Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Geert Teis 1864-1945

Knoalster lorelei
Ik wait nait, wat zel 't toch beduden,
Dat ik zo miesderig bin;
n Vertelster uut olle tieden,
Dat gaait mie moar nait uut de zin.
't Is kôld over 't daip en 't wordt duuster,
't Is ales in rust, groot en klaain,
De leunen van de badde is dudelk
In t heldere woater te zain.

Het oaregste schipperswichie
Van zo'n achttien of negentien joar,
Dat staait in heur onderliefie,
Zai kamt heur stroblonde hoar;
Zai kamt het in laange strengen,
En zingt zaacht een deuntje derbie,
Zai zingt van de laifde en van schaaiden...
De snikke vuier net heur veurbie.

De snikjong achter aan 't rouer,
Dij röpt 'Goienoavendsoam!'
Hai zogt gain liene en gain badde,
Hai kikt moar noar t wicht op de proam.
Ze zeggen: hai is mit zien hazzens
Liek tegen de badde aan goan,
En dat haar mit heur zingen
Dat schipperswichie doan.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

oneindigheid

Een gedicht van Albert Verwey 1956-1936

Oneindigheid

Van honderdduizend jaren her
Kwam tot mijn oog de straal van een ster,
Hij kuste mij met zijn milde licht,
Ik voelde mij leven als in een gedicht,
Want wat is tijd?

Meer mijlen ver dan mens verstaat
Bewoog mijn oog dat stergelaat,

Ik was nabij haar met mijn blik
En ondervond een zoete schrik:
Geen ruimte telt!

Tezaam geschapen ster en oog,
Eén enkel leven laag en hoog,
Zijn wij geworden en voor elkaar,
Zij werd door mij, ik werd voor haar:
Waar is de grens?

Ik draag en ben het heel heelal.
O valse schijn van lichaamswal,
Waarbinnen wij schijnen, waarbuiten wij zijn,
Omvangende in een gedroomde lijn
De oneindigheid!

Het zichtbare geheim (1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:47 Reageer op dit bericht

huizen

Een gedicht van H.C. Rümke 1893-1967

Oude huizen

Aan d' overkant van 't water stonden d' oude huizen.
Het water was heel stil, een witte rand
van pas gevallen sneeuw lag voor de huizen.
't Was alles broos en fijn, voor strakke lucht met sterren.
De huizen stonden oud en stil....van verre
kwam dof gedreun: het ruchten van de stad,
dan was het, of de huizen
nóg groter stilte hield omvat....
Luid kwam, met hard gebel, een tram voorbij gereden....
Toen wisten d' oude huizen niet
wat zij daar deden....

De Beweging (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

geestenkoor

Een gedicht van J.J.L ten Kate 1819-1889

GEESTENKOOR BOVEN DE WATEREN.


 
Ziele des mensen!
         Gij zijt als het water:
         't Werd uit de boezem
         Des hemels gebaard;
't Stijgt naar de hemel,
         Het stort weer ter aard,
         Eeuwig verwisslend
         In rustloze vaart.

        Stroomt van de steilte
         De straal naar beneên,
         Dan stuift hij lieflijk,
         In wolkende golfjens,
         Over de vlakte
         Der berghelling heen;
         Blank als een spiegel
         Verlaat hij de rots,
         Danst hij ter diepte
         Met vrolijk geklots.

Maar gaan de klippen
Zijn stortval te keer,
Dan bruist hij grimmig,
           Met kokende golven,
           Dan stormt hij trapswijz'
           In d' afgrond ter neer.

Tussen de rozen
           Daar henen geslingerd,
           Glipt hij wellustig
           In 't bloeiende dal.
           En alle starren
           En stralende zonnen
           Lachen en lonken
           In 't levend kristal.

Wind is de minnaar
           Van 't spelende golfje;
           Wind is de vijand
           Der argloze baren,
           Die in haar boezem
           Zijn aanval begint.

Ziele des mensen,
           Hoe zijt gij als 't water!           
           Noodlot des mensen,
           Hoe zijt ge als de wind!

         Naar Goethe.
         1845.

schrijver



Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

rust

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1891

WAT RUST ZE ZACHT.

Wat rust ze zacht in 't malse ledekant,
Het blank gelaat, in 't kroezelhaar gesloten,
Met iets zo fijns, zo zeldzaams overgoten,
Als zag ze mij reeds hangen aan de hand
Een kindje uit haar edel lijf gesproten!
Wat rust ze zacht in 't malse ledekant!

Hoe lieflijk rust de wellustvolle vrouw,
Die mij met schoonheid, liefde en maagdenweelde
Den ganse nacht gelijk een engel streelde,
Die ik, bevruchtend als de morgenddauw,
Met mannenkracht en kinderlust bedeelde!
Ja, lieflijk rust de wellustvolle vrouw!

Wat rust ze zacht, die parel der natuur,
Die schoonheid paart aan edel zielsbehagen,
En in de schoot een wereld kan verdragen,
Maar toch zo teer verspreidt haar minnevuur.
Een lelie geurend tussen dorenhagen...
Wat rust ze zacht, die parel der natuur!

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

Een gedicht van  Sebald Rau 1801-1887

Nacht

’t Gestarnt’, dat de avond wekte in ’t Zuiden
       Is reeds in ’t spieg’lend meer gezwicht.
       De maan onthult haar kwijnend licht;
En drinkt de balsemgeur der kruiden.

De nacht, reeds half voorbijgesneld,
Heeft aller scheps’len oog geloken.
De tortel rust, in ’t nest gedoken;
       De leeuwerik bij zijn gade in ’t veld.

Zijn strelend wiekje omschut de leden
Van haar, wier blijd ontwaakte goed
       Weldra de scheemring met hem groet,
In ’t zoet van ’t ogenblik tevreden.

’k Gevoel me alleen: geen sluim’ring houdt
Die blikken, die aan ’s hemels bogen
De starren volgen. 't Hart, bedrogen
       Door de aarde, zoekt waar ’t zich vertrouwt.

Waar ’t lieflijk doel van ons verlangen
       Niet als ’t gevleugeld droombeeld wijkt:
       Waar ’t zwevend weefsel niet bezwijkt,
Waaraan de moede ziel bleef hangen.

Waar, die wij minden, heengevloôn,
Gaan treên langs eeuw’ge levensvlieten,
En hemelzaligheên genieten,
       Terwijl wij wenen om de doôn.

Waar, mooglijk uit uw reine vrede
       Gij, die me eens liefhad, nederziet,
       En fluistrend mij een troostwoord biedt
Op mijn verlaten legerstede.

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

Waarheid

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

Jesus de vriend der waarheid.

Toneel der dwaling, schouwplaats der ergernis!
Rampzalig aardrijk, vol van begoocheling!
't Mensdom, uw sieraad, 't Mensdom verpest u
Alles bedriegt.

Waar vlood de Waarheid? weet gij het, sterflijken?
In 't licht der Godheid zien haar de Hemelsen,
Boven uw aanval, Vader des leugens,
Ver van uw kreits,

Daar Waarheid heerst, daar juichen de Zaligen;
Daar leeft de Godheid. Reinheid en vrolijkheid,
Rust en vertrouwen woont voor haar aanschijn,
Niet hier op aard.

Gij, vriend der waarheid', vriend des Rechtvaardigen!
Vermijd deez' aardbol, 't Rijk des geweldigen!
't Onrecht regeert er; kruis en vervloeking
Wachten u hier.

Gij komt op aarde, Gij, de Waarachtige!
Gij schuwt geen lijden, Redder der dwalenden!
Waarheid en zegen welt uit uw boezem,
Stroomt uit uw mond.

Gij, 't Licht der wereld, schijnt in de duisternis:
De neevlen zwichten; klaarheid en zuiverheid ,
Straalt om U henen. Leugen en dwaling
Smelten voor U.

’t Heelal veroudert, alles verandert ééns:
Uw woord is eeuwig, vast uw getuigenis;
't Woeden der eeuwen spilt op dien rotssteen
Al zijn geweld.

Gij kent geen vleitaal, kent geen bedekselen:
Uw hart behoeft geen tooi, noch bewimpeling;
Rein, als uw Godheid, siert het zich zelve,
Blinkt het van deugd.

Gij zoekt geen grootheid, vreest geen vernedering:
Van 't pad der waarheid, 't spoor uwer heerlijkheid,
Lokken U nimmer, laagheid noch eerzucht,
Vreze noch hoop.

Geen zucht tot vrede, Gij die ons vrede geeft,
Verbergt uw mening. — „ Wee u! gij huichelaars!"
Zegt Ge aan de Groten. — „Achter mij, Satan!"
Zegt Ge aan uw vriend.

De hel moog woeden, God Hem verlaten zelfs,
Nog zegt Hij: „Vader!" — Hoort het, gij hemelen
't Aardrijk beweegt zich. Sidder, gij Hoofdman!
Deze is Gods Zoon!

Hij vaart ten hemel! Groot is zijn zegepraal!
De Geest der waarheid geeft Hem getuigenis,
Petrus, zo kort nog blind voor de heilleer,
Predikt het kruis.

De Vriend der waarheid zegent die prediking.
Een schaar verdwaalden, zelfs van zijn kruisigers,
Eren het zoenbloed. De einden der aarde
Vinden genâ.

Nog leeft de waarheid! — Jesus beveiligt haar.
Geen vrees, geen kluister kerkert haar zegelied.
Spotzucht en laster, alles verspilt zich;
Jesus regeert!

Hij is ons gistren, —. heden, — in eeuwigheid,
Een Rots, een Heiland; nimmer begeeft Hij ons.
Werelden, liegtvrij! Jesus komt weder;
Waarheid met Hem.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

afscheid

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Afscheid.

Het avondzonnetje vlamde in ons raam
En gloeide ons geveltje rood.
Tien snoezige zwaluwen zaten te zaam
Te snebbelen hoog op de goot.

Maar wát ze kwebbelden, al door elkaar,
Daar werd wel niemand uit wijs:
Best mogelijk maakten ze 't reisplan klaar,
Ze gingen die avond op reis.

Daar gilde' opeens ons vaarwel alle tien
En weggescheerd was de drom;
Ons grootje riep ook nog: tot wederzien,
Maar zag ze toch nimmer weerom.

Kindergedichten  (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:34 Reageer op dit bericht

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

GIJ DAN, DIE IN 'T NAAKT

Gij dan, die in 't naakt de zonde ziet,
Die zijn heiligste glans ook in 't beeld verbiedt,
Die wilt dat ellende - ellende verrijkt -
Ten minste gehuld vóór uw poort bezwijkt,
Wat laat gij de geest vol schaamte gaan
In de waaiende wereld der vijgenijgenbladblaân?
Moest hem niet zediger zorg besteed?
Moest hij niet pralen in prachtig kleed?...
O, mensen, wij leven niet slechts van brood;
En, is de honger de hoogste nood,
Daar is ook honger aan kennis. Heil
Den lande, waar weelde niet boven uw peil,
O wetenschap, klimt; waar elk bewust
Voor de levensstrijd staat toegerust;
Waar het boek is arbeid, de hamer eer,
En de koeherder rijst als kamerheer.

Toortsen (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:39 Reageer op dit bericht

toewijding

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Toewijding. aan ***

Hervond gij ooit een lint, een bloem, een blad,
Een stille erinn'ring aan verleden dagen,
't Vergeten beeld van vroeger vriend of magen,
Die ge eens bemind, betreurd, verloren had?

't Is smartlijk zoet: - en bij het treurend klagen,
Om wat te snel verdorde op 't levenspad,
Plooit soms een lach de wang, van tranen nat,
Een dartle lach van lust en welbehagen. -

Wist zo mijn luit, in 't lied U opgedragen,
De Erinn'ring aan 't verleden op te dagen,
Van 't schoon Verleden, dat ik nooit vergat,

Licht zoudt ge, als vroeger in Minerve's stad,
Met blanke hand een traan uit de ogen vagen,
Om met een lach te staren op dit blad.

De Gids (1841)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:57 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Henriette Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

't Is nu de kentertijd

't Is nu de kentertijd
dat de vrouw naar nieuw levenswater glijdt;
diep water, waarin bare' als Bergen klimmen;
wijd water, en ver aan de verre kimmen
verwaast vredes zacht-bloeiende kust.
0 Maatschappij, gij zee, die kent geen rust,
uit de luwe kreken van het verleden
zwemt de vrouw naar uw ruwe machtigheden.
Het is nu ook de tijd
dat het vrouwen-gemoed kentering lijdt:
uit de vloeibare lusten
en aandriften, verhardt zich daarin 't vast-bewuste,
als in oer-oude dagen
d' aard' uit vloeibaarheid vormde vaste lagen,
of als nog heden in 't heelal
telkens uit gasse' ontstaat een vaste bal,
een nieuwe kern, een donk're levensbeker. —
Zoo stolt zich nu natuur, die vlottender en weker
was in de vrouw, vol van 't oer-element
instinkt, tot verstand dat zichzelve kent
en het gebied tot aan zijn verste transen
afzoekt met eigen glansen.

De vrouw in het woud (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van W.F Oostveen 1849-1890

Arm Meisje.

Arm meisje dwaalt zoo eenzaam
En treurig over straat
En wekt het medelijden
Van wie haar gadeslaat.

Toch vraagt het kind der armen
In 't meer dan schamel kleed
Vaak nog vergeefs erbarmen
Met haar ellende en leed.

Och, mocht gij haar ontmoeten
Verzacht haar droefenis
In naam van Hem daarboven
Die ook haar Vader is.

Kinderlust en kinderleed (1883)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

roos

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803

De verwelkte roos

Waarom verwelkt de roos zo ras?
Zei Jantje, och of 't anders was!
God wierd ook, dunkt me, meer geprezen,
Zo 't roosje langer bleef in wezen.

Al denkt ge, dat ge 't wel doorziet,
Mijn lieve Jan! het is zo niet.
De Schepper weet het best van allen,
Waarom 't zo schielijk af moet vallen;
En wil ook, dat ge gadeslaat,
Hoe ras het aardse schoon vergaat.
De schepper, die 't ons past te vrezen,
Wordt door bedillen nooit geprezen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

moskee

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

 IN DE MOSKEE.

Ets van Beuer.

Trots op het witte ros, dat buigt gedwee,
Verheft hij zich, de Sultan, met gebaar
Van heerschappij, en angstig deint de schaar
In 't vale schemerlicht van de moskee.

En door de ruimte ruiht een bange beê
Tot hem, de heerser, aan wiens voeten daar
Een mensenhoofd geveld ligt, met gestaar
Van brekende ogen in een macht'loos wee.

De blanke zuilen stijgen stil omhoog,
En bevend droomt het licht in de gewelven,
Neerzind'rend wil 't de mensenzee bedelven.

Twee ranke lampen dalen van de boog,
En werpen witte reinheid om zich henen...
Steeds momm'lend waart alom het doffe stenen.

Ver van 't gewoel (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

ALLEN

Zijn het enkel maar deez' weingen,
Die, de Droom te voet gevallen,
Zich aan zijne aanblik reingen?
Neen, ik voel de gloed in allen.

Als in 't najaar vogelscharen,
Zich verzaamlend voor zij trekken,
Blanker dan het schuim der baren,
Kust en duinenrug bedekken,

Eerst in aarzelend gewemel
Angstig door elkander kringend,
Dan - hun opvlucht naar de hemel,
En de zee het reislied zingend;

Zo staan talloze verlangers
Zuidwaarts naar de trans te turen;
Doch hun stem is niet des zangers,
Dus hun zucht zal ook niet dúren.

Kònden zij het blauw bevolken
Met hun beeldende gezichten,
Tuinen zouden door de wolken,
In een teelt van rozen, lichten;

Ieders ander land ging gloren
In een glans van zomerweders,
En zijzelven, nieuwgeboren,
Zweefden op ontploken veders.

Liefste, ik heb alleen van zeven
't Lied der laatste hoop doen schallen,
Maar één vers blijft ongeschreven:
Het gebed der duizendtallen.

Opvluchten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

najaarslied

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Najaarslied.
Ik ken geen schoner kleuren
Dan die van 't Hollands bos
In bruine najaarsdos;
Ik ken geen zoeter geuren,
Dan die uit droge mos,
Uit geelrode eikenbladeren
En varenkruid dat bloeit,
Mij op het koeltje naderen,
Dat met mijn lokken stoeit.

Ik ken geen schoner zangen
Dan vink en lijster slaakt,
Bij 't morgenlicht ontwaakt,
Eer hen de strikken vangen,
Door al wat zingt gewraakt:
De wildzang uit de twijgen
Met vochtig rag omstrikt,
Dat, als de dampen stijgen,
Met perels blijft bestikt.

Ik ken geen schoner luchten
Dan waar de herfst mee praalt,
Als 't zonlicht nederdaalt
En dorpen en gehuchten
In goud en kleuren maalt.
Dan rijzen blanke rotsen
En donkre bergen op,
Begroeid met ruige bossen,
Verguld aan rand en top.

Dan spelen alle verven
Dooreen met stille pracht,
Tot dat ze, schoon en zacht,
Versmelten en versterven,
En zeggen: ‘Het wordt nacht!
Weer is een dag vervlogen;
Welhaast een jaargetij:
Een jaar gaat voor uwe ogen,
Gelijk een damp voorbij.’

Gedichten III (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

herfst

Herfst


Toornige vreugde doet mij rechtop gaan
dwars door de herfstige plantsoenen
waar in het nat verwilderd gras
rillend naast de zwarte plas
een troep verregende kalkoenen
verworpen, onheilspellend staat.

De wind schuift in de glazen wolken
lichtende wakken hemel open
en wervelt glinsterende kolken
omhoog uit gele bladerhopen.
Als gevallen englen hokken
door geen zon meer te verzoenen
in een somber dreigend mokken
daar mijn broeders de kalkoenen.

Maria Vasalis,
uit parken en woestijnen

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

dingen

Een gedicht van V. de Meyere 1873-1938

Er schuilt in al de dingen, die ik zing

Er schuilt in al de dingen, die ik zing
zo'n wondre zin die weinigen beseffen
zullen, in hun stil-leven dat zó effen
henenvloeit, zonder droom noch mijmering.

0, zangen van mijn Ziel! ik zeg mijn leven
rein uit in uwe gelukzaligheid,
omdat elk lied, altoos een nieuwer streven,
een breder Passie om mijn slapen leit.

Uw zoet geluid, dat om mij heen komt spelen
met balsemklanken, die mijn oren strelen,
't ruist al de jeugdge schoonheid van mijn hert!

Groot is uw doel, mijn zang : Een jeugd van weelde,-
maar ook van smart, - 't herscheppen met die beelden
die mij omruisten sinds ik Dichter werd!

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

sibylla

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Sibylla

Sibylla, aangebeden kind -
zoo wispelturig als de wind -
die louter zielenvreugde vindt
met herten doen te smachten,
die gij door uwe schoonheid blindt
en aan uw zegekarre bindt,
terwijl ge toch geen een bemint,
hoe zij naar u ook trachten.

Is ‘t niet uw blauwig ogenpaar,
uw blond gestruiveld fulpenhaar,
uw stem, als ene harp zo klaar,
die ieders ziele vangen?
ik weet niet, maar ik word gewaar,
en waar ik ben, en waar ik vaar,
dat ik toch altoos, altoos naar
uw liefde blijf verlangen.

Eens, 't was in 't schone jaargetij,
ging ik zo zalig naars uw zij;
uw beeld versmolt zich gans in mij:
Ik wou u min betonen!
Gij lachtet, hiet het gekkernij,
doch waart zo goedgezind en vrij,
om mijne liefde, uit medelij,
met gene spot te lonen.

Bevallig meisje, is ‘t mijn schuld,
dat steeds mijn hert, met u vervuld,
geen ander beeld dan ‘t uwe duldt?
O, 'k heb het God gezworen:
Dat ik, waar ge u ook wenden zult,
hoe ge  uw englenneusken krult,
u volgen zal met mijne huld',
al moest ik gaan verloren!

Sibylla, godgewijde meid,
eens daagt de hemelse eeuwigheid
voor allen die, in zedigheid,
met ‘t hert vol liefde leven!
O, als uw ziel van ‘t lichaam scheidt,
moog dan in ‘t licht, dat zij verspreidt,
mijn geest, vol vuurge tederheid,
lofzingend, juichend zweven!

Gedichten (1861 - 1863)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:05 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhof 1898-1936

Novalis

Hij wist met kalme angst hoe alles moest
Leven. Voortleven, zalig of verdoemd.
Niets wordt vernietigd, spoorloos verwoest:
Een geur, een toon die in de stilte zoemt,

Iets blijft, hoe ook verijld, versteend, verbloemd,
Leven moet alles tot in eeuwigheid.
Geen sluimering, geen min, geen dood verzoent
De kruistocht redeloos door ruimte en tijd.

De doden rusten niet, gezweept tot feesten
Waarin zij ijdel trachten te bezwijmen
Tot redding uit de onduldbare geheimen.

En ieder zwervling is omzwermd door geesten;
Nooit worden wij eenzaam en nooit met rust
gelaten aan een beek, een graf, een kust.

Erts (1927)

Illustratie: Novalis (1772 - 1801)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten