Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

het dooit

Een gedicht van Alice Nahon 19896-1933

Het Dooit.

Zoals bij 't sneeuwen
die vlokskens, verveerd,
weiflend en trage
vallen op eerd,
zo moeten alle
gedachten van ons,
van uit de hemel
van room en dons,
dalen op aarde
waar alles dooit
wat sneeuwwit en droomrig
de dingen vermooit.

Droef is de dooi
maar als, uitgeblomd,
dat donzen droomsel
gefilterd komt
uit zuivere lagen
van wijze grond,
kristal is voor de ogen,
wijn voor de mond,
muziek voor de dichter,
drank voor de plant,
dan leer ik de lesse
van dooi in 't verstand.

Dooi die de vlokskens
tot wateren wijdt,
dooi die mijn dromen
tot daden herleidt,
droef zijt ge telkens
want ‘lief’ is op aard
wat blank als de sneeuw nog
zijn dromen bewaart,
maar drinkbaar het water
der ziel, dat, verreind,
door smarten gefilterd
naar de harten fonteint.

Dietsche Warande en Belfort jrg. 1926 (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:01 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

oud en nieuw

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Oud en nieuw.

Zeg eens! - 'k hoor u altijd dromen
Van de goede 'oude’ tijd:
Zou er.... denk ik dan met spijt,
Nooit een goede 'nieuwe’ komen?....
Maak te schande, maak te schande
Al die prijzers van 't verleên;
Sla de handen flink ineen,
Wakkre mannen in den lande:
Toon, dat er nog kracht en pit
Ons in merg en beendren zit!

Zij het al niet met musketten,
Zij het niet met zwaard en lans,
Toch blijft ons nog schone kans
Om de vijand pal te zetten.
Maak te schande, maak te schande
Al die vechters voor 't verleên,
Sla' weer moedig om u heen
Wakkre mannen in den lande!
Zorg, dat Vroomheid, Vroedheid, Vlijt,
't Zwaard zij van de 'nieuwe’ tijd.

Zij uw weefgetouw het rapste
Van het hele wereldrond;
Klieve uw ploeg het best de grond;
Blijve uw handelsman de knapste!
Maak te schande, maak te schande
Frankrijks fijnheid, Englands kracht,
Duitslands weten, Ruslands macht...
Wakkre mannen in den lande! -
Vrank en vrij, en stuur en stout
Blijf 'Jong’-Neêrland, als het 'Oud’!

Bind dan, als in vroeger dagen,
Naast de driekleur, aan uw mast
Niet alleen de bezem vast
Om de zee mee schoon te vagen....
Maak te schande, maak te schande
Die hem 't oude doel slechts wijdt:
Toon, dat hij, in nieuwe tijd,
Nog wel béter veegt te l a n d e ....
Dat hij nu het éérst en méést
't Onkruid veegt uit hart en geest!

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

heide

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

De heide is maar stil

De heide is maar stil,
het overal vol licht,
en als een zilverspil
het zonnelicht;

de wolken varen weg
over het vage blauwgrijze,
heel ver liggen witte weg
op zilvere wijze.

Ik voel de wind vergaan
om mijne oren,
ik wilde wel vergaan

in 't licht te lore.

--------------------
uit: Verzen (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

blijde dag

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Het is een blijde dag

Het is een blijde dag: het wit
Der sneeuw is door geen voet gekrookt.
De zonneschijn is zuiver goud.
De luchten staan van kristallijn.
De wind, die door de bomen strookt,
Rooft heel hun schat van tintlend rijm.
En als een vorst, die door de straten rijdt,
Strooit hij juwelen achteloos en wijd en zijd.

Het is een blijde dag: wij twee
Gaan dicht en veilig naast elkaar,
Met ogen hel van één geluk,
En onze schaduws zijn vereend
Een wazen koude blauwte, waar
De sneeuw in glinstert fel en vreemd.
En onze stemmen zijn gebenedijd,
Zo klaar en zacht en zoet en vol van zaligheid.

Het is een blijde dag: de lucht
Staat strak van onbewogen licht.
De sneeuw licht zuiver huiverrein.
Wij gaan tezaam, verheugd en stil,
Gezicht naast vredig aangezicht,
En één van hart en één van wil,
En zalig in de blankheid van dit uur.
Kortstondig als de sneeuw, maar wit en hel en puur!

De overgave (1914-1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

stuur

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936 

STUUR 'M DAN NIET HEEN

Als een mens komt met vriend'lijk ooggekijk,
Mond die iets liefs vertelt,
Stuur 'm dan niet been: 'keer morgen weer.'
Want wat één mens een andre liefs bescheer',
Is zonneschijn, die door de wolken welt,
Of een geplukte bloem gelijk.

Als zonneschijn, die door de wolken welt,
Drijft alle liefs voorbij.
Kijk op en zie of weet het niet;
Het licht in bleek gewolk vervliet:
't Lieve op een mond, die liefs vertelt,
Dort als een bloem, 'n geplukte, ai mij!

O morgen is een bloem een bloem,
Maar die ik plukte is dood:
En nieuw licht schijnt door wolken heen,
Maar 't licht dat ík u wees verdween;
En zonder liefs ben 'k nooit, geen nood,
Want liefs doen is poëten-roem; -
Maar d i t liefs vlood.

Nieuwe Gedichten (1901)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

Aan de Winter

Op den eerste sneeuwdag, in december 1827.
                 -  

Ha, oude Kennis! weer in 't land?
Ontzie een Koudkleum, zo 't kan wezen:
      Mijn levenskerfstof geeft u dra
Zes kruisen met een krap te lezen.

      En, deed mijn jeugd, min kil van bloed,
De citersnaar uw roem gewagen;
      Gij hebt het loon thans in uw hand -
Betaal het aan mijne oude dagen:

Een Feest vergoê, bij 't slot van 't jaar,
Wat ons zijn aanvang liet verduren:
      Moog', door uw hulp, de Waterloo
Het eind zien van heure avonturen.

      Schenk - schenk ons haast die ZOON terug -
De ZEEMAN, daar ons hart voor saagde;
      Toen - menig zwarte stond! - de dood
Zo menig dierbaar hoofd belaagde!

      Toen 't groeiend ijs, het dreigend Rif,
En de onbetrouwbre luim der winden
      De schaar, vermoeid van 't werk des dags,
In banger nacht geen rust liet vinden!

      't Zuidwesten vulle, op uw bestel,
Het zeildoek aan de Britse masten,
      Geplant in 't Neêrlands zeekasteel,
Dat Sonda's golven sinds omplasten.

      Dat ras de loots, voor Hollands wal
De boeg, die huiswaarts ziet, bejegen'!
      Dan toeft u hier ene erekrans,
Als onze Zwervling de ouderzegen.

De Waterloo, een oorlogsschip dat na averij bij Texel zijn reis naar Batavia voortzette

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

sta

Een gedicht van Nivcolaas Beets 1814-1903

Sta bene.

Wij zijn een natie van stavast, niet waar?
Ziedaar een trots, waar we onze troost bij zoeken.
Nu ja; die predikant staat hier of daar,
En onze kunst en wijsheid staat in boeken.

't Is alles even staande, als een pilaar.
Wij hebben staande jassen, staande broeken;
‘Die rok staat goed!’ In Frankrijk zou het zijn:
‘Mais cet' habit, mon cher! vous va très bien.’

Wij hebben een staand leger; sta-soldaten;
Studenten ook, die knevels laten staan;
Een sta-volharding, die niet veel wil baten;
Een sta-geleerdheid, die niet voort wil gaan,
Maar blijft, waar groot-papa het heeft gelaten;
Sta-classici met ijzren harnas aan.
Wat nood, indien we ons voetenpaar ontbeerden,
Indien wij niet somtijds de pas markeerden?

Maar deze wufte Fransjes, wel bekend,
Waarvan ik met een woord reeds heb gesproken:
Dat volkje loopt, en draaft, en vliegt, en rent,
Dol als een zee, waarin de stormen spoken.

Doch weet gij wat ik zeg? Men lette op 't end!
Eenzelfde hel zal voor hen allen roken!
Maar wij, wij hebben nooit iets kwaads gedaan,
Daar wij zo vast in onze schoenen staan.

Gedichten II (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

verhangen

Een gedicht van Omer Karel de Laey 1876-1909

Verhangen

’s Nuchtens, over winter, hangt 'n
schuwe schooier in de top
van een eike, langs een wegel,
witgeijzeld, aan 'n strop.

Zijn gerokken lijf, in vodden,
wiegelt met een doof gerucht
van de takken, lijk de slinger
van een uurwerk, door de lucht.

Diepe, met de randen vóór zijn
ogen, zit een vette hoed,
en er leken uit zijn neuze-
gaten zwarte druppels bloed.

Over ’t veld, in wilde snakken,
loopt de scherpe wind en vaart,
huilend lijk een brakke, door de
stoppels van zijn roste baard.

Uit de hemel, grauw lijk asse,
met een aardig moordgeschreeuw
draait een kraaie, rond de eike,
nerewaarts, tot in de sneeuw.

En ze vlucht, omdat de schooier
zijn bebloede tong uitsteekt
naar de zon, die lijk een gouden
penning, door het oosten breekt.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

oordel niet

Een gedicht van J.L. Nierstrasz 1796-1828

OORDEEL NIET!

Wees in ’t oordeel niet lichtvaardig,
Gij, die struikelt waar gij gaat!
Vraag, eer ge andren liefdloos smaadt,
Welk een vonnis ben ík waardig?

fragment

schrijver

Geschreven door Dora om 21:05 Reageer op dit bericht

tranen

Een gedicht van G.H.J.E. Boswel 1830-1874

Tranen.

Droevige ziel! die geen uitkomst meer weet,
Is uwe hope gezwicht?
God geeft u tranen tot balsem in 't leed...
Broeder! uw lijden wordt licht!

Deed ge uw beminde uwe liefde verstaan,
Glipte uit haar lipjes geen woord;
Welde er van weelde in haar oogjes een traan?...
Makker! uw dageraad gloort!

Werd gij, verdoolde! der deugd weer getrouw;
Buigt gij boetvaardig u neer;
Biecht gij uw schuld in een traan van berouw?...
Heil u! en zondig niet meer!

Mij treffen marmeren tomben niet; neen,
'k Zie ze wangunstig niet aan;
'k Vraag aan mijn vrienden geen ijzer of steen...
'k Wens op mijn graf maar een traan!

Zalig! wie immer aan 't goed dat hij doet,
Tranen van meêlij vereent! -
Zalig! om wie ooit een lijdend gemoed
Tranen van vreugd heeft geweend!

Vaderlandsche Letteroefeningen  (1855)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

krankheid

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1909

KRANKHEID

Neen, nimmer kan in eenzaamheid
       Ik met mijzelf verkeren,
       Of vleugels hangen uitgespreid,
       Een klauw wil mij bezeren;

Een sombre vogel volgt mij staag,
       Gekromde kling de snavel,
       Bloedrood de pluimen van zijn kraag,       
       De mantel geel als zwavel.

Hef ik het hoofd, om 't meeuwenvolk
       In zilvren zwier te aanschouwen,
       Dan drijft hij als een donderwolk
       Tussen mijn blik en 't blauwe.

Buk ik mij neer waar bloemen staan,
       Of kleine zonnen schijnen,
       Daar vaart zijn schaduw langs mijn paan,       
       En doet dit goud verkwijnen.

Wel menig vrucht wenkt met heur mond
       De dorte mijner lippen;
       De vijand waakt, voor ik het vond,
       Zie ik mij 't zoet ontglippen.

Ook bij de noen aan 't blanke maal,
       Als ik mijn brood ga breken,
       En lijnwaad, beker, aarden schaal
       Zo trouwlijk met mij spreken,

Doorhuivert mij dat nóg een gast
       Van brood en room moet eten;
       Ik reik op schotels volgetast
       De helft hem van mijn beten.

Zelfs in de droom, kuis heiligdom,
       Waar 't leed zich komt verteedren,
       Suist langs de lampen om en om
       De wiekslag zijner veedren.

Van morgen, middag, avondrood
        Wil hij de gaven rapen,
        En, neemt de nacht mij in haar schoot,
        Moet hij ook naast mij slapen.

Soms tast ik vloekend naar mijn roer,
        Die kwaal in 't hart te treffen,
        Maar 't is of mij een stem bezwoer,
        De wetten te beseffen.

Ik grijp mijn zwaard om 't hoofd te slaan,      
        Een gifkelk van de stengel;
        Vast ziet zijn meerdiep oog mij aan,
        En ik herken een engel.

Herscheppingen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

kozak

Een gedicht van Cornelis van Marle 1765-1834

  

De kozak en zijn meisje

Olis

Minka! ach! wij moeten scheiden;
Hoor het krijgsklaroen mij beiden,
Zie, op gindse vale heiden,
Reeds mijn drom geschaard.
Treurig zal nu 't licht mij stralen,
Wenend zal ik eenzaam dwalen,
En zo lang uw naam herhalen,
Als mij 't krijgslot spaart.
Nooit zal ik van U mij wenden:
Midden zelfs in 's vijands benden,
Zal ik groeten tot U zenden,
Als mijn speerspits woedt.
Men'ge maan nog zal verbleken,
Eer ik kere uit verre streken.
ô Verhoor mijn jongste smeken:
Blijf mij trouw en goed!

Minka

Gij, mijn Olis! mij verlaten!
Ach! geen troost meer zal mij baten;
Elke vreugde zal ik haten,
Die zich lachend biedt.
Lange nachten, droeve dagen,
Zal ik mijne kommer klagen;
Alle koeltjens zal ik vragen:
"Zaagt gij Olis niet?"
Mijn gezang, weleer zoo teder,
Zwijgt; mijn oog zinkt treurig neder,
Doch zie ik U eenmaal weder,
Dan zal 't anders zijn.
Schoon ook al de frisse verwen
Op uw bruine wangen sterven,
Wonden U het voorhoofd kerven,
Eeuwig zijt ge mijn!

Rijmelarij (1814)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van G.H.J.E. Boswel 1830-1874

LIEFDE.

Daar is een zoeken,
Dat woord en daad
(Liefst in 't verborgen)
Voor 't al moog zorgen,
Dat andren baat.

Gij, mijn vriendinne
Gij, tal van weken,
In zorg verstreken,
Gij toondet mij:
Die zusterliefde,
Die weinig vraagt;
Dat innig streven,
Om vreugd te geven
Wie smarten draagt!

Wie mag beogen
Zulk rein genot,
In 't aards gewemel
Vindt zij een hemel . . .
Haar zegent God!

Den Haag, 1866

schrijver

Geschreven door Dora om 19:24 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Eduard Brom 1864-1935

Aan mijn vrouw  20 Juli 1932.

Ne li occhi porta la mia donna Amore,
Per che si fa gentil cio ch'ella mira.

Dante Alighieri (1265-1321)


Je fijne gratie mij omwevend
Als geuren delicaat,
Je geest zo lichtend en zo levend
Mijn geest omzwevend, saam opstrevend .....
Je tere vrouwlijkheid, mij gevend
Een nieuw geluk nog laat
Maar jong en lichtend als een avend
Van droom en kleur en koelte lavend,
Een avond die héél langzaam duistert,
Maar door geen duister wordt ontluisterd .....
Want de avond-Schoonheid wil niet marren:
Uit dage-scheiden Zij ontluikt
In mane-glans en gouden starren,
In blijheid die de vogel tjuikt:
Een avond die de nacht weerstaat
Tot aan de nieuwe dageraad!

Laat dan mijn avondbeê je danken
In zacht koraal van morgenklanken,
Alsof mijn ziel pas werd gewekt
En nu opééns zichzelve ontdekt,
Als zon uit wolken openbrekend,
En met een vreemde stemme sprekend,
Aan lang verzaamde zingens-stof
Ontlenend plots der Liefde lof!

De Gemeenschap jrg 8 (Utrecht 1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

dropsteen

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

 

Dropsteen

Bij 't rossig, zwaaiend schijnsel der flambouw,
Welks walmen tranen teelt bij 't krinklend stijgen,
Zie 'k spichtig kegels stijgen, pegels nijgen,
Wier blijde blankheid werd tot wenend grauw.

Het dropt, het dropt, van spits tot spits; aanschouw,
Hoe langzaam droppen door de droppen zijgen,
En, vallend, leven geven aan het zwijgen,
En worden tot een zuil bevrozen dauw.

Wat daalt, zoekt wat daar rijst, en welhaast zullen
Zij, samengroeiend tot één eeuw'ge zuil,
Elkaar omhelzen, en met schors omhullen.

Zó gaat het morgen in het gister schuil;
Zó kwam Mathilde mijn gemoed vervullen,
En kreeg mijn ganse ziel daarvoor in ruil.

Mathilde (XXXVIII)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:32 Reageer op dit bericht

natuur

Een gedicht van Antoinette Kleijn-Ockerse 1762-1828

Natuur, zo zacht

Natuur, zo zacht, zo wars van schijn,
laat in uw spoor mijn voetstap zijn,
gelei mij door 't oneffen land
gelijk een kind aan 's moeders hand.

Als ik vermoeid van struiklen keer,
dan zink ik aan uw boezen weer;
dan lest aan uwe moederborst
uw hemelnekter mijne dorst.

Hoe rust ik dan in uwe arm!
gij dekt mij in de koude warm.
O! lei mij door 't oneffen land
gelijk een kind aan 's moeders hand?

schrijver

Geschreven door Dora om 22:12 Reageer op dit bericht

kogels

Een gedicht van Carel Vosmaer 1826-1888

Het raapt al kogels

De vorsten spelen 't hoge spel,
't Plunderende, volkenmoordende spel,
Waar 't krijt gekozen is, wordt al
Wat oogst beloofde
Groen weggemaaid;
't Hinderlaagbiedende struikgewas
En 't breed gekruinde hout geveld;
Bloemrijke villa's en nijvere hoeven geslecht;
En vóór de oorlog
Is reeds het schone land geschonden,
Natuur verkracht.

Dan woedt de krijg op 't leeg gevluchte land.
Volken, in vrede wedijverend,
Vrienden door kunst en verstand,
Vrienden weer na de bedwelming,
Storten, waanzinnigen,
Opgezweept en verdwaasd
Door heersersgeweld en bedrog,
Elkander op 't lijf,
Trompetten en trommen verdoven 't gevoel;
De glorie, vuige deern,
Meestbiedenden, meestbloedoffrenden veil,
Viert de beestlijke tochten.
Uit bloedroes en kruitwalm ontwakend
Heet één de zegevierende!

En ginds raapt, welbewaakt,
Het keizerskind van 't slagveld
Wat kogels spelend op,
En lacht.

2 aug. 1870

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

ander

Een gedicht van Joost van de Vondel 1587-1679

Ander.

Koridon.

Koom hier, o goelijk meisje.
Gij ziet de velden groenen.
Vergun me slechts een reisje,
Dat ik uw mond mag zoenen,
En uw wangen, uit lust en verlangen.
Ay koom wat nader:
Want uwe moeder en was niet vroeder.
Zij kuste vader.

De duiven trekkebekken.
De dieren in de weiden
Een lijn te zamen trekken.
Wie kan de liefde scheiden
Van het leven, de jonkheid gegeven
Om te gebruiken?
Liefde moet bloeien. Door liefde groeien
De boom en struiken.

De werken van Vondel. Tiende deel 1663-1674.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

wolken

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

 

De gele wolken werden langzaam rood...

De gele wolken werden langzaam rood.
Dan dacht hij: Nu begint zonsondergang;
En keek weer naar de zwaluwen, die zo lang
De zon nog konden zien. En dikwijls schoot

De angst door hem heen: Eenmaal gaat moeder dood,
Hoe moet het dan? - Eens voelde hij bij zijn wang
'T laag rits'len van een vleermuis, en werd bang,
Toen hij 'm van dichtbij zag, grijs, plots'ling-groot.

Dan merkte hij, hoe in zijn afgrond diep
Het donker stond en langzaam overliep,
En golven duisternis de omgeving vulden;

En dan, op eens, zag hij blauw fonk'len, vlak
Tegen de schuine lijn van 't verste dak,
Die mooie ster, blank als een nieuwe gulden.

Brahman I (1919}

schrijver

Geschreven door Dora om 19:10 Reageer op dit bericht

de bruid

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

 

De bruid

Wie roept er in de nacht? Welk aards gefluister
groeit uit de diepten tot gejuich of klacht,
welk is die stem slechts hoorbaar in het duister?
Wie roept er in de nacht?

Het zwelt, het stijgt; dan wordt het fijn en teder
en kaatst als zeepbel op een effen plas;
het zweeft, zo licht als een verwaaide veder,
over het donker gras.

’t Is het uur dat levens- en liefdedronken,
de aarde het hart heeft ener jongen bruid,
en nachtegaal in bottende eikenstronken
voor ’t eerst van liefde fluit.

Wie roept er in de nacht? De stem der aarde
die juicht in hartstocht en in weelde weent!
Er springen bloesems open als de gaarde
de klacht der bruid verneemt!

De nacht verheelt het wonderlijk gebeuren,
de schone pijn van haar ontvangenis,
maar als des morgens, door oranje deuren,
wijkt koelte en duisternis,

dan trillen duizend blanke silhouetten,
over de bruid die bloost, maar helder lacht
onder ’t gewelf der bomen, bruidsboeketten
ontloken in één nacht!

Verzamelde gedichten (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten