
In t heldere woater te zain.

Het oaregste schipperswichie
Van zo'n achttien of negentien joar,
Dat staait in heur onderliefie,
Zai kamt heur stroblonde hoar;
Zai kamt het in laange strengen,
En zingt zaacht een deuntje derbie,
Zai zingt van de laifde en van schaaiden...
De snikke vuier net heur veurbie.

De snikjong achter aan 't rouer,
Dij röpt 'Goienoavendsoam!'
Hai zogt gain liene en gain badde,
Hai kikt moar noar t wicht op de proam.
Ze zeggen: hai is mit zien hazzens
Liek tegen de badde aan goan,
En dat haar mit heur zingen
Dat schipperswichie doan.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

oneindigheid

Een gedicht van Albert Verwey 1956-1936

Oneindigheid

Van honderdduizend jaren her
Kwam tot mijn oog de straal van een ster,
Hij kuste mij met zijn milde licht,
Ik voelde mij leven als in een gedicht,
Want wat is tijd?

Meer mijlen ver dan mens verstaat
Bewoog mijn oog dat stergelaat,

Ik was nabij haar met mijn blik
En ondervond een zoete schrik:
Geen ruimte telt!

Tezaam geschapen ster en oog,
Eén enkel leven laag en hoog,
Zijn wij geworden en voor elkaar,
Zij werd door mij, ik werd voor haar:
Waar is de grens?

Ik draag en ben het heel heelal.
O valse schijn van lichaamswal,
Waarbinnen wij schijnen, waarbuiten wij zijn,
Omvangende in een gedroomde lijn
De oneindigheid!

Het zichtbare geheim (1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:47 Reageer op dit bericht

huizen

Een gedicht van H.C. Rümke 1893-1967

Oude huizen

Aan d' overkant van 't water stonden d' oude huizen.
Het water was heel stil, een witte rand
van pas gevallen sneeuw lag voor de huizen.
't Was alles broos en fijn, voor strakke lucht met sterren.
De huizen stonden oud en stil....van verre
kwam dof gedreun: het ruchten van de stad,
dan was het, of de huizen
nóg groter stilte hield omvat....
Luid kwam, met hard gebel, een tram voorbij gereden....
Toen wisten d' oude huizen niet
wat zij daar deden....

De Beweging (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

geestenkoor

Een gedicht van J.J.L ten Kate 1819-1889

GEESTENKOOR BOVEN DE WATEREN.


 
Ziele des mensen!
         Gij zijt als het water:
         't Werd uit de boezem
         Des hemels gebaard;
't Stijgt naar de hemel,
         Het stort weer ter aard,
         Eeuwig verwisslend
         In rustloze vaart.

        Stroomt van de steilte
         De straal naar beneên,
         Dan stuift hij lieflijk,
         In wolkende golfjens,
         Over de vlakte
         Der berghelling heen;
         Blank als een spiegel
         Verlaat hij de rots,
         Danst hij ter diepte
         Met vrolijk geklots.

Maar gaan de klippen
Zijn stortval te keer,
Dan bruist hij grimmig,
           Met kokende golven,
           Dan stormt hij trapswijz'
           In d' afgrond ter neer.

Tussen de rozen
           Daar henen geslingerd,
           Glipt hij wellustig
           In 't bloeiende dal.
           En alle starren
           En stralende zonnen
           Lachen en lonken
           In 't levend kristal.

Wind is de minnaar
           Van 't spelende golfje;
           Wind is de vijand
           Der argloze baren,
           Die in haar boezem
           Zijn aanval begint.

Ziele des mensen,
           Hoe zijt gij als 't water!           
           Noodlot des mensen,
           Hoe zijt ge als de wind!

         Naar Goethe.
         1845.

schrijver



Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

rust

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1891

WAT RUST ZE ZACHT.

Wat rust ze zacht in 't malse ledekant,
Het blank gelaat, in 't kroezelhaar gesloten,
Met iets zo fijns, zo zeldzaams overgoten,
Als zag ze mij reeds hangen aan de hand
Een kindje uit haar edel lijf gesproten!
Wat rust ze zacht in 't malse ledekant!

Hoe lieflijk rust de wellustvolle vrouw,
Die mij met schoonheid, liefde en maagdenweelde
Den ganse nacht gelijk een engel streelde,
Die ik, bevruchtend als de morgenddauw,
Met mannenkracht en kinderlust bedeelde!
Ja, lieflijk rust de wellustvolle vrouw!

Wat rust ze zacht, die parel der natuur,
Die schoonheid paart aan edel zielsbehagen,
En in de schoot een wereld kan verdragen,
Maar toch zo teer verspreidt haar minnevuur.
Een lelie geurend tussen dorenhagen...
Wat rust ze zacht, die parel der natuur!

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten