Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

ene

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Ene kleine zonde.

Wij zitten soms - mijn lief en ik - 
Hele avondstonden naast elkander,
En praten over een en ander,
Doch schuwen trouw elkanders blik; 
Want moeder, die, ondanks mijn flemen,
Volstrekt niet weten wil van mij, 
Zou met te veel verdriet vernemen,
Dat ik met hare dochter vrij. 

Zolang ons moeder hoort en ziet, 
Gebaren wij van niemendallen,
En zitten schuldeloos te mallen,
En praten over liefde niet; 
Maar nauwlijks wendt ze de argusogen,
Of beide monden staan gereed - 
Het stoute misdrijf is geplogen,
En 't zoete kusje heb ik beet!

Liederen (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:10 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

vaarwel

Een gedicht van Anton L.de Rop 1837-1895

Vaarwel

Vaarwel, vaarwel, mijn dierbaar
Vaderland!
Mijn Nederland, vaarwel!
Ik vaar van hier, van hier naar 't Oosterstrand,
Mijn Nederland, vaarwel!

Bij 't ruisen van de zilten vloed,
Breng ik aan u mijn afscheidsgroet.
Lief Vaderland, lief Vaderland, vaarwel!
Vaarwel! Vaarwel, vaarwel!

Aan u, aan u blijft steeds mijn trouw verpand;
Mijn Nederland, vaarwel!
Ik wijd aan u, aan u mijn hart en hand,
Mijn Nederland, vaarwel!

En zelfs in Java's wondertuin
Vergeet ik nooit mijn Hollands duin.
Lief Vaderland, lief Vaderland, vaarwel!
Vaarwel! Vaarwel, vaarwel!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

taal

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

De taal.

De mens te kennen, is des mensen wetenschap; 
Maar nimmer kent men hem uit klaatrend schoolgeklap, 
Door meesters 't ekstrenbroed in 't kooitje voorgebrabbeld,
Terwijl 't, ontroofd aan 't nest, op de ijzren tralie knabbelt.
Neen, toon hem in de Taal, die uit zijn boezem breekt, 
Door de oudren in hun kroost met d' adem opgekweekt, 
't Ontvloeisel van zijn ziel, door 't lichaam uitgedreven.
Daar schuilt zijn mensheid in, zijn zelfgevoel en leven.
Zoek in u-zelf de Taal, en ken u-zelf in haar: 
Haar spiegel is ons Al, haar uitdruk 't menslijk waar. 


1822.

De dichtwerken van Bilderdijk. deel 13 (1859)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:14 Reageer op dit bericht

beurs

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

AAN DE BEURS VAN AMSTERDAM

Doorluchtig koopslot, meesterstuk
Van KEIZER, die ons Koopgeluk
Aan uw gerief zo dier verplichte,
Wat geest heeft uwe naam bedocht?
Spruit die van ’t veld, dat Dido kocht,
Toen zij haar hof en Koopstad stichtte?

Of heeft de Beurs die naam Gebaard,
De Beurs, die ’t geld met zorg bewaart?
Zo blijf de Zedigheid bevolen:
Want schepen brieven, geld en goed,
En Beursgeloof is eb en vloed.
De Beurs wordt om haar geld bestolen:

En wat ’s een geldeloze Beurs?
Een koopmans gasthuis vol getreurs.
De Beurs heeft ook haar Martelaren.
De winst verandert met de wind.
D’een mist het geen een ander vindt.
‘T is kunst te winnen en bewaren.

Uw wissel draaft vast op en neer.
Dat postpaard maakt wel knecht van heer,
En Reinout kan het schaars berijden.
Het slaat dan voor dan achter uit,
En van  ter zijde; en wordt gestuit
Met smert; dies pas zijn hoef te mijden.

Verzekert gij het zeegevaar;
Wat borg zal uw verzekeraar
Verzeekren van uw scha  te boeten,
Daar ’t grimmelt van onzekerheên?
De terling geeft u zes, of een …
Wie weet wat kans u zal gemoeten?

Daar nu de zuil ’t gewelfsel stut,
Dook eertijds, in zijn rieten hut
De visser, die met list van fuiken
De gauwste Amstelvis bedroog
Daar Koopliên, onder uwe boog,
Nu zon, nu regenbui ontduiken.

Mistrouw dan vrij uw Koopfortuin.
Carthago leit bestulpt met puin,
En waar is Tyrus? waar de muren
Van Sidon, en zijn koopmansstraat?
Het Beursgeluk dat komt, en gaat.
‘T geluk kan zelden steen verduren.

BEURSKNECHT

--------------------------------------------------------------------
* Hendrik de Keizer, in het begin van de 17e eeuw stadsbouwmeester in Amsterdam leidde de bouw van de Amsterdamse beurs.
* Dido: de koningin die Carthago stichtte. Nadat zij was gevlucht uit Tyrus, kreeg zij Van de koning aan de Noord Afrikaanse kust. een stuk land dat zo groot was als zij met een runderhuid kon omtrekken. Door deze eerst in smalle repen te snijden omsloot zij een aanzienlijk stuk land ..
* Reinout – uit  De Vier Heemskinderen - was zo sterk, dat hij als enige het Ros Beiaard temde.
* Carthago was ooit een belangrijke stad aan de Noord Afrikaanse kust. Carthago kon in wedijveren met Rome en de twee steden waren voortdurend met elkaar in oorlog. Na eeuwen van strijd werd Carthago in 146 voor JC vernietigd door het Romeinse leger en de inwoners werden door de Romeinse soldaten uitgemoord.
* Tyrus en Sidon zijn handelssteden die voorkomen in het bijbelboek Jesaja. De profeet Jesaja voorspelt de vernietiging van de stad Tyrus en de ontvolking van Sidon. Daarna zullen 70 jaren verstrijken voordat andere steden weer handel willen drijven met Tyrus.
* BEURSKNECHT: Joost van den Vondel heeft het gedicht ondertekend alsof het gedicht is geschreven door de beursknecht. De beursknecht had het toezicht op de beurs zodat de bepalingen werden nageleefd.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

zonlicht

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

HET  ZONNELICHT  IS  NEERGEDAALD

Het zonnelicht is neergedaald
      en ‘t gaat bij andere lieden,
verwacht en welkom-weer onthaald,
      de dag hun doen geschieden.

Het morgent daar, het avondt hier,
      en wonderschoone verven
zie ‘k wentelen in het westervier,
      en stille, stille sterven.

‘t Was rood eerst, helder peers weldra;
      en, blauw- en blauwerwendig,
door al de hemelen heerst daarna
      één duisterzijn bestendig.

Noch nacht en is ‘t noch dag: het vier
      der zonne is schaars geweken,
of, helpzaam wordt de keerse hier,
      daar de avondzonne ontsteken.

Het pinkoogt, of ‘t een meiske waar'
      dat wenen wilt, van verre,
nu zuid, nu noord, nu hier, nu daar
      een nieuwgeboren sterre.

Dan, waar ik sta, zie ‘k, om end om,
      Gods legerwachten waken;
en, in die eindloos wijde kom,
      al ‘s hemels diepten blaken.

Hoe bang ben ik! ‘k En durf bijkans
      mijne oogen niet betrouwen,
o Heere, op uwe sterrenglans:
      hoe zal ik U aanschouwen?



(10/12/1890)

Tijdkrans (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

zoeker

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Ik ben de zoeker

Ik ben de zoeker naar het Nooit-Behaalde.
Ik ben de Strever naar het Ware Zijn.
Ik ben de dronkene van `s Levens wijn,
die wonderlijk-krachtig mijn spieren staalde
toen ik, als onverschrokken duiker, daalde
tot in de krochten van het Diepste Zijn,
waar ik dan uit meebracht een luttel grein
Waarheid, die klaar gelijk juwelen straalde.

Laat mij dan maar in mijn vreemd-lijkend Zijn,
droevige om `t Zijnde en als edelsteen rein.
Want, schoon mijn geest somtijds in `t zoeken faalde,
en op verlokkende zijwegen dwaalde,
zou toch mijn strijd niet de allerschoonste zijn,
daar ik, staag worstlend, verschopte alle Schijn?


1947

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

roem

Een gedicht van Hilda Ram 1858-1901

Roem.

O roem! wat zijt ge een ijdele droom!
O wereldse eer, wat zijt ge ledig!
Geen wulpse deerne, die 't mensenhart
Als gij bedriegt, zoo vals, meinedig!
Eerst weifelend tuurt het bewonderend oog
In de verte u na, verrukt, betoverd,
Door wat daar schittert in 't wazige floers
Van 't hulsel, waarmee ge uw gedaante omlovert.
Hij droomt, de onervaren... Een godengestalt
Verbeeldt hij zich in de prachtgewaden
Verborgen, die zwevend en lokkend van ver
Zijn blikken met rijke glans verzaden.
Hij droomt... hij dorst naar dat liefelijk beeld,
Die schone gestalte - het ongekende!
O, mocht hij 't bereiken! zijn boezem zwelt,
Hij droomt, hij dorst... Waarheen hij zich wende,
Niets geeft verpozing aan 't bruisend gemoed:
Hij wil, hij zal in zijne armen u drukken,
Die uit de bedwelming, uit de slaap
Der zinsverdoving zijn ziel kwam rukken!
Hij streeft vooruit, hij werkt, hij slaaft,
Vertrappelt onder zijne voeten
Geluk en vrede en rustige vreugd;
Geen arbeid is hem te veel, geen wroeten!
Hij leeft om de toekomst!... De arme, o mocht
Hij steeds in begoocheling blijven leven,
Zijn ziele voeden met zinsbedrog...
Maar zie, er komt een eind aan het streven,
Daar nadert, daar grijpt hij 't gewenste doel!
Hem is de roem, hem de eer, en de glorie!
Zijn kracht is ten einde, hij wankelt, hij zwicht;
Wat geeft het? Nog roept hij: Victorie! Victorie!
En drukt aan zijn hart, die zijn hart verwon...
Haast wijkt de bedwelming; nu wil hij genieten,
Zijn blikken verzaden, verzaden zijn dorst.
Helaas!... moest zo hem zijn waan ontschieten?
Bedriegt hij zich? Was dat zijn droom?
Vertwijfeld rukt hij 't gewaad van uw schouder,
Dat schitterend hulsel, zo blinkend schoon -
Zijn bloedstroom stuit, zijn hart klopt kouder:
In volle naaktheid staat gij daar,
Een aaklig geraamte met holle kaken,
Een spotgrijns op de vale mond,
Waarop hij meende de zoen te smaken,
Die gans zijn ziel met weelde en genot
Zou vullen; huiverig koud de leden
Wier gloed hem opnieuw beleven moest! -
Ontgoocheld staat hij; zijn gans verleden,
Hij heeft het u ten offer gebracht,
U, die hem alles in loon zou geven,
Doch snood hem bedroog: gij geeft hem niets:
- Teleurgesteld is zijn ganse leven!

Antwerpen, september 1890.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

opdracht

Een gedicht van J.W.F Werumeus-Buning

Opdracht

Naar een motief van Christine de Pisan

Ik heb om u mijn plicht verzaakt,
Uit liefde heb ik kwaad gedaan,
Het zoete vleien van uw mond
Maakte dat alles bitter smaakt.

Maar in het godsoordeel der smart
Sprak ik geen woord van smaad om u;
Toen kende ik, Eva, in dat vuur,
Het onveranderlijke hart.

Zo is eens Adam uitgeleid,
Verwoest de tuin die hij bezat,
Zo is ook Jobs gelovigheid
Beproefd tot hij geen ding meer had.

Niet wij, Gods wil is meer dan al,
Genade loutert met geweld,
Zo werd de kleinste ster gesteld
In het oneindige heelal;

Zijn onverbiddelijke dwang
Nam u, en gaf aan mij de stem
Der jongelingen in het vuur,
En lenigt alles met gezang.

Ik breek het brood thans iedere dag alleen
Ik slaap alleen, alleen ga ik mijn wegen
Ik praat alleen, die liever had gezwegen
Ik noem uw naam, ik noem uw naam alleen.

Ik bid tot God, maar God laat mij alleen,
Ik ben alleen, ik ben alleen gebleven
Ik eet alleen, aan 't einde van mijn leven
Ik leef alleen, en straks sterf ik alleen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

ambachten

Een gedicht van Hermanus Asschenbergh 1726-1792

De drie ambachten.

Een zekere iemand kwam bij zekre Predikant,
(Ik meen 't was in Zuid-Beveland.)
Die hij zeer nedrig bad aan hem een gift te geven,
Tot ondersteuning van zijn leven.

Hoe! sprak de Predikant, verwonderd zijnde: gij
Komt mij ordentlijk voor, en vraagt ge een gift van mij?
Ja, zei hij, ja, mijnheer! 'k ben tot die stap gekomen,
Opdat mij 't leven niet door honger word' benomen.

Kent gij geen ambacht? vroeg hij weer,
Ja; ik ken er drie, mijnheer:
Het stratenmaken, 't knopenmaken,
En 't brillenslijpen; dat zijn alle drie mijn zaken.

Wel, vroeg hij, waarom bleef ge aan 't stratenmaken niet?
Och! dat 's een werk, mijnheer, dat niets baart dan verdriet:
Men heeft thans zo veel ommewegen,
Dat aan de rechte weg geen sterfling ligt gelegen,

Waarom die ook niet slijt. Wel, 't knopenmaken dan?
Dat 's iets, waarbij geen mens de kost ooit winnen kan,
Was 't antwoord: wie dit waant, vindt zich gewis bedrogen:
Men hoort thans veel te veel van haken en van ogen.

Nu, 't brillenslijpen?.... och mijnheer!
Dat 's nog het ergst van all'; geloof mij, op mijne eer:
Want op het goede wordt geheel geen acht geslagen;
Dies is een bril onnut in dees bedroefde dagen;
En 't kwaad, dat dag aan dag geschiedt,
Is 't, dat men door geen bril, maar door de vingers, ziet.

Vaderlandsche letteroefeningen, jrg.1794

Geschreven door Dora om 23:08 Reageer op dit bericht

God

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

God rolt de zonnen door zijn handen…

God rolt de zonnen door zijn handen
zoals de boer het zaad.
De ruimte kent geen randen
en eindloos staat
de sterrentuin te branden.

Als dauwdrop aan der aarde bloeme’
weerspiegel ik het al.
Ik hoor de sferen zoemen
Gans 't sterrendal
probeert Uw naam te noemen.

't Geheim blijft tot de nacht behoren,
waarin ik ben ontstaan,
tot, opgeslorpt, in schijn verloren
in 't licht vergaan
in U ik word herboren!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:26 Reageer op dit bericht

stadje

Een gedicht van Larens van der Waals 1885-1968

 

Beschenen stadje.

Het stadje op het verre veld 
beneden ons, in mist verscholen,
heft zijne toren, half verholen,
in 't licht dat met de mist versmelt
en door de gouden schemer snelt 
het vlottend schaduwig geweld 
der vlugge wieken van de molen. 

De hemel, wolkeloos, omvat 
de prille tere zuiverheden
van licht en lucht te saamgegleden.
- De stille paarlemoeren stad, 
die dof de dauw beslagen had, 
verglanst zacht in het diepe bad 
van zondoorwaasde vochtigheden. 

De vreugde, die het hart ontwelt, 
zoekt samenzang van zachte koren,
vangt klanken door de wind verloren
die zij tot zangen samensmelt.
- Of glazen klok, gebarsten, belt 
verbeven over 't vochtig veld 
de broze slagen uit de toren.

Onze Eeuw, jrg 19 (1919)

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

verschiet

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

VERSCHIET

Grijze torens     
staan als horens    
van de neergevleide stad,   
en ik peize    
welke wijze   
ritselt in het popelblad.

‘k Wou wel gâren   
op mijn snaren  
wat daar doemt uit nevelrag,   
en te noene  
boven ’t groen    
zingzoemt in de zomerdag.

Gedichten (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

moed

Een gedicht van Seerp Anema 1865-1961

Moed

O, laat mij gaan, waar gindse duinen rusten,
waar koele westenwind nauw ademhaalt
en matte herfstzon zilvertintig straalt
en vrede murmelt aan de kalme kusten!

Hoe laaft mijn lijf, o eeuwig onbewuste,
zich aan de wind, die van uw kruinen daalt,
en vallend lover lispelt en herhaalt,
dat eenmaal rusten mag, die nooit mocht rusten.

Want achter al mijn kwijnen en mijn klagen
trilt in mijn hart nu hoog, dan somber diep,
maar steeds, - een toon van nimmermeer versagen!

Omdat mijn Heiland bij mijn naam mij riep
en heeft gezegd, dat ook voor mij zal dagen
het leven, dat Hij in zijn sterven schiep!

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

merellied

Een gedicht van Gaston Burssens 1896-1965

Merellied

Reeds is de zon in purperbrons gezonken
en sleept na zich een laan van gloed,
die 't landschap verwt in kleurenpracht en 't haantje
van de toren fonklen doet....
Daarna, in 't nakend, fluistrend avondslomen,
gewiegd door 't ruisen van het riet,
weerklinkt uit malse, volle merelborste,
het malse, volle merellied:
het gallemt in de plecht'ge avondstand;
met lieflijk stijgend geborrel,
en 't schalt en 't schalt en 't zijpelt door de lucht,
met rollend, orgelend gescharrel;
en 't wijfje galmt hem tegen, guitig-lief,
als helder tokkelende bronne.
En samen gorgelen z'een lied, een lied
van kalme, stille levenszonne....

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

overwerk

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

Overwerk

In het bleke ochtendgloren
Stapelt Dora nachtclubstoelen,
Want dat doet ze van tevoren
Omdat ze de vloer moet spoelen.

Zo maar schrobben is zo zonde;
Even doet ze snel de ronde
Om vooral de driekwart peuken
Voor het knechie in de keuken
En de bandjes van sigaren
Voor haar nichie te bewaren;

En vergetene corsasies
Zet ze thuis in kleine vasies
En de glazen met de ressies
Giet ze uit in doktersflessies,
Want vanavond is het feest:
Vijfentwintig jaar is Dora
Werkster op die club geweest.

's Avonds zit ze stil te dromen
Of de directeur zal komen
Met een dichte enveloppe,
Maar geen mens komt bij haar kloppen.
Somber zet ze alle flesjes
Met de restjes op een rijtje,
Zit te wachten nog een tijdje,
Maar zo tegen half elf
Proeft ze alle drankjes zelf
En na nog een drie kwartier
Heeft ze stilletjes plezier.
Sloeg het daar niet half negen?
Nee, ze kan er niet goed tegen,
Restjes zijn merakel sterk:
Zwaaiend gaat ze naar haar werk.

Toen ze binnenkwam, toen spoog ze
Eerst een paar keer in haar handen,
Schoof de mensen van de stoelen,
Maakte stapels aan de wanden.
Daarna ging ze op haar ronde:
Nam de peuken uit de monden,
Brak de brandende sigaren
Om de bandjes te bewaren,
Trok de dure orchideeën
Uit de halsdecolleteeën;
Schuimende champagneflessen
Sjouwde zij bijeen als resten.
Dora zong haar morgendeunen
Samen met de lady-kreuner.
Ze kroop stotend tegen benen
Om de dansvloer af te nemen
En ze plaste met de emmer
Op de divans en de paren
En ze stak de ruwe bezem
In gepermanente haren;
Met een pekinees begon ze
Toen de tafels af te sponzen;
Alle poten moest ze boenen,
Ook al stonden ze in schoenen.

Eindelijk na veel proberen,
Wisten obers en wat heren
Dora in een hoek te trekken,
Waar ze met een zucht in slaap viel
Met een dweil om toe te dekken.
Dora moest wel drie keer vragen
Waarom Dora werd ontslagen:
Dora zelf had niets gemerkt,
Maar haar plicht gedaan: gewerkt.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:23 Reageer op dit bericht

annabel

Een gedicht van Jan Engelman 1900-1972

Annabel

Mijn kleine, kleine Annabel
zij zong zo zuiver en zo schel
als fluiten op een glansrivier,
zij was geluk en leefde hier

mijn kleine, kleine Annabel
ik wist uw prille leden wel,
de trilling van die bloemenmond
wanneer een hand uw haren vond

mijn kleine, kleine Annabel
de geest is lang, maar wij gaan snel:
op 't koude laken ligt uw lijf
en ik vind nergens meer verblijf

mijn kleine, kleine Annabel
als ik in hemel of in hel
moet varen met mijn lichte lied,
verloochen, maar vergeet mij niet

Tuin van Eros (1933)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

weeshuis

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

Op ons Weeshuis

Hier treurt het Weeskind met geduld,
Dat arm, is zonder zijne schuld,
En in zijn armoe moet vergaan,
Indien gij 't weigert bij te staan.
Zo gij gezegend zijt van God,
Vertroost ons uit uw overschot.

De werken van Vondel (3) 1627-1640

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

het licht

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

HET LICHT.

Wij zaten aan het kalme plein,
voor 't open venster van ons klein
vertrek, de avond te beschouwen.
Wij zagen hoe de hemel, bleek
en ver, over de gevels week
van de ons omringende gebouwen.

De gave stammen, vast en rond,
van olmen stegen uit de grond
en hoog, om de verspreide kronen,
zagen wij voorjaarsvogels al
de uitgebreide schemerhal
met hunne omzwervingen bewonen.

Wij konden nog het klaar geluid
horen voorbij ons gaan, dat uit
de verte kinderstemmen maken.
Een late zang bereikte ons, die
verliep. Toen zei-je aandachtig: „zie
„o zie het licht over de daken ..."

Wij liepen in de luide stad,
waar onze liefde zoveel had
gevonden en zoveel geleden.

Getijden (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

vlas

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Het vlas staat in de blom.

Het vlas staat in de blom,
Al groen en blauwig; 
En 't windje vliegt er om
Zo vleiend lauwig. 

De herels rechten flinks
Hun tere topkens, 
En keren, rechts en links,
Hun kleene kopkens. 

Hoe zot en preuts ze zijn,
Elk met zijn vaantje 
Van hemelblauw satijn
Op 't groene staantje! 

Hier beet een bruine bie;
En ginder, ginder, 
Vlug weg en weder, zie!
Een witte vlinder! 

En voort, tot waar dat blauw
En groen in 't koren, 
Vol lokkend grijs en grauw,
Verloopt, verloren; 

Zo ver als om-en-dom
Het oog kan dragen, 
Het vlas staat in de blom
Te wiegewagen.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Guid Gezelle 1830-1899

Brand los, mijn hert

Brand los, mijn hert, van al dat uw
gevlerkte vlucht ombindt;
brand los van kot en ketens, nu
de wenende oge ontblind;
brand los, mijn hert, 't is nu, 't is nu
dat de hemelvaart begint!

Kleengedichtjes (1860)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten