Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

tegenstander

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

AAN EEN GRIJZE TEGENSTANDER.

De grijsheid blijft ons eerbiedwaardig.
Maar, is ze ook al de kluts niet kwijt,
Ze is, wat ze ook zijn moog, eigenaardig
Niet op de hoogte van de tijd.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:15 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Japie

Een gedicht van C.L. Leipoldt 1880-1947

Japie

Vanmôre was Japie nog hier:
Vanaand is hy dood! 
Met 'n lag om sy mond het hy bruilof gevier
Met 'n klein brokkie Engelse lood. 

Vanmôre was Japie by my:
Vanaand is hy ... waar? 
As 'n mens maar kan weet waar hy eind'lik sal bly,
Wie sien dan in die toekoms gevaar? 

Vanmôre was Japie my maat:
Vanaand is hy ... wat? 
Sal hy nog met my lag, sal hy nog met my praat,
Of my hand ooit in syne weer vat? 

Vanmôre was Japie 'n kind:
Vanaand's hy volleerd! 
Ons het baie gestry om die waarheid, ou vrind:
Weet jy nou wie van ons had verkeerd? 

Vanmôre was Japie - nee God,
Hy is nog vir my! 
Want die dood kan nie skei nie, al is dit ons lot
Om alleen op die wêreld te bly.


-------------------
ou - beste
vir - bij

Versamelde gedigte

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

napoleon

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Napoleon.

In spijt der lange diens taan 't Helgespuis bewezen,
Mistrouwd, als nog misschien verzoenbaar met Bourbon,
Hoe zal hij de achterdocht van 't Duivlenras genezen!
Wat gruwel zuivert hem, en toont Napoleon? -

De afgrijsselijkste moord met Vorst- en Volkenschending,
De Hel ontzet ervan, en kent hem voor haar zoon:
‘Dit schelmstuk, na zoveel, is 't toppunt van volending;
Wees Keizer (zegt zij), heers!’ en de onmens klimt ten troon.

Hij klimt; beveelt; de grond ziet bloed bij bloedstroom vloeien;
Zijn arm omgrijpt Euroop, zijn oog verslindt heel de aard;
De Vorsten biên de hals gedweezaam aan zijn boeien;
En 't mensdom heinde en ver valt neder voor zijn zwaard.

ô Almacht, ziet Gij 't aan? - Maar ja, Gij zult het wreken;
De Hel verzwelgt het kroost dat ze uit haar schoot ontbond;
Doch ware eens 't licht nabij dat eenmaal aan moet breken,
Dat ze en zich-zelf geheel, en Krijg, en Dood, verslond!

1804.

De dichtwerken van Bilderdijk, deel 9

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

vertrouwen

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

VERTROUWEN

Gij, die moet zien in donkere dagen
Hoe onrecht tijdelijk triomfeert,
Niet klagen, dichter, niet versagen,
Maar strijden tot de wereld keert!

Wie stijgt ten slotte en overwint er?
Niet wie het leven tegenhoudt.
De Lente zit al in de Winter,
De bloesem in het harde hout.

De Noodhoorn, 5e druk (1940)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 16:57 Reageer op dit bericht

schelpenhuis

Een gedicht van Fracois Pauwels 1888-1966

Het schelpenhuis

Met aller stranden kleurige trofeeën
heeft men, in schelp naast schelp, mijn steen bezet,
ik heb de gratie van een pronk-salet,
maar in mijn hart de diepe stem der zeeën.

wie 't oor leent aan mijn wand ontwaart armeeën
die voorwaarts ruisen met een eendre tred
en 't masker van een teer getint palet
omhult een klacht van nameloze weeën.

Ten avond kozen in een bleke maan
gelieven op mijn bank.... Ik zie het aan
met dromen in mijn perlemoeren ogen,

dan roer ik zacht de snaren van mijn veêl
en, met de stem van 't zomerse struweel,
zing ik de lof der allerzoetste logen....

Erts, Letterkundig jaarboek. Jrg. 4 (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:31 Reageer op dit bericht

zee

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

O zee, die mijne lip doorkeent

o Zee, die mijne lip doorkeent met zout-kristallen
waarin het volle licht van alle zonnen breekt;
zand, bij mijn veer'ge zool breed-uitgestraald doorweekt,
waar krijsend iedre tred doet duizend schelpen schallen;

o tuimelende lucht, die brandt mijne ogen toe
maar sluit ze op 't dansen van ontallig-vuur'ge bollen:
ik ben van zee en lucht, ik ben van God gezwollen;
ik voel me oneindig-rijk en -moe.

  Verzen aan zee en in een tuin   (1924)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:37 Reageer op dit bericht

zonsondergang

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Zonsondergang op 't meer

In 't meer, omkranst met wilgen en platanen,
Wier top de bodem peilt, staart avond-gloed
En spiegelt zich: de wind wiekt aan, en spoedt
Zich naar de kim....
En met hem gaan de lange water-banen,
De lauwe geuren....
Het rozen-blad op de gefronsde vloed,
Het deinend dons der dommelende zwanen....

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

outcast

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Outcast

’t Breed grauw gelaat van de Afrikaanse kust,
Na eeuwen van een ondoorgrondelijk wee
Gekomen tot een onaantastbre rust,
Staart steil terneer op de gekwelde zee.

Ons blijft ’t verneedrend smachten naar de ree.
Geen oceaan heeft onze drift geblust,
En niets op aard, ook zwerven niet, geeft rust,
En de enige toevlucht de prostituee.

Bij haar die achter iedre haven wacht
– Altijd een andre en toch steeds dezelfde –
Wordt ons heimwee tijdlijk ter dood gebracht.

En ook de sterrenheemlen die zich welfden
Over ons trekken, andre iedre nacht,
Zijn eindlijk saamgeschrompeld tot één zelfde.

Eldorado (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

verdraagzaamheid

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

Verdraagzaamheid.

Van 's Heren Woord, in mensentaal geschreven, 
Is 't recht verstand de mens verbleven. 
Wie aan dat Woord de beste uitleg gaf, 
Onthult eens de and're zijde van 't graf. 
Maar die zich grondde op 't Woord en broeders van zich stiet,
Gewislijk, die begreep het niet.

Gedichten (1820)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

jongeling

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

DE VADERLANDSE JONGELING.

Hoe gloeit, hoe klopt mijn dankbaar hart,
Voor 't lieve vaderland!
Nog zij mijn jongste levenssnik
Voor 't dierbaar vaderland !

Mijn vrije ziel, van kluisters wars,
Veracht een hoge staat! -
Is niet in 't vorstelijk paleis
De troon der slavernij?

Hij, die de schijn voor 't wezen mint,
Zij een vergulde slaaf!
Mij siert, in 't ongetooide kleed,
De gouden Vrijheid zelf!

Ik lees, op 't marm'ren eregraf,
De lessen van de Deugd:
'k Ga dikwijls in het heiligdom,
En staar op 't marm'ren graf!

Dan is het, of de Vrijheid zelf
't Gevoelloos steen bezielt;
Dan treft een mannelijke stem
Mijn eerbied voedend hart:

'Wij stierven voor het vaderland,
En lieten, aan ons kroost,
't Bezit der dierbre Vrijheid na!
Leef ook voor 't vaderland!'

Ja! Helden! 'k leef voor 't vaderland!
Gij zult mijn voorbeeld zijn!
Wen 't vaderland en Vrijheid geldt,
Dan sterve ik, zo als Gij!

Ach! kon mijn dood, voor 't vaderland,
Een veilig leven zijn!
Gewis! ik koos geen koningstroon
Voor zulk een blijde dood!

De dood moge iets verschriklijks zijn
Voor 't laag en laf gemoed:
Wen 't vaderland en Vrijheid geldt,
Is hij der helden vreugd!

o God! dat immer, in mijn ziel,
Die hete liefde gloei'!
Mijn hart klopp’ nog zijn laatste slag:
Voor God en 't vaderland!

Mijn jonge vrienden, die, met mij,
Ons vaderland bemint!
Uw hart kloppe ook zijn laatste slag:
Voor God en 't vaderland!

Leven en werken van Jacobus Bellamy (1757-1786)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

zie

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Zie toe.

't Zijn nog steeds dezelfde klachten,
Voorgeslacht en tijdgenoot 
Werken nog met de oude krachten:
Sterken maken zwakken dood. 
Voor je naasten moet je leven,
Is het hart maar goed geplaatst; 
Ja, zoo staat er wel geschreven,
Maar je zelven ben je 't naast. 
Eigen haard en eigenliefde
Vragen zorg en overleg; 
Wat die levenseisen griefde, 
Moet, als steen des aanstoots, weg. 

De oude wet werd opgeheven, 
De oude vorm te niet gedaan - 
De oude zonden zijn gebleven: 
't Eigen Ik staat boven aan. 
Wee, waar d' argloosheid haar schreden 
Niet bestuurde of nauw bedwong: 
Menig loop werd afgesneden 
Door een afgerichte sprong. 
Volken, vorsten, steden, staten 
Hebben al te vaak geleerd: 
Dat de list heel mooi kan praten 
En de hebzucht graag regeert. 

't Recht moog trouw en eerbied vragen, 
Maar houdt waakzaamheid geen wacht, 
Och, het ligt zo ras verslagen 
Door de sluwheid of de kracht. 
't Oog moet over d' erfgrond wijden, 
't Oude wachtwoord heeft nog vat, 
Heeft nog vat op onze tijden: 
't Poesje rooft zo licht je schat! 

Wie behoedzaam is wordt krachtig 
Voor gevaar of ongeval, 
Ieder zij de raad gedachtig, 
Groot en klein - maar klein vooral; 
't Is maar zaak om 't aan te stippen, 
Wat de wereld al weervoer; 
's Is maar: boer pas op je kippen, 
Want de kat ligt op de loer. 


1869.

De dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

 

Liefde.

O, Liefde, stroom van wellust, die als een zonne blaakt,
die zelfs de wreedste wilden zo zacht als englen maakt,
die bloemen mild doet bloeien uit ene barre grond,
en toverzang doet stijgen uit 's mensen hert en mond,
o, liefde! die een moeder aan elke stervling gaf,
gij zweeft als 't eeuwig leven op 't alverslindend graf.

Hij die u durft bestrijden, hij die uw reinheid laakt,
die heeft de deugd, de schoonheid, de hemel zelf verzaakt;
die ziet de zuivre lelie niet bloeien in het dal,
die hoort niet van de vogels het wonderzoet geschal;
die heeft geen zaalge stemme die roept in zijn gemoed:
Sterk als de dood is liefde, de bron van alle goed!

Nooit heeft de vonklende oge van 't meisje hem geroerd,
nooit heeft 't gestreel der moeder zijn ziele blij vervoerd,
nooit heeft het staamlend kindje verrukt zijn kille borst,
nooit hebben zijne lippen naar frisse kussen dorst,
nooit loopt er op zijn wangen een traan voor 's broeders smert,
Slechts ikzucht, haat en afgunst bestormen woest zijn hert.

O, huldig dan de liefde, gij smaadt de mensheid niet.
Volg, volg haar heil'ge wenken, wanneer zij u gebiedt;
want liefde geurt de bloeme, de vogel zingt: bemint!
want liefde straalt de zonne, want liefde ruist de wind,
en liefde kweelt de moeder, en liefde lacht het kind;
dus mensen, brave mensen, bemint, bemint, bemint!

Nieuwe Liedekens (1859 - 1861)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

geloven

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Geloven doe ik niets als slechts in mijns

Geloven doe ik niets als slechts in mijns
Diepst-innerlijke voelens Algemeenheid, 
Die niet voor niets zo jammerlijk weg heen zijt 
In eignen Zijn's, door niets aantastbare Eenheid,

Maar boven alles in God-zelf, die Zijns
Al-oppermachtiglijkste Wils geween leit 
In dit arm kind, dat niets dan iets heel reins 
Bedoelt tegenover al die Gemeenheid

Van der mensheid aller-afschuwlijkst kleinst
Gedoe om wat, wie weet dat, weet dat? dan wie 't fijnst, 
Willen en doen kent, dat daar als een steen leit 

Op 's Levens weg, Uw Zelf, tot ge eens gedeinsd 
Wel hebben moetend, op een drafje heenrijdt, 
Waar ieder eenmaal als een koud gebeent leit.

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

les

Een gedicht van J.F Werumeus Buning 1891-1959

Les

Men moet de dichters niet veel vreugd vermaken;
Laat ze wrang worden tot ze heilzaam zijn,
Als kruidendranken die genezend zijn;
God geeft hen 't zoet eerst als zij bitter smaken.

Voert men de jachthond vet, hij jaagt niet meer.
De vink zingt beter als hij is verblind.
Niet zonder tucht krijgt men een man van 't kind.
De nachtegaal met vol nest zingt niet meer.

Wat heeft men aan de zachtere gezangen
Die ieder zingen kan? Met straffe maat,
Met teugel en met trens regeert men 't kwaad.
Houd dichters niet in liefdes kooi gevangen;
Stuur ze in ijskoude lucht. De zwaluw keert
Sterker terug, als ze over zeeën scheert.

schrijver

  

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

aarde

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Uit de donkere aarde  ...

Uit de donkere aarde 
Komt op het licht,
En het Heelal zweeft in het licht
Der Liefde. 



Gij ligt in 't licht der Eeuwigheid,
In dat licht, dat zich om ons breidt,
Zweef ik. 



O niet van mij het licht,
Dat zich over u breidt, 
Het is, het is het licht
Der Eeuwigheid. 

O niet van u het licht,
Dat zich uit u verspreidt, 
Het is, het is het licht
Der Liefde der Eeuwigheid. 
Gij ligt daarin,
Ik zweef daarin.

Liedjes

schrijver

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

wereld

Een gedicht van Aart de Leeuw 1876-1931

DE WERELD

Hij hield de handen voor 't gezicht,
Hij dacht door tranen te verstaan,
En in dit duister, diep en dicht,
Zag hij de bonte wereld aan;

Hoe blonk het goud, hoe rees de stad
Gehorend opwaarts voor het blauw;
Wie ooit gezocht had en bezat,
Hoe maakte rook zijn vensters grauw.

Hij nam de handen van 't gezicht,
En Mei liep lieflijk langs het land,
Er scheen een ander, reiner licht,
En groen ook werd het naakte zand,

Het leek eenvoudig wat hij zag,
Dat het een kind bedenken kon,
En toch, niet anders bleek de dag,
En zo was God, en zo de zon.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:32 Reageer op dit bericht

kees

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

  

Kees op reis.

Kees spekt zijn beurs en koopt een pas,
En wil de wereld zien: 
En vliegt door 't ruim en maakt, per as,
Van honderd uren - tien. 

Kees kijkt in 't rond en suizebolt
En veegt zijn bril eens af: 
't Is of de wereld draait en tolt,
De dommelaar tot straf. 

Kees klaagt zijn nood en wrijft zijn neus;
En ruikt slechts stank en stoom; 
En 't woord ontvalt hem: had ik keus,
Dan liever log en loom! 

Kees krijgt wat moed en schikt zich wat
En spreekt zijn reisbuur aan, 
Deez gluurt hem toe, vrij stroef en prat,
En kan hem niet verstaan. 

Kees wikt zijn beurs en zucht er van
En derft zijn lange pijp; 
En ieder rood-gekraagde man
Brengt Kees wát in de knijp! 

Kees tuurt in 't rond door grote steên
En mist nu dit dan dat, 
En wordt verdrongen en vertreên
Op 't druk belopen pad. 

Kees zweet zich dood en loopt zich lam
En eet wat hij niet lust, 
En kruipt naar bed verstijfd en stram,
En - vond hij dan nog rust! 

Kees keert terug en snakt naar huis,
Verwenst het vreemde land, 
Roemt zedig eigen haard en kluis,
Waar 't eigen vuurtje brandt.

Kees eist bewond'ring voor zijn tocht;
Men ziet het Kees wel aan, 
Dat hij veel nieuws, veel schoons... bezocht?...
Neen, is voorbijgegaan. 


1846.

De dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

gebed

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

 

Morgen-gebed

In ‘t oosten klaar laat blozen
De dageraad
De liefelijke rozen
Van haar gelaat.

O helle morgensterre
Gods eeuwig zoon
Schiet op ons hert van verre
Uw stralen schoon.

Vermeer tot uwe love
Het kranke licht
Van onze klein gelove
En toeverzicht.

Maak wakker al ons leden
En traag gemoed
Om vlijtig in te treden
Uw paden goed.

Totdat wij eens in waarheid
Verheven hoog
Aanschouwen uwe klaarheid
Van oog tot oog.

Over-Ysselsche sangen en dichten (1630)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

piet lut

Een gedicht van Speenhoff 1869-1945

Piet Lut

Meneer Piet Lut kent iedereen, 't is een man van zaken
Die zich zeer gewichtig voelt, als de schoenen kraken
Zondags loopt 'ie langs de kerk, o, 't is zo'n fijne!
Als 'ie op de dienstmeid vloekt, zegt 'ie 'Gossiemijne'

Meneer Piet Lut, die rekent zich bij de brave mensen
Die de prostitutiezaak vreselijk verwensen
Hij is van dat fijne soort, die de schijn vermijden
Maar de kat in 't donker knijpt, op de keukenmeiden

Meneer Piet Lut, als vrijgezel, had een aardig meissie
Daarmee deed 'ie in 't geniep menig boemelreissie
Eens zei hij: "Vaarwel, lief kind, ik ga deftig trouwen
Maar ik laat je niet alleen, jij mag ons kindje houen"

Hij zit in een Duitse kroeg, 's avonds tegen tienen
Knijpt 'ie stiekem in 't vlees van de kelnerienen.
En die zeggen 'm aan z'n oor: "O, jou stoute blondje
Ieder kneepie kost een fooi, of je geeft een rondje"

Meneer Piet Lut z'n neus is rood, net zo rood als kroten
Als een vlieg d'r lang op zit, is 'ie aangeschoten
"Daar kan ik toch niks aan doen", hoor je hem steeds urmen
"Dat komt niet van de rooie wijn, ik heb last van wurmen"

Hij denkt dat 'ie om z'n geld overal gezien is
De meisies schelden 'm op de straat uit voor uitgeholde Tinus
En wanneer 'ie dan zo loopt, schijnt 'ie te vergeten
Dat z'n opoe in een kroeg proppies heeft gesleten

Meneer Piet Lut heeft de koetsier en een open koessie
Ze rijden samen langs de straat, enkel voor 'n smoessie
Dan zie je nooit wie van de twee, of toch de koetsier is
't Enige wat je wel kan zien, is, wie de grootste klier is




schrijver

Geschreven door Dora om 15:38 Reageer op dit bericht

voorspook

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Voorspook

Zij die dood zijn en die gauw moeten,
Schijnen elkaar vooruit te ontmoeten;
In 't laatst van hun leven hebben zij dromen
Waarin reeds gestorvnen binnenkomen
En rustig met hen zitten te praten
En zeggen: ‘Je moet het leven laten
Glijden, dan gaat het haast vanzelve...’
Maar die nog leven plotseling haten
Hen, die zo gemakkelijk praten,
En verlangen hen weer te bedelven.

Dan zeggen ze niets meer, zweven weg,
Nog momplend: ‘Zo zijn wij doodgegaan.’
En die nog leven informeren
En horen dan van zware doodsstrijd
En denken: ‘Dan zullen we 't wel niet leren,
Al hebben we ook nog zoveel tijd.

‘Of zullen we ook rustig overgaan
En later de nog levenden kwellen
Door hun zeer mild en zacht te voorspellen,
Dat zij foltringen zullen doorstaan,
Waarbij al 't eerder lijden niets was,
Dat het is een spitsroedenpad
Van levend mens uit de drukke stad
Naar die plek stil, diep onder gras?’

Al dwalend (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten