Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Aan New-York (2)

2.

Uw schoonste vloed draagt Hudsons naam,
Hij schakelt honderd bergen zaam,
Hij ruist door duizenden valleien:
Welluidendste trompet der faam,
Zoetvloeiend zangrigste aller reien!
En toch, hoe ge onze Vaad'ren hoont
Daar ge u slechts hem erkentlijk toont;
Daar ge u de erinn'ring schijnt te schamen,
Hoe over 't ongetrouwe diep
Onze Amsterdammers met hem kwamen,
Dat Neêrland u in 't aanzijn riep?
De natie die voor gene zwichtte
Toen ze u de rang van dochter schonk;
Toen ze in Europa's ogen blonk
Als vrijgevochtene, als verlichte,
En, - parel van die dubb'le kroon! -
Als vrome, die geen balling weerde,
Hoe ook zijn geest zijn God vereerde;
Neen, allen schuilplaats heeft geboôn,
Tot zelfs die stugge Pelgrimsvaad'ren,
Wier lof uw dichtrenschaar vermeldt,
Wier deugd ge in uw historieblaad'ren
Voor 't nakroost onbereikbaar stelt, -
Wier bloed moest tuigen in uwe aad'ren!

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Aan New-York. (1)

1

O ongelijkbre Stedenmaagd!
Wier trots een grootser hulde vraagt
Dan de offers door twee watergoden,
- Het paar dat u zo willig draagt, -
Om strijd en knielende aangeboden;
Hoogmoedige! wier blik niet rust
Op 't lommer van de dubble kust,
Of 't vlak der zaamgevloeide stromen,
Wijl ge uit het blauwende verschiet
De grijze Oceaan hoort komen,
Zijn drietand uwaarts nijgen ziet;
O Handelsbruid der Vrije Staten!
Herinnert ge u, als de avondstond
Uw lieflijk landschap enger rondt,
Uw baai verkleend schijnt en verlaten,
Daar vale scheem'ring 't mastbos huift
Waaruit u 's daags van steng en staggen
Een wemelende rij van vlaggen
De groet der verste volken wuift; -
Gedenkt ge in zulk een uur 't verleden,
Het klene jacht, de klener jol,
Het eerst uwe engten ingegleden;
Schiet dan van dank uw boezem vol
Voor wie u stichtten, Stad der steden?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

de zee

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

De zee

Moog' hij 't zalig Veld bezingen,
Die de Mei ontwaken zag;
't  Groen der heuvlen zag ontspringen,
Bij haar eerste zegenlach.
In  bepeinzing opgetogen,
Staarden wij van de effen ree:
't   Ongemeten boeide onze ogen -
En ons lied zijt GIJ, 0 ZEE!

Hoe lieflijk is uw rust,
Als de avondstilte uw baren sust;
Het kerend tij uw spiegel nauw doet kroken;
De heldre lamp der maan,
Aan 't blauw gewelf ontstoken,
De visser toeglanst op zijn baan!

Uw ruim verbreedt zich niet,
Waar 't ons geen gouden oogsten biedt,
Van 't weemlig vlak tot in de diepste kolken.
Gij draagt des werelds schat!
Door u is 't heer der volken
Al samen burger te ener stad!

De schare komt, van Zuid en Noorden,
Uw paden langs. Van Nijl en Rijn;
Van Zilvervloeds en Indus boorden;
Bij vredes milde zonneschijn.

Herbouw, breid uit, met feestgezangen,
De muren door hun vlijt bezocht!
Ach, vrede, vrede leidt hun gangen,
En blijde welvaart sluit die tocht!

De schare komt, van Zuid en Noorden,
Ter haven in; van Nijl en Rijn;
Van Zilvervloeds en Indus boorden;
Bij vredes milde zonneschijn!

Laat hun dank de Redder prijzen,
Die de orkanen bond!

Wiens sterke hand de kiel deed rijzen,
Boven bank en slibbergrond.

Laat hun dank de Redder prijzen!
Menig zag het land verrijzen,
Waar zijn lijk slechts berging vond.

Hoor, het murmelt luider in de touwen,
En al woester zwalpt het toornig meer.
De oever, straks zo lieflijk aan te schouwen,
Kaatst de golfslag onheilspellend weer.

Terug, vermeetlen! In de branding loert
De Dood, van 't steil der klippen. Boven haar
Ontvlamt de donderwolk. Terug!
Eilaas,
Reeds huilt de stormwind; de oceaan verheft
Zijn waatren, met gebulder; duisternis
Omhult het diep; het raatlend zwerk verdooft
Des scheeplings angstgejammer; toomloos vliegt
De kiel ten hemel; schiet ten afgrond neer;
Botst krakend tegen 't rif; en is niet meer!

Der Tijden Jeugd zag dus zich 't oproer paren
Van wolken en van baren:
Vergeefs stond duin naast duin geplant;
De Zee, haar grenzen uitgevaren,
Verzwolg ze, en scheurde 't effen land;
En 't rotsig Hoog werd langs haar baan ten strand.

Getuige er van dat woelig Breed,
Dat Neêrland scheidt van Albion:
Het perk, waarin DE RUYTER streed;
De moed van TROMP laurieren won;
En ZOUTMANS glorie blijken deed,
Dat rust ons niet verbastren kon.

Bedwing een kracht die met vernieling dreigt,
o Zee! Blijf staag beschermend ons geneigd.
In uw kring wijke, al teistert Twist het LAND,
De scepter nooit uit Eendrachts rechterhand.
Onschendbaar zweev', zo ver uw palen staan,
De Mastbanier van Neêrland af en aan;
En 't heilig erfgoed van haar eer
Behoev' geen wreker meer.

-------------------------------------------
Zilvervloed - De Rio de la Plata, in Amerika

Zangstukken

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

redepronkers

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

REDEPRONKERS

Minder verfoeilijk
is de schurk in lage doen
dan wie schurkachtigheid verbergen
achter hoge rang en schone schijn.
Met redepronk te schitteren
valt hun niet zo moeilijk
als eerlijk mens te zijn.

De Noodhoorn (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

kijken

Zomaar een gedicht over vriendelijkheid en racisme

Kijken
 
Hoe kijkt u naar mensen?
Blank, zwart of getint
Je weet niet wie of welk mens je zint
Het innerlijk zit verborgen
Geen mens laat zomaar zijn binnenste zien!
Maar ik kwam een blanke jongeman tegen
Hij liet zijn hond uit
En hij lachte naar mij breeduit
En het rare was
Dat het me wat deed!
Het gaf een gevoel van innerlijke verbondenheid
Nou zeg, dat kan toch zomaar niet!
Nee, dat weet ik ook wel
Maar wie zo vriendelijk kan lachen
Die kom je nog maar weinig tegen
De meeste mensen leven in hun eigen wereld
En deze man was niet introvert
En als je daar op hebt gelet
Dan zijn er bij elke kleur of ras
Mensen met zo'n goed bedoelde lach!
Dus al die praat over racisme
Dat moet eens snel verdwijnen
Want wie zijn de chagrijnen
Dat zijn de mensen zonder God
Die leven met geen innerlijk genot
Die zijn vaak door het verderf al verrot!
 
 
Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

Een gedicht van W.J. Van Zeggelen 1811-1879

 

Mode.

Een fee, die opwelt uit de vloed
Van wulpse zotternijen;
Een dwinglandes, die aan haar voet
De wereld neer doet vlijen.
Een zonderling vernuftig dier,
Dat nooit zich zelve rust geeft,
Vorstin en tevens kamenier,
Die in caprices lust heeft.
Een plaaggeest en een vleieres,
Met rozen op de wangen;
Een dartel ding - een oude bes,
Al naar de bordjes hangen.
Een pijnigster van lijf en leên,
Een bron van vele kwalen,
Een engel vol lieftalligheên,
Een zon met tal van stralen.
Een wicht, dat met de Franse slag
Van 't oude nieuw kan maken;
Een geldwolvin, die 't wee en ach
Door duizenden doet slaken.
Een rapsodie van grol en gril,
Die smaak en wansmaak duldde,
Die slaven ketent aan haar wil
En nijvre handen vulde.
Een kind, dat slechts op 't morgen denkt
En 't gisteren belachte;
Een gast, die moeder zorgen schenkt
En vaders zucht verachtte.

Maar - 't helpt wat of een oude pruik
Zich zet om 't ding te veetren.
Want och, ook ik loop in de fuik, -
Kan ik de boel verbeetren!?

1853.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958 

Hymne aan de stilte

I

Weer, stijgend door de koele nacht
De bergen op ter eenzaamheid,
Omgordt mij de geheime macht
Die mij tot Uw gemeenschap wijdt;
Der mensen woningen ontvlucht
En hunner woorden vreemd gerucht,
Ver van hun liefde en hunne haat
Tot Ú mijn hoog vertrek en toeverlaat.

II

Van ijdel minnen en de waan
Der roembegeergen zijt Ge vrij;
Noch leert Ge in de wegen gaan
Waart 't Hart der Harten de waardij
Niet kent van 't Zelf, bedeesd en vreemd
Maar om 't bezit van andren teemt,
Waar handen grijpen naar 't gemis
Des harten, van zich zelve ongewis.

III

De lach der lippen zal vergaan
Verdoven eens der ogen gloed;
En hoe zou 't woord van trouw bestaan
Tenzij-dan dat het Ú gemoet
O Stilte, die in Leed en Strijd
Uit 't aardse onze harten wijdt
En voert ons zwijgend naar het land
Waar 't onverganklijke het wijken bant.

IV

Zo kom -: mijn enige begeert
Is schoon te zijn en rein van hart;
O red mij, want mijn ziel verteert
Van Uwe weedom en de smart
Om dwaling als een-elk belaagt
Die door der mensen volte draagt
Wat hunne harten niet bekoort:
Het zuiver goud, dat u alleen behoort.

V

Vergeef mij, zo ik, diep verblind,
Eens Uw eburne schoonheid schond;
Sinds zwierf ik rusteloos gezind
De wereld door, tot ik hervond
Mijzelf in U, aanbad en zei:
O Smetteloze leid Gij mij
En sterk mij, wonend waar ik woon,
Uw knecht, Uw vriend, Uw veelgeliefde zoon!

De Beweging, jrg 2 (1906)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

aanvang

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

TEN AANVANG.

De lucht was vol van zilverglansen,
      Vol rode tulpen 't groenend gras;
      De aloude dom liet vrolijk dansen
      Zijn klokken, daar 't de Meimaand was.

      En waar ik ieder blad zag groenen,
      Ontbloeid der bloemen blij gezicht,
      En later achter de plantsoenen
      Met elke dag het avondlicht;

      De stad met feestlijke geluiden,
      De vogels in de' ontloken boom,
      Doortoog, als in het wit der bruiden,
      Mijn ziel haar schoonste levensdroom.

      En drinkend met de zaal'ge zinnen
      Des levens reinste en hoogste vreugd,
      Trad ik het schone leven binnen:
      Het werelds paradijs der jeugd.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:36 Reageer op dit bericht

ontroering

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Vluchtende ontroering

Verloren in de' avond
Weg van mij,
Vlucht een ontroering,
Voorbij - voorbij.

Was het 't lieflijke
Van een gezicht?
Alleen de weerschijn
Van 't avondlicht?

Was 't de gedachte aan
Iets liefs van weleer?
Of een verwachting -?
Ik weet niet meer.

Een vogel nam het
Mede op zijn vlucht
En droeg het ver heen
In de avondlucht.

Een dood blad nam het
Op zijn stille vaart
En droeg het neder
In 't stof der aard.

Als vogels en blâren
Gaat alle lieflijks heen -
Zij laten ons peinzend
Leeg en alleen.

Zingende stemmen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

drasikolken

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

DRAAIKOLKEN

Draaikolken van dit leven,   
zuig mij naar de dood.
Zie hoe tere bloesem   
in een vrouwenschoot    
welken moet door woorden
of een valse grijns.
Sleep mij naar het einde, 
vraag mij geen accijns   
voor goedkoop genoegen.
Lach niet om mijn leed,  
als gij ’t innigst leven    
zelf met voeten treedt 
is voor U een wonder   
slechts pervers gebaar...

Chansons, Gedichten en Studentenliederen (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:01 Reageer op dit bericht

vuistrecht

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

V U I S T R E C H T   

Ellendig al me' leven,
      zonder oost
           of troost:
van iedereen verlaten
     en verraân,
           voortaan,
waar wil ik me gaan lopen,
      om de liên
           te ontvliên,
die, zegezingend, zoeken
      mij die hals
           onvals
te kerven, die de leugen
      hun, te leed,
           verweet?

Ik vare en heb noch vreze
      voor de dood,
           hoe snood;
maar ‘k vreze, zonder moed en
      zonder hert,
           de smert
te vluchten, en te vallen,
      daar de waan
           blijft staan;
te vallen en te sterven,
      daar hij, loos
           en boos,
zal roepen: 'Dat de vuist kan,
      en ‘t gevecht,
           is recht!'

De waarheid zal bedijgen:
      zij is, als
           gevals,
de 'waarheid', schoon al ‘t beste
      dat er leeft
           begeeft:
viel alles om haar henen,
      hof en huis
           in gruis,
nog staande zou ze blijven;
      en, blijft een
           alleen,
haar houw en trouw zijn, ik zal,
      God, en gij
           met mij!

Rijmsnoer I (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

illusies

Een gedicht van Frederik Schmidt Degener 1881-1941

Illusies

De zelf-beloofde wonderen van uw jeugd
zijn weggedoezeld tot een schamelheid;  
en weggedwerreld is in daaglijksheid,  
de tuin vol wilde geur, die niet meer heugt.

Uw jaren vonden banen vast omlijnd.
Het liep als ’t lopen moest en zelden spaak.
Iets anders deed gij dan uw diepste taak –
en nu ontwaakt gij even voor het eind.

Het binnenspel van uw verbeelding bant  
de nutteloze zwaarte van ’t verstand, 
in welks omkluistering gij doods moest leven.

Droom weer, droom nog, droom over zee en land,
Droom los u uit de dag en droom nog even  
een glimp van schoonheid in de droom hergeven.

55 VARIATIES op een bekend thema

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

boswachter

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

De boswachter

En 't is vroeg in de morgen: de hemel is blauw,
in 't mollige gras schittert peerlende dauw,
op stammen en blâren, ver en dicht,
speelt met de schaduw het zonnelicht, -
op aller grachten zomen
staan bloemekens te dromen,
knikkende, geurende, slapensmoe,
de heldre lentemorgen toe.

Hij gaat langs de kronklende wegel in 't bos,
't geweer op de schouder, in luchtige dos,
na verre ronde, na bange wacht
op eenzame paden, in duistere nacht.
Maar of 't om hem heen ook glinster en glans,
of de hemel blauw is en zonnig de trans,
of alles bloeie en fleure,
of alles zinge en geure,
diep mijmerend gaat hij: daarbinnen rust
een zoete gedachte, vol heil en lust,
die tovert in zijn oogen dat licht
en die milde lach op zijn eerlijk gezicht.

Want ginds, waar het oog tussen 't dichte geblaêrt,
dat krinklend wolkje rook ontwaart,
daar is zijn thuis, zijn blijde haard,
van buiten omloverd met wingerdfestoen,
van binnen met liefdes eeuwig groen; -
daar zweeft er en trippelt en rept zich bij zang
en kout een vrouwken, rozig en rank,
daar kraait, in zijn kribbeken blozend, een klein,
daar prevelt Grootje het simpel refrein
van lang vervlogen dagen,
met moed en lust gedragen.

En een trillende leeuwrik stijgt boven zijn hoofd,
een plechtige lofzang ruist door het loof,
en bijen snorren hem gonzend voorbij,
en alles ontwaakt en is vrolijk en blij...
De zonne lacht,
de morgen straalt in opperste pracht,
en hij, de gelukkige, gaat
met stralende blik en een lach op het gelaat.

Wiesbaden, 1878.

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

onrust

Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1874

Onrust.

't Kind schiet uit een zachte slaap;
Verre stormen huilen.
- Moeder, is 't de wind die ruist?
Moeder, is 't de zee die bruist?
Waar zou vader schuilen?

- Meisje, o! heel ver van ons
Zwalpt hij op de baren;
En wie weet waar of zijn schip,
In gevaar van nacht en klip,
Thans mag henenvaren!

- Moeder, hoor, de regen plast
Klettrend op de ruiten.
- Och! ons hindert nacht noch wind;
Maar hij is op zee, mijn kind,
In den stor daarbuiten.

- Moeder, 'k stond aan 't strand en keek,
Toen hij henenvaarde;
Haastig vloog het schip voorbij,
Maar hij lachte nog op mij,
Als hij mij ontwaarde.

- Kind, gij mint uw vader zeer,
O, in storm en regen
Lacht hem, bij het scheepsbestuur,
Ook gewis van ver het uur
Der tehuiskomst tegen.

- Maar, sprak 't kind, zo hij op zee
Eenmaal moest verdrinken,
Ach, dan zou het speelgoed al,
Dat hij medebrengen zal,
In het water zinken!

Zwarte nacht, en storm op zee!
Regen viel bij stromen.
Ach, de moeder zuchtte diep;
Maar het meisje zweeg en sliep
Weer bij zoete dromen.

Gedichten (1870)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

krankte

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

In krankte.

De Lente tooit zich als een bruid!
Het groene gras, het groene kruid,
En duizend bloempjes spruiten uit...
En iedre vogel kweelt en fluit.

Maar van de vogels altemaal
Zingt wel het teerst de Nachtegaal:
En, als ik krank en peinzend dwaal,
Roept hij mij toe, in zoete taal:

'Wel-op, mijn kranke vriend, wees blij,
Daar is het zoele Jaargetij! -
Ook in Uw ziel is melodij:
Och! 'k bid-je, spiegel u aan Mij!

'Al blijf ik kort, al zing ik kort,
o Denk niet, dat mijn hartje mort:
'k Heb, lang vóór dat het zomer wordt,
Mijn schat van Zangen uitgestort.

'Wie zó, het innigst wat hij heeft
In reine, dankbre liedren geeft,
Als lentebloesem hem omweeft...
Al is het kort - hij heeft gelééfd!'

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

gedicht

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

Gedicht

Zo ook gaat de geliefde
Mitri Karamasoff
dood
Ons op de schouders
valt nu laat en schuin de schaduw
des Iwan

Om het lijden dankbaar worden
en schijnbaar blijde
het scherpe vechten van spin en bij
verbeiden

Soms reeds is schoon mijn hand gesloten
alsof er geen verlangen
over mijn vingers
lag

Het is een verre weg
naar de passieloze berg
van het blote schouwen
Logos
Tao

Nagelaten gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

anti-dotum

Een gedicht van Richard Minne 1891-1965

Anti-dotum

Gewonnen roem
bij 't zingen van een lied
is maar een bloem
die ge even ziet;

is maar een pluim,
een gouden schub
die ge zo tussen duim
en vinger drukt.

Is maar een flits,
is maar een knal.
Daar is de sneeuw
en dekt het al.

In den zoeten inval en andere gedichten (1955)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

verrukking

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Verrukking

Ik wense geen rijkdom, geen pracht of geen weelde;
Ik wense geen macht of geen klink ende faam;
Ik dichte en ik zinge geknield voor uw voeten,
Mijn blik in uw oog en de handen te zaâm.
Gij hebt mij een toverend woord toegefluisterd;
Ik heb met het hoofd op uw schouder gerust.
't Verledene leed was vergeten, verzonken,
En 'k heb het geluk van uw lippen gedronken,
Toen blozend en aarz'lend gij mij hebt gekust.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:06 Reageer op dit bericht

de kroeg

Een gedicht van Francois Pauwels 1888-1966

De kroeg

De meinacht laat zijn koele droppels neder,
ik schuil onder een lispend lindendak,
mijn oude hart vindt zijn verlangen weder
dat naar de lente geurend openbrak,

en vóór mij is het licht der kleine kroeg,
daar tiert men bij de hooggevulde glazen,
al wat ik vrucht'loos aan het leven vroeg
ligt in de simp'le jool dier blijde dwazen.

Zij zwetsen, heffen 't glas en zijn tevreden,
soms klinkt in broederlijke zin een lied,
de zorgen van hun werkdag zijn geleden,
nu is er lach en leut en anders niet.

O, slechts een lange dag te zijn als gij,
mijn wezen naar het Uwe afgemeten,
als goede makker zitten aan uw zij,
en al mijn strijd voor één dag te vergeten,

hoe zou mijn hart een kalme slag hervinden,
't werd rust en 't leven gaf mij wat ik vroeg,
glimlachend zou ik bij gelijkgezinden
de hemel proeven in uw kleine kroeg!

Nu zie ik hunk'rend naar de gouden ruit,
de eenzaamheid staat naast mij, houdt mij tegen,
is het voor mij het kwijnende gefluit
der nachtegalen in de zachte regen? ...

Is het voor mij dat aan de bomen geuren
de wierookvaten van het nieuw getij,
ontsluit de lente haar onhoorb're deuren
en haar getooid paleis, alleen voor mij? ...

Dan wil de zwerver zwijgend binnengaan,
hij draagt zijn ziel op d' uitgestoken handen
en bij het altaar zal hij biddend staan
wanneer zijn kostbaar lam tot as zal branden,

want hij zal hand'len volgens heil'ge wetten,
dat wie ontving ook immer off'ren zal,
hij wil zich niet op lichte toppen zetten
maar in de schaduw van het schemerdal,

daar zal hij met zichzelf tezamen zijn,
de lach der and'ren zal hij niet benijden
en de verzwegen strijd niet als een pijn
maar als een roeping en geloof belijden!

Verzamelde gedichten (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Liefde

I

En nog een ander licht stroomt van de aarde
In des heelals onmetelijke gaarde
Door de arbeid steeds groter. 't Is de liefde.

Luister, arbeiders, naar mijn zachte monde,
Naar wat ik diep in mijn hart heb gevonden,
Het ware wezen van der mensen liefde.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten