Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

vers

Een gedicht van J.W.F. Werumeus 1891-1959

Een oud vers

Wat ik betreur te hebben niet bezeten
Is het geluk van menig burgerman:
De vrede van het huisgezin, en van
De kinderen, die mee aan tafel eten.

En ik weet wel, dat in mijn arm gelegen
De liefste is bezwijmd van zaligheid,
Dat ik de stem ken van de eeuwigheid,
En van het hart, dat mijn hart is genegen.

Maar dit is alles niets, al deze dingen,
Gezegend, en te min; 't is eens niet meer;
Men hoort de vogels in de bomen zingen,
De jaren gaan, de winter keert steeds weer,
De sterren staan. Ik heb niet goed gekozen.
Wat doet een bedelaar met rode rozen?

Dagelijksch brood (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

zingen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Zingen

Gij leeuwrik en gij nachtegaal
Al zingt gij heel verscheiden
Toch hou ik van u beiden
En hoor graag naar uw zoete taal
Wanneer ik dwaal
Door bos en veld en weiden! -
En naar uw juichen en geklag
Mocht ik wel luistren nacht en dag.

Gij leeuwrik stort in mijn gemoed
Een lust en kracht tot leven
Tot werken en tot streven
Wanneer gij juichend d’ eerste gloed
Des morgens groet...
En, wàt mijn hart doe beven,
't Is of ge er vrede en rust in giet
Zacht-kwelend nachtegalenlied!

Gij beiden leerdet me overlang
Al wat de borst doet jagen
Of zuchtend doet vertragen
Dat uit het bèst zich in de drang
Van zoet gezang
Met juichen en met klagen: -
En iedre toon van vreugd en smart
Vindt bron en weerklank in het hart.

Volksdichten (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

christenen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Christenen, Joden, Parsen, Moslemin

Christenen, Joden, Parsen, Moslemin
zij dolen allen; voor wie toe wil zien,
vervalt de ganse mensheid slechts in tweeën,
twee soorten enkel worden er ontdekt:
intelligente mensen zonder vroomheid
en vrome mensen zonder intellect.

Oostersch III (1926) (Verzen naar Perzische en Arabische dichters)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

konijnen

Een gedicht van René van Genderen Stort 1886-1942

Ik zie in mijn verbeelding de konijnen

Ik zie in mijn verbeelding de konijnen
Weer sluipen door de helm en door het zand,
En duinrozen ontbloeien en weer kwijnen,
Terwijl de golven breken op het strand.

Gij, mollig diertje, bedeesd is ook uw wezen,
Uw vacht wordt zacht door zon en wind gekoosd,
Uw bout, gekruid, is wellicht onvolprezen,
Gedijen moge steeds uw willig kroost.

Ge zijt heel anders dan uw neef, de haas,
Want vreedzaam kunt gij toeven in een kooi,
Daar zijt ge veilig, wordt ge vet, gij dwaas,
En valt ge niet des jagers strik ten prooi.

Doch liever zie ik u in een warande,
Omheind gebied, en waar ge holen graaft,
Daar zijn ge saam met duiven en fazanten,
In de Natuur, die allen voedt en laaft.

Najaarsvruchten (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:54 Reageer op dit bericht

melancolie

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Melancholie

Melancholie van scheiden en hervinden,
Stadig verliezen en verloren gaan,
Van binden en gebonden zijn; beminden
Aan dood en leven eeuwig af te staan,

Hoe komt ge mij, waar bitse winterwinden
Hun ijzige gesels op de woning slaan,
Door leed geboog'ne en door liefde verblinde,
U weer te melden met Uw oud vermaan!

Altijd in 't leven als 'k Uw bijzijn duchtte
Wist Gij mij te hervinden, waar 'k ook vluchtte;
Nu vond ik heil als nooit te voor verwacht,

En tòch hebt gij óók déze weg gevonden
En doet bij regensneeuw en storm de ronde
Waar 'k wakker lig de lange winternacht.

Ad interim, jrg. 4 (1947)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:43 Reageer op dit bericht

lome

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Ter lome zee met slappe zeilen

Ter lome zee met slappe zeilen
onder eenzelfde lamme zon,
en steeds het onveranderd-ijle
aan elke nieuwe horizon;

aldóor de dagen áldoor varen
een onverschill'ge avond toe,
en eindeloos het loom verzwaren
der lamme leden, hooploos-moe;

en nimmer, nimmer slapen mogen,
maar steeds naar horizonnen spiên
met starre en pijnlijk-sperrende oogen
die zelfs de zwarte nacht niet zien...


1912

Verzen van 1899-1914

schrijver

Geschreven door Dora om 22:54 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856

 

Aan Filira.

Wat tooit ge met benijde vingren
Die schone boezem schoner op?
Wat vlecht ge blaadje, bloempje en knop,
En doet ze óm ‘t  fladdrend rokje slingren,
Terwijl ge 't haar met loof borduurt,
En spieglend in het vlietje gluurt?

Hou op! de tooi, waarmee ge u siert,
Verbijstert en verblindt mij de ogen!
Hou op! zo ge eens nog schoner wierd!...
Ik zou niet langer 't harden mogen.
Hou op! mijn boezem jaagt... Laat af,
Of zoveel schoonheid wordt me een straf.

Waartoe die dartle toverpracht?
Of eerde ik niet genoeg uw macht?
Beheerst gij niet genoeg mijn zinnen?
Och, spaar die praal, mijn liefde een hoon:
Gij maakt wellicht u meerder schoon,
Maar nimmer kan ik u meerder minnen.

Een twaalftal minneliedjes.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

wanklank

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Wanklank

Dagelijks meer eerzuchtig
En minder in staat tot iets groots,
Telkens wanhopender roepend
Om kracht of de kalmte des doods,
Dagelijks vuriger wensend
Naar schoonheid, gezondheid en vreugd,
Dagelijks ouder en bleker,
En verder van blijdschap en jeugd -
Ik zit in de bloeiende velden,
Die schittren van zonneschijn,
En alles is jeugdig en vrolijk -
Ik schaam mij hier buiten te zijn!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

de lente

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

  

De lente - ik sta midden in haar -

De lente - ik sta midden in haar -

o daar komt ze daar daar
daar vliegt ze op mij aan, ze zoent me,
ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me
haar zoete ademen, woord voor woord;
o en daar vliegt ze voort
de honnege fladderende lente,
daar naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten,
de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente,
de zomerige lente.

Kijk nu, ze strooit de zomer rond
die vliegt om haar rond
uit haar mond,
rond haar boezem, haar gladde rug, haar benen
zo donslicht omschenen,
ze gaat langs de horizonnen
maar aldoor omme,
ze heeft toch zo veel, ze kan geven
wel, zie het lichte sneven
van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht
en daar midde' in haar gezicht
zie je het wel, zie je het wel -
hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel,
hoe kunnen we het toch verdragen
van ochtend tot avonddage,
kom weer, kom bij me weer
gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve ogenbegeer.

O ze valt op mijn borst,
haar mond midde' in de dorst
van mijn mond, haar rode zachte weke punttong -
't is of ze helemaal in me drong.

Verzen (1890)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

winteravond

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

  WINTERAVOND

Ook nu het avond wordt,
Heer blijven we op U hopen,
Het winterdaglicht kort,
Hoe traag de dagen kropen.

Het water is zo diep
En donker, de lantaren
Beschampt de oeroude baren,
Waarin de wereld sliep.

En als de smalle boot,
Waarin ik word gedrongen,
Van levens wal afstoot,
Hoe hoog de golven sprongen,

Van u komt heil en heul,
Mijn lamp blijft helder branden,
Uw olie drupt een geul
Van rust tot aan Uw stranden.

Het westen is al nacht,
Maar ’t Oosten vlamt van vuren.
Ik weet, ik word verwacht,
En blijf bij U, zolang Uw dag zal duren.

De Stille Tuin (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

reiziger

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

AAN DE REIZIGER

Steden spinnen wegen:
Webben tussen kerkers.
Zwerf of geef je over.

't Ravijn bant de de blik,
De vlakte verstrooit ze.

Bespring rotstrappen, zwerfblokken naar uw drift.
Laat in de vlakte uw verende voetzool
Liefkozen door het vochtige gras.

Rust in stilte van rumoer,
Doch niet te lang:
De zwerver wet zijn eenzaamheid op de menigt'.

Reken op geen rustplaats.
Een duurzame deugd is voos.
Zoek het venijn dat ophitst tot hartstocht,
Waarin de deugden verbranden, de dorste het snelst.

Zonder leidster, rustplaats, liefde, lof,
Als niet bestaande in het bestaande,
Belandt gij niet in het moeras der zaligheid,
Maar blijft vlot op de maalstroom van het Noodlot.

Yoeng Poe Tsjoeng (1933)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

gevangenen

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

De twee gevangenen

Bij een schilderij van Willink


Sinds zij zich afsloot voor de roes van 't dansen
tart Stella Holland met versteende blik,
rechtop in 't strak fluweel, waaruit als kransen
de mouwen storten, ruisend snik op snik.

Het mausoleum wekt macabre trancen.
‘Juich niet voor muren, waar 'k mijn hart verstik!’
Grootmoeders jurk om zich in te verschansen,
maar 't hart danst woedend voort en zegt toch: ik.

Terwijl, gezeten, Wilma de hoogblonde
vergeten blijft dat zij is kind geweest,
zich kind toont van dit land en de gekooide
wat toelacht, dan weer ernstig een verstrooide
soort aandacht wijdt aan 't stromen van de weg.
Bevrijd, bevrijd, - met hollands overleg.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

lenteknppen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Lenteknoppen.

De knoppen zwellen in den zoelen nacht.
O! morgen, morgen zullen ze opengaan!
De twijgen trillen en de stille laan
Is diep ontroerd, als een die zwijgt en wacht.

Op 't zwarte water zwemt een enkle zwaan.
Heel in de verte zwijmt een vogelklacht
En op het mos zijgt door de takken zacht
Het zilverlicht der pasontloken maan.

Ik voel mijn hart zó zwellen in mijn borst,
Of 't ook wilde openspringen, morgen vroeg,
Als al die groene knoppen om mij heen.

Hart, heugt u niet meer hoe ge eens bloeien dorst
En hoe de storm uw kelk te pletter sloeg?
En wilt ge wêer....? - Stil! zeg het mij alleen!

Beelden en stemmen (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

duet

Een gedicht van Fiora della Neve 1849-1934

Duet

Zij zongen te samen duetten
In 't naderend schemeruur,
Zij, grilligste der brunetten,
Hij, vol van poëtisch vuur. 

Zij zongen: ‘Ich wollt' meine Liebe’;
Zij zongen van liefde's verdriet, 
Van liefde's vreugden en weelden,
Zij zongen ook Fauré's lied: 

‘Saluez! c'est l'amour qui passe!
Saluez, saluez! c'est l'amour!’ 
En hij werd niet moede te zingen:
‘Saluez, saluez! c'est l'amour!’ 

Snel vloden de vlugge dagen
De vluchtiger weken heen; 
Hij zag, dat zij wuft was en ijdel,
En zij, dat zijn liefde verdween. 

Weer raakten haar vingers de toetsen
En speelden 't accompagnement; 
En lokkend verhief zich, als vroeger,
Het thema, zo wel bekend. 

Het klonk als: ‘.... l'amour qui passe’,
En spottend zag zij hem aan; 
‘Saluez! Maar waarom salueren?
De liefde is voorbijgegaan!’ 

‘C'est l'amour... qui passe,... qui passe’,
En zij gaf nog het thema aan; 
Maar hem klonk 't als een lied uit de verte -
't Was alles voorbijgegaan.

De Gids, jrg 48 (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

ou peut

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Où peut-on être mieux?

De regen weent
en zijn vingers tikken,
tikken tegen de ruiten;
tik-tom, tik-tom,
de regenvingers tikken,
tikken tegen de ruiten:
waarom, waarom?

Laat mij alleen,
alleen wil ik wezen
om nimmer mij te uiten;
tik-tom, tik-tom,
de regenvingers tikken,
tikken tegen de ruiten;
waarom, waarom?

Dees woon is mij
en mij zal zij blijven
(wat wil men van mij buiten?)
tik-tom, tik-tom
de regenvingers tikken,
tikken tegen de ruiten:
waarom, waarom?

Vreugde en smart
om wat nimmer kome
en 't leven zal zich sluiten;
tik-tom, tik-tom,
de regenvingers tikken,
tikken tegen de ruiten:
waarom, waarom?

De regen weent
weent op vrouwenhanden,
handen achter de ruiten;
tik-tom, tik-tom,
de regenvingers tikken,
tikken mij naar buiten:
tik, tik, tik, tom....
waarom? -

Parijsche Verzen (KInderliedjes) (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:17 Reageer op dit bericht

mooi

Een gedicht van Herman  Gorter 1864-1924

Ik wist niet dat dit alles was zo mooi.

Ik wist niet dat dit alles was zo mooi.
Zo staat ook wel een meisje vol in bloei,
De bruigom loopt om haar en streelt het haar,
Zijn spitse ving'ren door haar gouden haar:
En loopt onwetend heen en zoekt in spel
Matheid en slaap. Dan treedt op zijn drempel
Een bloot beeld: onder 't witte bedgordijn
Glijden er blikken en een woordentrein.
Dat's om te wenen, want de mijmering
Over een ding, is teerder dan het ding.

uit: Mei (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

zeeroep

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Zeeroep

Ik ging geloven dat ik nu zou rusten,
De winter in 't ommuurde stadje blijven,
Een huis bewonen, klare zinnen schrijven
En voor het eerst wat langer voortgekuste
Vrouwen hier bij mij hebben en, ter ruste
Met hen gegaan, lang in omhelzing blijven.
En langzaam werden mij hun willige lijven
Vertrouwd als vroeger vaak bezeilde kusten.

Zo dacht ik zittend in mijn kamer, maar
Vannacht hoor ik de najaarsstorm aanheffen;
Het dakhout maakt als kreunend want misbaar.

Ik woon zo ver van zee, zo dicht bij haar;
't Storten der branding kan mij hier niet treffen.
Hoe kan ik zo wanhopig klaar beseffen
Dat ik weer scheep zal gaan, voor 't eind van 't jaar.

Een eerlijk zeemansgraf (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

maart

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Maart.

Nou is de Winter weggeruimd,
Die aan de aard zat vastgevroren,
Nou is het vuil er afgeschuimd
En komt de blote grond te voren.

Maart heeft de korst al schoongespoeld
En blaast er op om 't af te drogen;
Zijn eigen borst is blootgewoeld -
Daar gaat die knaap: - zijn donkre ogen,

Als vijvers waar een bloem in drijft, -
Maar waar geen bodem is te schouwen
En 't wijze water doodstil blijft -
Kijken in ledige landouwen;

Hij houdt een dood blad in zijn mond,
En blaast het weg - een vreemde vlinder! -
Dan zoekt hij ijvrig aan de grond: -
Hij is de mooie bloemenvinder,

Waarnaar de eerste krokus gluurt
En opkijkt uit haar winterdromen -
Luister! een lijster tureluurt
Al ginder in de hoge bomen!

Die heeft het gure tij al lief!
Die roept het licht om mee te spelen:
Wat zou zo'n loze lentedief
Anders dan zonnestralen stelen?

Daar zijgt de zon in 't waterland
En lacht een rimpling in de sloten,
De jonge Maart slaapt aan de kant,
Met de eerste bloem, bij de eerste loten. -

De schrale aard leek uitgeteerd
En afgeleefd in al haar naden
En zwarte voegen, - zie: nou keert
Haar jeugd uit de geleden schade.

Zij heeft gedragen en gebaard
Al zoveel eindeloze malen -
Nou staat haar stil gelaat verklaard
En gaat zij rustig ademhalen.

Zo'n lieve lach heeft ook een vrouw,
Als ze uit het bleke bed weer 't leven
Ziet en aanneemt en weer de vouw
Van naar verdriet heeft gladgewreven. -

Als aard en akker draagt ons hoofd
De voren van zijn wil en werken, -
Geen hand die uit die voegen rooft,
Geen wind die ons de diepe merken

Van 't leven en het weten neemt! -
Leun gij dan, maat, op de oude spade!
Zie naar die gaard en klare beemd,
En lees de vrucht van al uw daden

En al uw kommer in de lach
Van wat vergaat en wordt geboren: -
Uw leven is een dorre dag, -
Hebt gij een dode schijn verloren -

Zij gij 't die de eerste paasbloem vindt
Om daar de aard mee af te romen,
Tot de eerste Mei uw dorstig kind
Over zijn bloesems heen ziet komen,

En gij in de geruste schoot
Van Hollands wei u leit te slapen;
Maar 't leven verft uw lijf nog rood!
En roept uw klare geest te wapen

In 't werktuig dat uw leger teelt,
In 't voorjaar dat uw moed zal dragen,
Uw onder-gang en op-tocht beeldt
In de gedaante van de dagen,

Wier ring in u zijn orde herschept.
O gij! gedenk de stille maaier,
Die vroeg genoeg zijn voeten rept! -
Zie! zie! daarginder gaat een zaaier!

Eerste oogst (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:38 Reageer op dit bericht

zang

Een gedicht van P.C. Hooft 1581-1647

Zang (Rozemond, hoor je spelen noch zingen?)

Rozemond, hoor je spelen noch zingen?
Zie de dageraad aan komen dringen,
Dartele duiven en zwanen en mussen
Zouden de vaak uit uw ogen wel kussen,
Zo ‘t u lustte de dode te ruimen
Om de lust van de levende pluimen.

Alle weiden, alle duinen en dalen,
Hunne aêm met verheugen ophalen,
't Heugelijk jaar met zijn vrolijke tijen,
Is rechtevoort op zijn kwikste te vrijen.
Kruien, bloemen en bomen veroveren,
En zich sieren met levende loveren.

‘t Welig vee op zijn grazige zoden,
O mijn min, ons te bruilofte noden.
Al haar gezicht, haar gebaar en haar spreken,
Lopen in ‘t end van de  minnelijke treken.
Op, op, op, eer de zon in de dauw schijn’.
Laat ons alle gedierte te gauw zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

verjaardag

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

ZESTIGSTE VERJAARDAG.

„Ben je zestig?” Ja, ik ben ’t;
Ik beken ’t;
Kan ik ’t wel ontveinzen?
’t Haar mijns hoofds is dun en grijs,
En (dat maakte ik niemand wijs)
Niet slechts van gepeinzen.

Ook van bange zorgen niet
Of verdriet,
Schoon ik ’t leed wel kende;
Maar, wat immer zij gebeurd,
Niet een smart, die hooploos treurt,
Niet het hartzeer, dat verscheurt,
On-verzachtbre ellende.

Vrouwen kindren, zie mij aan!
’t Kan nog gaan,
Op mijn tweemaal dertig.
In de wangen nog wat bloeds,
In deze ogen nog wat gloeds,
In de boezem nog wat moeds,
’t Hoofd nog „fix und fertig.”

’k Dank dit hoogstgelukkig lot
Aan mijn God;
’k Dank het u daarneven,
Die mij jong houdt en verblijdt,
Die mijn kroon en sieraad zijt,
En mij nog een lange tijd
Wensen doet te leven.


NASCHRIFT.

Word ik zeventig? Wie weet
Lief of leed,
Hem door God beschoren? …
’t Jongste kind nog groot te zien
Is een zoete wens, en die
Moog zijn gunst verhoren!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:28 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten