Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

ander

Een gedicht van Joost van de Vondel 1587-1679

Ander.

Koridon.

Koom hier, o goelijk meisje.
Gij ziet de velden groenen.
Vergun me slechts een reisje,
Dat ik uw mond mag zoenen,
En uw wangen, uit lust en verlangen.
Ay koom wat nader:
Want uwe moeder en was niet vroeder.
Zij kuste vader.

De duiven trekkebekken.
De dieren in de weiden
Een lijn te zamen trekken.
Wie kan de liefde scheiden
Van het leven, de jonkheid gegeven
Om te gebruiken?
Liefde moet bloeien. Door liefde groeien
De boom en struiken.

De werken van Vondel. Tiende deel 1663-1674.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

wolken

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

 

De gele wolken werden langzaam rood...

De gele wolken werden langzaam rood.
Dan dacht hij: Nu begint zonsondergang;
En keek weer naar de zwaluwen, die zo lang
De zon nog konden zien. En dikwijls schoot

De angst door hem heen: Eenmaal gaat moeder dood,
Hoe moet het dan? - Eens voelde hij bij zijn wang
'T laag rits'len van een vleermuis, en werd bang,
Toen hij 'm van dichtbij zag, grijs, plots'ling-groot.

Dan merkte hij, hoe in zijn afgrond diep
Het donker stond en langzaam overliep,
En golven duisternis de omgeving vulden;

En dan, op eens, zag hij blauw fonk'len, vlak
Tegen de schuine lijn van 't verste dak,
Die mooie ster, blank als een nieuwe gulden.

Brahman I (1919}

schrijver

Geschreven door Dora om 19:10 Reageer op dit bericht

de bruid

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

 

De bruid

Wie roept er in de nacht? Welk aards gefluister
groeit uit de diepten tot gejuich of klacht,
welk is die stem slechts hoorbaar in het duister?
Wie roept er in de nacht?

Het zwelt, het stijgt; dan wordt het fijn en teder
en kaatst als zeepbel op een effen plas;
het zweeft, zo licht als een verwaaide veder,
over het donker gras.

’t Is het uur dat levens- en liefdedronken,
de aarde het hart heeft ener jongen bruid,
en nachtegaal in bottende eikenstronken
voor ’t eerst van liefde fluit.

Wie roept er in de nacht? De stem der aarde
die juicht in hartstocht en in weelde weent!
Er springen bloesems open als de gaarde
de klacht der bruid verneemt!

De nacht verheelt het wonderlijk gebeuren,
de schone pijn van haar ontvangenis,
maar als des morgens, door oranje deuren,
wijkt koelte en duisternis,

dan trillen duizend blanke silhouetten,
over de bruid die bloost, maar helder lacht
onder ’t gewelf der bomen, bruidsboeketten
ontloken in één nacht!

Verzamelde gedichten (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

vluchtelinge

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

 

De Vluchtelinge 

Soms weent zij uit: dat zij niet meer kan blijven
Onbevlekte in verblijven, waar bedreigen
Haar offerpijn en floers, waaronder lijven
Den Dienst der wrede liefkozing bedrijven.

'k Geloof haar niet, maar neem haar lijfsgewaden.
Nog naakt vernederd, smeekt zij de genade
Te mogen gaan. Ik spot: ‘Ga zo, mijn gade!’
En sliep in zekerheid... Zij is gaan waden

Door diepe sneeuw en zich aan kuis ijs wonden.
Zij dacht rechtuit te vluchten, liep een ronde:
Des morgens aan een muur is zij gevonden,

Teruggedragen binnen mijn verblijven,
Waar maagden haar bevrozen leden wrijven,
Hervoorbereiden voor het feest der lijven.

Archipel

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 1 reactie Reageer op dit bericht

geest

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Licht zij uw geest.

Licht zij uw geest, dan is u alles licht!
De vreugde speelt dan op uw aangezicht,
gelijk de lentewind op geur'ge bloemen;
ge voelt u moedig, vrijgezind en sterk,
gij onderneemt en eindigt reuzenwerk.
Licht zij uw geest, dan moogt ge op wijsheid roemen.

Kloek zij uw zin en immer rond en recht,
dan buigt ge uw hoofd nooit als een lage knecht
voor 't listig logenwerk der goochelaren;
slechts voor de waarheid bukt en buigt ge u neer,
en mint haar als u zelve, ja nog meer!
Kloek zij uw zin, dan ducht ge geen gevaren.

Daad worde uw woord, uw woord zij zacht en goed
en uiting van een mannelijk gemoed,
dat blaakt voor d' evenmens als 't hart der vrouwen
van liefde voor een kind; dan wint ge kracht,
dan wordt door u des levens roep betracht.
Daad worde uw woord, dan moogt gij tempels bouwen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

liefdesklag

Een gedicht van Jan.F.E. Celliers 1865-1940

Liefdes-klag.

Ik mag jou nie lief-hê en kan jou nie haat nie,
ik mag jou nie hou en ik kan jou nie laat nie,
O, leer mij die bittere strijd te volstrij.
En ach, wat daarbinne mij hart so deurkna'e
ik wil dit nie mis nie al kan ik 't nie dra'e,
die pijn wat genot is en mart'lend verlei.
Ik kan jou nie haat en mag liefde nie gewe,
so staat 't vermeld in die boek van ons lewe,
O, smart, wat verdelend mij hart so deursnij!
Ik mag jou nie hou nie en kan ook nie skije
so wil 't die sterre se wet van die tije,
O, sê mij hoe sal ik die strijd ooit volstrij.
En eensaam herhaal ik deur nagte en da'e
vergeefs nog en eeuwig die swaarste van vra'e,
en voed ik, genietend, die pijn wat ik lij.
Ik mag jou nie lief hê en 'k kan jou nie haat nie,
ik mag jou nie hou en ik kan jou nie laat nie,
O, leer mij die bittere strijd te volstrij!

Die vlakte en andere gedigte  (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

vroeg

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Vroeg en laat.

't Open roosje, rijk van blad,
Zei aan 't nog gesloten knopje,
Dat aan 'tzelfde steeltje zat:
Zie eens, dik onaartig propje,
Zie, hoe luisterrijk en schoon
Sprei ik al mijn schat ten toon! -

't Knopje zweeg en hoorde 't aan;
Maar de middag kwam haar wreken,
Deed haar boezem opengaan,
En de volle roos verbleken.
Hoop en dartelend Genot!
Zie uw beeld en 't menslijk lot!

schrijver

Geschreven door Dora om 16:30 Reageer op dit bericht

tuin

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

In deze tuin zijn saamgelegd

In deze tuin zijn saamgelegd
geelbruine en witte en zwarte stenen,
gevoegd, gezocht, dat elk wat zegt
met een allengs opkomend menen,

bedoeld door een die niet meer is
de velerlei gevormde vlakken,
en met in de vakken
voorzichtige betekenis,

gebleekten in het aangezicht
der zon, gewassen door de regen,
rillende open plekken tegen
het plat invallend hemellicht,

en stil en toeziend aan de kant
de ceders en de blauwe den,
wistaria’s, de zachte plant
van irisbloemen, die ik ken.

O lief en teder onvermogen
tegen het gruwzaam element,
dat wankels nog iets blijven moge,
en strijd met het geweten end.

Gemengde Verzen IV

schrijver

  

Geschreven door Dora om 19:23 Reageer op dit bericht

heimwee

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

 

HEIMWEE

O paradijs, o bomen,
Begeerlijk voor 't gezicht,
Kringloop van heilge stromen,
Dag van ondoofbaar licht,

Niet slechts in 't Boek der Smarte
Van 't oude testament,
Maar in dit innigst harte
Waart ge eens door mij gekend.

Ook ík moest eenmaal eten
Van de verboden vrucht,
Ook ik heb neergezeten In
doodsheid en gezucht;

Maar nu niet meer. Mijn tranen
Hebben de storm bedaard;
Vaak is 't, of door de lanen
Een geur van rozen waart.

Ik hoop weer. Als de weiden
Fonklen van morgenschijn,
Denk ik in vroom verbeiden:
Hier zal mijn zomer zijn.

Soms beeft mijn voet bij 't treden
Over de vlonderplank;
Het water daar beneden
Gaf zulk een wondre klank;

En aarzlend, waar twee wegen
Zich delen tot een kruis,
Bid ik mijn God om zegen,
Want één voert vast naar huis.

Ach, weergevonden vrede,
Uit een diep leed gegroeid,
Geef, dat de hof van Eden
In deze streek herbloeit.

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:38 Reageer op dit bericht

bliksemvuur

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

HET BLIKSEMVUUR

Omdat uw huis niet op de weg van de bliksem lag
Maar juist daaraan, schrikt ge op en stierft gij niet.
Dit zijn de verborgen wegen, de heerbanen van 't hemels vuur
Waaraan wij spelen, sluimren, omstrenglen elkander, ontwaken.

Wat ware mij 't leven als het niet z6 was : dreiging en duisternis,
Gloed en angstwekkend geratel en daar ikzelf in,
Dromend en peinzend, sluimrend en liefde bedrijvend,
Zittend met wijd-open ogen in 't ontzettendste ogenblik,       
Op de rand van het bed, d'arm om de hals der geliefde.

Eén ding schoner: de Dood als hij gulden aankwam,
Staaf van gesmolten goud die ons beiden saamklonk
Onwetend slapende op de weg van die Machtigste.

Het levensfeest  (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Sebald Rau 1801-1887

 

Aan Sarbiewski

Dat vrij der vorsten naam, door slavenhand
In rotsen uitgehouwen, praal!
Dat standbeeld en altaar, hun razernij,
Het bevend mensdom leer'!
De tijd schuurt hunne naam van 't outer af;
De mensheid trekt de voet terug,
Wen zij een beeld in 't dreigend wezen trapt,
En gilt: hier ligt een Vorst!
Veel eedler is uw lot, o gij! wiens naam
Mijn staam'lend lied eerbiedig noemt,
Die naam, die door uw lied vereeuwigd blinkt
En leeft en leven doet.

Sarbiewski! ja! 't gedenkstuk dat ge u zelf,
En met u zelf, uwe eeuw, uw volk,
Hebt opgericht, staat vaster dan arduin
En vreest geen ondergang.
't Bewondrend oog ontvalt een eed'le traan,
Uw lied ontvonkte 't eerst mijn vuur! -
Nu gloeit dit vuur in 't grootser kloppend hart
Voor U, en 't geen gij zingt. -
Gelijk het land, door hete dorst gescheurd,
Wen 't zeeg'nend oog des Eeuw'gen wenkt,
De regen drinkt, terwijl de dankbaarheid
In rozengeuren stijgt:
Zo leefde 't eerst door u mijn dorre ziel. -
Ik dronk verrukt die wellust in!...
En 't leven dreunde mij door de aad'ren toe:
‘Gij zijt onsterfelijk!...’
Omhoog, mijn ziel!... gij zijt onsterfelijk!
Omhoog nu gij Sarbiewski zingt! -
Sarbiewski! Ja wanneer ik u betracht,
Is alles ziel in mij.
Wanneer uw lied, door Engelen benijd,
Ter eer des Eeuwgen horen doet
Hoe pool aan pool door 's donders stem geschud,
Zijn naam al bevend noemt,
Dan beve ik. Maar als gij in kalmte God
Ook dan als uwe vader maalt,
Dan wage ik het, en sla 't gelaten oog
In 't dodend aangezicht. -

Gij zingt, hoe God in 't ongenaakbaar licht
Der stervelingen lot bestuurt,
Hoe eeuwge wijsheid, bij onperkbre macht,
Onpeilb're goedheid paart.
Gij toont mijn ziel, 't verzadigend geluk
Door 't treurig floers des levens heen,
Gij ziet van verre op 't rusteloos gewoel
Des dwaze sterflings neer.
Zo ziet de top van grijzen Carpates,
Wen 't eeuwig ijs de morgen voelt,
Met woeste grootheid op der volken nacht
In volle middag neer.
Maar als uw lied, in englenharmonie,
Gods eeuwge mensenliefde zing,
En d'eeuwge bron der liefde, Jezus, zingt
Door Jezus zelf bezield.
Dan gloeit, dan leeft in mij het edelst vuur,
Aanbiddend sla 'k met u een oog
Op hem. Ik voel de weerschijn van die gloed,
Ik voel de onsterflijkheid!
Als dan uw ziel, met meer dan Seraphs vlucht,
Ver boven 't scheemrend licht der zon,
In d' oceaan der Godheid zich verliest,
Wie volgt... wie zingt u dan?
Ge ontvliedt me!... Neen, gij keert op aard terug,
Allengskens nader toont zij u,
Hoe volk bij volk door 't oorlog ligt verwoest
Of door de vrede bloeit.
Dan drukt u de eer des vaderlands op 't hart;
Hoe gloei ik als uw lied de Pool
Te wapen roept, en op onsterflijke eer
Door dood en bliksems wijst.
Gelijk de Vistula en rots en bos
Terneergedonderd met zich voert,
En springt omhoog in schuimende triomf,
Van bergen toegejuicht:
Zoo voer me uw lied op 't bloedig oorlogsveld,
Verrukking geeft mijn vuist de dolk;
'k Hoor niets dan u, bij 't dondren van 't geschut,
En ben onsterfelijk!-
Had zo uw lied geklonken, toen de wraak,
In 't land, door God weleer betreên,
Barbaren, en met hen, verwoesting, nacht,
En eeuwge naarheid zond;
De heilige as van Isrels grootste Vorst,
Zo groots bezongen in uw lied,
Was nooit, ontbloot van helden tegenweer,
Door trotse voet vertrapt.
Hoe blakend vloog zijn ziel u te gemoet
Toen uwe ziel deze aard verliet;
Gij wierd zijn vriend, daar waar Orion blinkt,
Met werelden omgord.-

Toen rustte op u der Serafijnen oog;
De harp van 's hemels Vorsten zweeg,
Tienduizend aan tienduizend zwaaiden u
Des hemels palmen toe.
Ook zij, wie God, in 't sterflijk stof gehuld,
het eerst een zaalgend lachje schonk,
Zag u, en sloeg, door u te hoog verheft,
De onsterflijke ogen neer -
En bloosde, als toen de bloem van 's hemels jeugd,
Op eeuwge onschuld godlijk trots,
Het zaligst woord haar horen liet, dat ooit
Een sterfling blozen deed. -

Verheven ziel! kan 't zijn, hebt gij ook daar
Bewustheid van dees zang, dit hart?...
Sla dan het oog op mij! beziel mijn geest
En leer mij uwe toon! -
Zo zal dees hand, die door uw zang, het eerst,
Nog zwak, 't beschreide speeltuig sloeg,
Ook dan, als 't oog niet schreien kan, voor u
Nog beven op de lier. -

----------------------------------------------

Sarbiewski - een beroemd Pools Odendichter van Latijnse verzen (1595-1640).
Carpathes - het Karpathische gebergte.
Vistula - de rivier de Weichsel

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

volk

Een gedicht van Cornelis Loots 1765-1834

Waar rees 't eenvoudigst volk door eigen kracht zo hoog

Waar rees 't eenvoudigst volk door eigen kracht zo hoog,
En streefde uit laag moeras tot aan de sterrenboog?
Waar bracht een zwakke hoop van ruwe vissersknapen,
Gewoon in de open boot op 't hobblig vocht te slapen,
Met gene schat, dan met zijn want en vangst bekend,
En aan geen tooi, dan die der ruwe pij, gewend,
Waar bracht die 't ooit zo ver, dat zwijgend onder 't lijden,
En nimmer afgerecht op ridderlijke strijden,
Al 't rijk bezit van hem die hunne vrede schond,
Hem viel uit de ijz'ren klauw en 't deel werd van hun grond,
Dat fijn gesteent' en goud eens aan hun hals mocht pralen,
En purper golfde en zijde in hun gewelfde zalen?
Waar was dit anders dan in Hollands klein gewest,
Zodra de Handel God zijn troon daar had gevest?
Daar wies de welvaart zelfs bij 't klinken der trompetten,
En 't goud blonk schitt'rend op der krijgeren helmetten,
Ja, uit de grond, doorweekt van Spaans en Neêrlands
Verrees op eenmaal de oogst van 's werelds overvloed:
Geen zee was toen bekend, waar Hollands vloot niet zeilde,
Geen wateren zo hol, die niet haar dieplood peilde,
Geen oord, waar 't harnas op haar munt niet was aanschouwd,
Of hare trouw beproefd, nog zuiv'rer dan hun goud.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:23 Reageer op dit bericht

oorlog

Een gedicht van Lodewijk van Deyssel 1864-1952

  

Oorlogsbegin

Een blanke hemel welft zich over 't land,
Waar stoere boeren van de arbeid keren
En knapen zingend lopen hand aan hand.

Vast in de vrede, die geen angst kon deren,

Verdonkren de gezichten, die zich keren
Van waar de zon nog flauw in 't Westen brandt
Achter het hoge bergkam-woud, als speren
En bajonetten, dreigend zwart, geplant.

Nu denken die rouw-donkrë aangezichten
Om 't zacht verlichte raam in verre laan,
Om d'avondspijs, zo vrolijk aangebracht...

Tot bij de dalbocht plots uit vlakte-nacht,
Waar, als bouwvallen, vreemd de huizen staan,
Laaiende purpergloed ze komt verlichten.

De Gids (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

klein

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922

KLEIN EN KLEINST WAARDERING

Welk beeld, welk boek, welk lied,
En wat voor zang, wat wijs,
Ik 't meest geniet,
Ik 't hoogste prijs?

Mij gaat 't dáármee als met bloemen,
Verzameld tot een blij geheel;
Als fraaist van al laat zich geen deel —,
Als fraaist laat zich alleen de volle ruiker roemen.
En niet slechts lelie, roos en tulp
En al wat bloem heet, kwam te hulp
En was van dienst bij kleurenschikking:
Zou deze ook zonder 't stemmig groen
Van mos en blad en spriet voldoen?
Waar weeldegloed verrukt, schenkt eenvouds lach verkwikking.

Niets kan er in de tuil gemist,
Noch iets er uitgelicht zó boeien zonder 't ander;
Meer dan verdragen, mild vervullen doen ze elkander, —
En om geen voorrang wordt getwist.

Levensavond (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:34 Reageer op dit bericht

venster

Een gedicht van Margriet van Essen 1751-1793

Aan het venster, bij maneschijn.

Nacht en stil is 't, om mij heen
Al 't gewoel des daags verdween.
Slechts de lieve maan beschijnt
Mij, door zorgen afgepijnd.

Duizend tranen zijn gestort,
Duizend zorgen afgekort:
En, mij arme, die hier lij,
Is de middernacht zelf blij!

Zachtkens juich ik in mijn deel,
Mij is alles evenveel.
Niets van 't geen het oog bekoort
Is er, dat mijn ruste stoort.

Mag ik maar, vol zuiver vuur,
U, bewondren - o natuur!
Mag ik maar, ootmoedig stil,
Gaan, waar God mij leiden wil!

O wat wens ik mij dan meer?
'k Heb dan al wat ik begeer,
En, zo 'k ooit, door onspoed ween,
'k Zie dan, door dit leven heen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van Anton L. de Rop 1837-1895

In de winter.

Ginds op de heuvel
Onder de beuken,
Dor en ontblaard,
Zit nu de winter;
Wit is zijn kleding,
IJs is zijn baard.

Donzige vlokken
Strooit hij op aker,
landhuis en heg;
Hand doet hij worden
't Water der vlieten,
't Zand van de weg.

Krassende raven
Vliegen in 't ronde,
Bol van de kou;
Nevel en mistdamp
Hullen de velden
Weder in rouw.

Dan vaart de windvlaag
Woest door de takken,
Wild door het hout,
En wat te dor is,
Breekt hij al krakend
Af in het woud.

Maar - dat geeft brandhout
Vrij aan de grijsaard,
Huivrende bloed:
Weer rookt zijn schoorsteen,
Warm wordt zijn hutje -
Dat doet hem goed.

In 't vrije veld (1885) [jeugdliteratuur]

schrijver

Geschreven door Dora om 16:17 Reageer op dit bericht

zwaluw

Een gedicht van Karel Ledeganck 1805-1847

De laatste zwaluw

Oktober strooit, bij wind en vlagen,
De gele blaadren langs de grond;
Reeds koud en huivrig zijn de dagen,
En vliegt gij, Zwaluw! hier nog rond?
o Vlucht, geliefde! vlucht dees streken,
Door al uw zustren reeds ontweken;
Zet u in betere oorden neer,
De lente is hier al lang verdwenen,
De lieve zomer ook is henen,
Hier zijn geen schone dagen meer!

Geliefde, vlucht! geen voedzaam koren
Staat hier meer op het dorre land;
Waar ’t rijk en vruchtbaar was te voren,
Vindt gij thans niets dan stuivend zand;
Geen plekje gronds bleef uitgezonderd,
’t Is alles naakt en bloot geplonderd,
Het woud zelfs schudt zijn hulsel neer.
Blijf in dit oord niet langer zwerven
Of ligt zult ge er aan honger sterven; --
Hier is op ’t veld geen voedsel meer!

Vlieg heen! men vindt hier op den akker
Geen vogel meer die zingen wil,
Niets schijnt er levendig, niets wakker,
Maar alles is er dood en stil
Alleen, op bomen hooggewassen
Zit eenzaam soms een raaf te krassen;
Alleen, bij ’t windrig, buiig weer,
Hoort men van verre een jachtroer knallen,
Of ’t rundvee loeien op de stallen; -
Hier is op ’t veld geen vreugde meer!

Vlucht, lieve! want nog luttel weken,
En dan zal ’t hier zo ijslijk zijn!
Dan maakt de winter deze streken
Zo naar, zo doods als een woestijn.
Dan klemt de vorst met ijzren handen
De stromende rivier in banden;
Dat stort de scherpe hagel neer,
Dan zal de sneeuw natuur bedekken,
En haar tot rouwgewaad verstrekken;
Dan is hier niets dan weedom meer!

Gij hoort wat plagen, welke rampen
Zich hechten aan deez’ ruwe grond;
Hoe alles met de dood zal kampen,
En vliegt gij, Zwaluw! hier nog rond?
o Vlucht, geliefde! vlucht dees streken
Door al uw zustren reeds ontweken;
Zet u in betere oorden neer;
En als de winter is verdreven,
En als de schepping zal herleven,
Breng, lieve! dan de lente ons weer!

Bloemen mijner lente (1839)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

stap

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856

 

De eerste stap.

Op de kruisweg van het leven
Is zo licht een valse tred,
Vrienden, in de grond gezet,
Die er nooit wordt uitgewreven;
Is zo licht een stap gedaan,
Die ons nooit terug laat gaan.

o Wat zijt gij hoog te schatten,
Lesjes, die de wijsheid vond,
Spreukjes in de vadermond,
Waar ik één van op wil vatten;
Spreukje, zo vol eigenschap:
‘Wacht u voor de eerste stap'.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:37 Reageer op dit bericht

de profundis

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

DE PROFUNDIS.

Er is geen hartstocht schoner dan de haat,
de liefde in een brand van vlammen te vernielen,     
zodat in gouden gloor ten onder gaat
de drang en dorst der zielen.

O vrouw, die ik beminde zonder zoet gevlei,
die 'k minde om de nacht, en bij het dagen
met handen die aanbaden heb geslagen,
'k ben ver van U en daarom medelij!

En gij zijt zonder mij en door de straten
doolt gij alleen, die nu de honger weet,
en zo Uw ogen en Uw hart vergaten,
zult gij mij kennen in uw duldloos leed.

De zon, de domme doder van de droom
liet tussen ons te vaak zijn waarheid lichten,     
in wilde wanhoop greep gij naar gedichten
en las, en van Uw haren proefd' ik het aroom.

Te vele nachten, altijd saamgeklonken
in wanhoop die ons drukte als metaal,
te vaak als bann'ling aan de weg gezonken
slechts denkend aan het niet verkregen maal.

Ach, hoeveel dagen lagen onze hoofden,
waarin geen denking zuiver rijpen kon
verzaligd op het kussen dat wij g'loofden
bleek aureool, dat om ons hoofd zich spon.

En thans te ver van U en van Uw veile panden,
de kus van wulpse mond, de gloed van kranke geest,     
de smaadlach van Uw oog en streling van Uw handen,
0 't schaamteloze schoon, dat huivrend is geweest.

Geweest! Maar neen, maar neen, zolang 't begeren
ons hart niet loslaat als zijn lage prooi,
zolang zult gij tot mij, of ik tot u wel keren
zolang ons spel slechts schendend is en mooi.

Er is geen hartstocht schoner dan de haat
die onze liefde slopend zal vernielen
wij moeten verder tot het marmerkil TE LAAT
waar niets blijft dan gebroken nog te knielen.

Parijsche nachten (1923)

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht

een en al

Een gedicht van Alex Gutteling  1884-1910

Een-en-al.

Wat vraagt één ziel van de Aard behalve vrede?
En vrede schenkt zij nooit, slechts strijd en streven,
En kort geluk, gevolgd door snik en beven, -
Zij stoort zich niet aan tranen noch gebeden.

Zij doet haar wil, en strooit haar heerlijkheden,
En werpt haar bliksems, door geen drang gedreven
Dan Macht en Noodlot. Ach, en alle leven
Trekt zij weldra in eeuwge nacht beneden.

En toch, zichzelf bemint ze, en ons, haar kindren,
Kan zij niet haten, - soms verstaan wij, stralen-Omluisterd,
eensklaps haar ontzaglijk Wonder.

't Zien van haar tijdloos wezen doet vermindren
Voor altijd onze vrees, want wat ook dale,
Zij, wij, zijn een-en-al omhoog en onder.

De Beweging (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:04 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten