Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

winteravond

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

  WINTERAVOND

Ook nu het avond wordt,
Heer blijven we op U hopen,
Het winterdaglicht kort,
Hoe traag de dagen kropen.

Het water is zo diep
En donker, de lantaren
Beschampt de oeroude baren,
Waarin de wereld sliep.

En als de smalle boot,
Waarin ik word gedrongen,
Van levens wal afstoot,
Hoe hoog de golven sprongen,

Van u komt heil en heul,
Mijn lamp blijft helder branden,
Uw olie drupt een geul
Van rust tot aan Uw stranden.

Het westen is al nacht,
Maar ’t Oosten vlamt van vuren.
Ik weet, ik word verwacht,
En blijf bij U, zolang Uw dag zal duren.

De Stille Tuin (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

reiziger

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

AAN DE REIZIGER

Steden spinnen wegen:
Webben tussen kerkers.
Zwerf of geef je over.

't Ravijn bant de de blik,
De vlakte verstrooit ze.

Bespring rotstrappen, zwerfblokken naar uw drift.
Laat in de vlakte uw verende voetzool
Liefkozen door het vochtige gras.

Rust in stilte van rumoer,
Doch niet te lang:
De zwerver wet zijn eenzaamheid op de menigt'.

Reken op geen rustplaats.
Een duurzame deugd is voos.
Zoek het venijn dat ophitst tot hartstocht,
Waarin de deugden verbranden, de dorste het snelst.

Zonder leidster, rustplaats, liefde, lof,
Als niet bestaande in het bestaande,
Belandt gij niet in het moeras der zaligheid,
Maar blijft vlot op de maalstroom van het Noodlot.

Yoeng Poe Tsjoeng (1933)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

gevangenen

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

De twee gevangenen

Bij een schilderij van Willink


Sinds zij zich afsloot voor de roes van 't dansen
tart Stella Holland met versteende blik,
rechtop in 't strak fluweel, waaruit als kransen
de mouwen storten, ruisend snik op snik.

Het mausoleum wekt macabre trancen.
‘Juich niet voor muren, waar 'k mijn hart verstik!’
Grootmoeders jurk om zich in te verschansen,
maar 't hart danst woedend voort en zegt toch: ik.

Terwijl, gezeten, Wilma de hoogblonde
vergeten blijft dat zij is kind geweest,
zich kind toont van dit land en de gekooide
wat toelacht, dan weer ernstig een verstrooide
soort aandacht wijdt aan 't stromen van de weg.
Bevrijd, bevrijd, - met hollands overleg.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

lenteknppen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Lenteknoppen.

De knoppen zwellen in den zoelen nacht.
O! morgen, morgen zullen ze opengaan!
De twijgen trillen en de stille laan
Is diep ontroerd, als een die zwijgt en wacht.

Op 't zwarte water zwemt een enkle zwaan.
Heel in de verte zwijmt een vogelklacht
En op het mos zijgt door de takken zacht
Het zilverlicht der pasontloken maan.

Ik voel mijn hart zó zwellen in mijn borst,
Of 't ook wilde openspringen, morgen vroeg,
Als al die groene knoppen om mij heen.

Hart, heugt u niet meer hoe ge eens bloeien dorst
En hoe de storm uw kelk te pletter sloeg?
En wilt ge wêer....? - Stil! zeg het mij alleen!

Beelden en stemmen (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

duet

Een gedicht van Fiora della Neve 1849-1934

Duet

Zij zongen te samen duetten
In 't naderend schemeruur,
Zij, grilligste der brunetten,
Hij, vol van poëtisch vuur. 

Zij zongen: ‘Ich wollt' meine Liebe’;
Zij zongen van liefde's verdriet, 
Van liefde's vreugden en weelden,
Zij zongen ook Fauré's lied: 

‘Saluez! c'est l'amour qui passe!
Saluez, saluez! c'est l'amour!’ 
En hij werd niet moede te zingen:
‘Saluez, saluez! c'est l'amour!’ 

Snel vloden de vlugge dagen
De vluchtiger weken heen; 
Hij zag, dat zij wuft was en ijdel,
En zij, dat zijn liefde verdween. 

Weer raakten haar vingers de toetsen
En speelden 't accompagnement; 
En lokkend verhief zich, als vroeger,
Het thema, zo wel bekend. 

Het klonk als: ‘.... l'amour qui passe’,
En spottend zag zij hem aan; 
‘Saluez! Maar waarom salueren?
De liefde is voorbijgegaan!’ 

‘C'est l'amour... qui passe,... qui passe’,
En zij gaf nog het thema aan; 
Maar hem klonk 't als een lied uit de verte -
't Was alles voorbijgegaan.

De Gids, jrg 48 (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

ou peut

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Où peut-on être mieux?

De regen weent
en zijn vingers tikken,
tikken tegen de ruiten;
tik-tom, tik-tom,
de regenvingers tikken,
tikken tegen de ruiten:
waarom, waarom?

Laat mij alleen,
alleen wil ik wezen
om nimmer mij te uiten;
tik-tom, tik-tom,
de regenvingers tikken,
tikken tegen de ruiten;
waarom, waarom?

Dees woon is mij
en mij zal zij blijven
(wat wil men van mij buiten?)
tik-tom, tik-tom
de regenvingers tikken,
tikken tegen de ruiten:
waarom, waarom?

Vreugde en smart
om wat nimmer kome
en 't leven zal zich sluiten;
tik-tom, tik-tom,
de regenvingers tikken,
tikken tegen de ruiten:
waarom, waarom?

De regen weent
weent op vrouwenhanden,
handen achter de ruiten;
tik-tom, tik-tom,
de regenvingers tikken,
tikken mij naar buiten:
tik, tik, tik, tom....
waarom? -

Parijsche Verzen (KInderliedjes) (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:17 Reageer op dit bericht

mooi

Een gedicht van Herman  Gorter 1864-1924

Ik wist niet dat dit alles was zo mooi.

Ik wist niet dat dit alles was zo mooi.
Zo staat ook wel een meisje vol in bloei,
De bruigom loopt om haar en streelt het haar,
Zijn spitse ving'ren door haar gouden haar:
En loopt onwetend heen en zoekt in spel
Matheid en slaap. Dan treedt op zijn drempel
Een bloot beeld: onder 't witte bedgordijn
Glijden er blikken en een woordentrein.
Dat's om te wenen, want de mijmering
Over een ding, is teerder dan het ding.

uit: Mei (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

zeeroep

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Zeeroep

Ik ging geloven dat ik nu zou rusten,
De winter in 't ommuurde stadje blijven,
Een huis bewonen, klare zinnen schrijven
En voor het eerst wat langer voortgekuste
Vrouwen hier bij mij hebben en, ter ruste
Met hen gegaan, lang in omhelzing blijven.
En langzaam werden mij hun willige lijven
Vertrouwd als vroeger vaak bezeilde kusten.

Zo dacht ik zittend in mijn kamer, maar
Vannacht hoor ik de najaarsstorm aanheffen;
Het dakhout maakt als kreunend want misbaar.

Ik woon zo ver van zee, zo dicht bij haar;
't Storten der branding kan mij hier niet treffen.
Hoe kan ik zo wanhopig klaar beseffen
Dat ik weer scheep zal gaan, voor 't eind van 't jaar.

Een eerlijk zeemansgraf (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

maart

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Maart.

Nou is de Winter weggeruimd,
Die aan de aard zat vastgevroren,
Nou is het vuil er afgeschuimd
En komt de blote grond te voren.

Maart heeft de korst al schoongespoeld
En blaast er op om 't af te drogen;
Zijn eigen borst is blootgewoeld -
Daar gaat die knaap: - zijn donkre ogen,

Als vijvers waar een bloem in drijft, -
Maar waar geen bodem is te schouwen
En 't wijze water doodstil blijft -
Kijken in ledige landouwen;

Hij houdt een dood blad in zijn mond,
En blaast het weg - een vreemde vlinder! -
Dan zoekt hij ijvrig aan de grond: -
Hij is de mooie bloemenvinder,

Waarnaar de eerste krokus gluurt
En opkijkt uit haar winterdromen -
Luister! een lijster tureluurt
Al ginder in de hoge bomen!

Die heeft het gure tij al lief!
Die roept het licht om mee te spelen:
Wat zou zo'n loze lentedief
Anders dan zonnestralen stelen?

Daar zijgt de zon in 't waterland
En lacht een rimpling in de sloten,
De jonge Maart slaapt aan de kant,
Met de eerste bloem, bij de eerste loten. -

De schrale aard leek uitgeteerd
En afgeleefd in al haar naden
En zwarte voegen, - zie: nou keert
Haar jeugd uit de geleden schade.

Zij heeft gedragen en gebaard
Al zoveel eindeloze malen -
Nou staat haar stil gelaat verklaard
En gaat zij rustig ademhalen.

Zo'n lieve lach heeft ook een vrouw,
Als ze uit het bleke bed weer 't leven
Ziet en aanneemt en weer de vouw
Van naar verdriet heeft gladgewreven. -

Als aard en akker draagt ons hoofd
De voren van zijn wil en werken, -
Geen hand die uit die voegen rooft,
Geen wind die ons de diepe merken

Van 't leven en het weten neemt! -
Leun gij dan, maat, op de oude spade!
Zie naar die gaard en klare beemd,
En lees de vrucht van al uw daden

En al uw kommer in de lach
Van wat vergaat en wordt geboren: -
Uw leven is een dorre dag, -
Hebt gij een dode schijn verloren -

Zij gij 't die de eerste paasbloem vindt
Om daar de aard mee af te romen,
Tot de eerste Mei uw dorstig kind
Over zijn bloesems heen ziet komen,

En gij in de geruste schoot
Van Hollands wei u leit te slapen;
Maar 't leven verft uw lijf nog rood!
En roept uw klare geest te wapen

In 't werktuig dat uw leger teelt,
In 't voorjaar dat uw moed zal dragen,
Uw onder-gang en op-tocht beeldt
In de gedaante van de dagen,

Wier ring in u zijn orde herschept.
O gij! gedenk de stille maaier,
Die vroeg genoeg zijn voeten rept! -
Zie! zie! daarginder gaat een zaaier!

Eerste oogst (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:38 Reageer op dit bericht

zang

Een gedicht van P.C. Hooft 1581-1647

Zang (Rozemond, hoor je spelen noch zingen?)

Rozemond, hoor je spelen noch zingen?
Zie de dageraad aan komen dringen,
Dartele duiven en zwanen en mussen
Zouden de vaak uit uw ogen wel kussen,
Zo ‘t u lustte de dode te ruimen
Om de lust van de levende pluimen.

Alle weiden, alle duinen en dalen,
Hunne aêm met verheugen ophalen,
't Heugelijk jaar met zijn vrolijke tijen,
Is rechtevoort op zijn kwikste te vrijen.
Kruien, bloemen en bomen veroveren,
En zich sieren met levende loveren.

‘t Welig vee op zijn grazige zoden,
O mijn min, ons te bruilofte noden.
Al haar gezicht, haar gebaar en haar spreken,
Lopen in ‘t end van de  minnelijke treken.
Op, op, op, eer de zon in de dauw schijn’.
Laat ons alle gedierte te gauw zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

verjaardag

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

ZESTIGSTE VERJAARDAG.

„Ben je zestig?” Ja, ik ben ’t;
Ik beken ’t;
Kan ik ’t wel ontveinzen?
’t Haar mijns hoofds is dun en grijs,
En (dat maakte ik niemand wijs)
Niet slechts van gepeinzen.

Ook van bange zorgen niet
Of verdriet,
Schoon ik ’t leed wel kende;
Maar, wat immer zij gebeurd,
Niet een smart, die hooploos treurt,
Niet het hartzeer, dat verscheurt,
On-verzachtbre ellende.

Vrouwen kindren, zie mij aan!
’t Kan nog gaan,
Op mijn tweemaal dertig.
In de wangen nog wat bloeds,
In deze ogen nog wat gloeds,
In de boezem nog wat moeds,
’t Hoofd nog „fix und fertig.”

’k Dank dit hoogstgelukkig lot
Aan mijn God;
’k Dank het u daarneven,
Die mij jong houdt en verblijdt,
Die mijn kroon en sieraad zijt,
En mij nog een lange tijd
Wensen doet te leven.


NASCHRIFT.

Word ik zeventig? Wie weet
Lief of leed,
Hem door God beschoren? …
’t Jongste kind nog groot te zien
Is een zoete wens, en die
Moog zijn gunst verhoren!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:28 Reageer op dit bericht

dralers

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

De dralers

Het welig licht was afgekomen
En lei zich aan de kim te rust,
De grote zee begon te dromen
En spoelde haar rozerode zomen
Over de stil vergulde kust.

Wij vulden met ons beider leven
De dommelige avondlucht,
Tot wij verwonderd staren bleven: -
Een stip kwam naar ons heen gedreven -
Een nevelige vogelvlucht.

De lucht hing vol van purpren vegen -
Wij voelden ons zo vreemd te moe,
Was het een vlucht -? wij hoopte' en zwegen,
Wij meenden ze te zien bewegen -
Zij kwamen langzaam naar ons toe!

De hemel begon uit te doven -
Met open lippen wachtten wij,
En zagen weifelend naar boven,
En bleve', en wilden nog geloven -
Zij kwamen langzaam naderbij.

Er lag al zilver op de baren -
Verlangend hielden wij de wacht,
En bleven in de hemel staren - -
Tot er alleen maar sterren waren,
En om ons heen de stille nacht.

Toen rezen wij in 't lege duister,
En daalden naar de zee omlaag -
En voor de golven en haar luister,
En bij haar eeuwige gefluister
Zweeg in ons mensenhart een vraag -.

Uit stilte en strijd (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:26 Reageer op dit bericht

tegenstander

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

AAN EEN GRIJZE TEGENSTANDER.

De grijsheid blijft ons eerbiedwaardig.
Maar, is ze ook al de kluts niet kwijt,
Ze is, wat ze ook zijn moog, eigenaardig
Niet op de hoogte van de tijd.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:15 Reageer op dit bericht

Japie

Een gedicht van C.L. Leipoldt 1880-1947

Japie

Vanmôre was Japie nog hier:
Vanaand is hy dood! 
Met 'n lag om sy mond het hy bruilof gevier
Met 'n klein brokkie Engelse lood. 

Vanmôre was Japie by my:
Vanaand is hy ... waar? 
As 'n mens maar kan weet waar hy eind'lik sal bly,
Wie sien dan in die toekoms gevaar? 

Vanmôre was Japie my maat:
Vanaand is hy ... wat? 
Sal hy nog met my lag, sal hy nog met my praat,
Of my hand ooit in syne weer vat? 

Vanmôre was Japie 'n kind:
Vanaand's hy volleerd! 
Ons het baie gestry om die waarheid, ou vrind:
Weet jy nou wie van ons had verkeerd? 

Vanmôre was Japie - nee God,
Hy is nog vir my! 
Want die dood kan nie skei nie, al is dit ons lot
Om alleen op die wêreld te bly.


-------------------
ou - beste
vir - bij

Versamelde gedigte

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

napoleon

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Napoleon.

In spijt der lange diens taan 't Helgespuis bewezen,
Mistrouwd, als nog misschien verzoenbaar met Bourbon,
Hoe zal hij de achterdocht van 't Duivlenras genezen!
Wat gruwel zuivert hem, en toont Napoleon? -

De afgrijsselijkste moord met Vorst- en Volkenschending,
De Hel ontzet ervan, en kent hem voor haar zoon:
‘Dit schelmstuk, na zoveel, is 't toppunt van volending;
Wees Keizer (zegt zij), heers!’ en de onmens klimt ten troon.

Hij klimt; beveelt; de grond ziet bloed bij bloedstroom vloeien;
Zijn arm omgrijpt Euroop, zijn oog verslindt heel de aard;
De Vorsten biên de hals gedweezaam aan zijn boeien;
En 't mensdom heinde en ver valt neder voor zijn zwaard.

ô Almacht, ziet Gij 't aan? - Maar ja, Gij zult het wreken;
De Hel verzwelgt het kroost dat ze uit haar schoot ontbond;
Doch ware eens 't licht nabij dat eenmaal aan moet breken,
Dat ze en zich-zelf geheel, en Krijg, en Dood, verslond!

1804.

De dichtwerken van Bilderdijk, deel 9

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

vertrouwen

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

VERTROUWEN

Gij, die moet zien in donkere dagen
Hoe onrecht tijdelijk triomfeert,
Niet klagen, dichter, niet versagen,
Maar strijden tot de wereld keert!

Wie stijgt ten slotte en overwint er?
Niet wie het leven tegenhoudt.
De Lente zit al in de Winter,
De bloesem in het harde hout.

De Noodhoorn, 5e druk (1940)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 16:57 Reageer op dit bericht

schelpenhuis

Een gedicht van Fracois Pauwels 1888-1966

Het schelpenhuis

Met aller stranden kleurige trofeeën
heeft men, in schelp naast schelp, mijn steen bezet,
ik heb de gratie van een pronk-salet,
maar in mijn hart de diepe stem der zeeën.

wie 't oor leent aan mijn wand ontwaart armeeën
die voorwaarts ruisen met een eendre tred
en 't masker van een teer getint palet
omhult een klacht van nameloze weeën.

Ten avond kozen in een bleke maan
gelieven op mijn bank.... Ik zie het aan
met dromen in mijn perlemoeren ogen,

dan roer ik zacht de snaren van mijn veêl
en, met de stem van 't zomerse struweel,
zing ik de lof der allerzoetste logen....

Erts, Letterkundig jaarboek. Jrg. 4 (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:31 Reageer op dit bericht

zee

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

O zee, die mijne lip doorkeent

o Zee, die mijne lip doorkeent met zout-kristallen
waarin het volle licht van alle zonnen breekt;
zand, bij mijn veer'ge zool breed-uitgestraald doorweekt,
waar krijsend iedre tred doet duizend schelpen schallen;

o tuimelende lucht, die brandt mijne ogen toe
maar sluit ze op 't dansen van ontallig-vuur'ge bollen:
ik ben van zee en lucht, ik ben van God gezwollen;
ik voel me oneindig-rijk en -moe.

  Verzen aan zee en in een tuin   (1924)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:37 Reageer op dit bericht

zonsondergang

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Zonsondergang op 't meer

In 't meer, omkranst met wilgen en platanen,
Wier top de bodem peilt, staart avond-gloed
En spiegelt zich: de wind wiekt aan, en spoedt
Zich naar de kim....
En met hem gaan de lange water-banen,
De lauwe geuren....
Het rozen-blad op de gefronsde vloed,
Het deinend dons der dommelende zwanen....

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

outcast

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Outcast

’t Breed grauw gelaat van de Afrikaanse kust,
Na eeuwen van een ondoorgrondelijk wee
Gekomen tot een onaantastbre rust,
Staart steil terneer op de gekwelde zee.

Ons blijft ’t verneedrend smachten naar de ree.
Geen oceaan heeft onze drift geblust,
En niets op aard, ook zwerven niet, geeft rust,
En de enige toevlucht de prostituee.

Bij haar die achter iedre haven wacht
– Altijd een andre en toch steeds dezelfde –
Wordt ons heimwee tijdlijk ter dood gebracht.

En ook de sterrenheemlen die zich welfden
Over ons trekken, andre iedre nacht,
Zijn eindlijk saamgeschrompeld tot één zelfde.

Eldorado (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten