verzen


Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903
Verzen
De verzen zijn bokalen,
Waarin een dichter zijn gedachten giet.
Een vers is goed of niet,
Naarmate ’t vol is tot de rand,
die niet kan halen,
Of over-vliet.
verzen

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903
De verzen zijn bokalen,
Waarin een dichter zijn gedachten giet.
Een vers is goed of niet,
Naarmate ’t vol is tot de rand,
die niet kan halen,
Of over-vliet.
molen

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948
De grauwe reus die, gans een bezig leven,
tot elke wind zijn hoogmoed heeft gewend,
staat, ogenschijnlijk nog bij kracht gebleven
en stevig op zijn stenen fondament.
Maar ‘t oude lijf, verschrompeld onder de oude
beplanking, is verschrankt en uitgeteerd
en staat, ternauwernood bijeengehouden,
nu in de wind verwinterd en verweerd.
‘t Armzalig hout bekleedt de holle romp,
waar lang ‘t gebrom verstomd is van de wielen.
Van boven steekt, een vormeloze stomp,
de naaf uit, waar vier wieken aan ontvielen.
Van ‘t juk bleef nog ‘t hoog dwarshout ongebroken.
Zo rijst de molen, ‘t wrak verband ontwricht,
zijn twee lege armen uitgestoken,
als een gekruisigde op in ‘t koude licht.
medicijn

Altijd waar...een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859
‘Mijn hoofdje, moeder, doet mij zeer’
Riep ik voorleden nacht.
Weldra zat moeder naast mij neer,
Die troost en laafnis bracht.
Zij hield mijn gloeiend handje vast,
En bood mij koele drank,
En bad voor mij, bij leed en last;
Mijn hart werd minder krank.
Ik sliep, ontwaakte zonder pijn,
Met d'eerste morgengroet,
En dacht: ‘Geen beter medicijn,
Dan moederliefde en moed.’
Uit de bundel: Gedichtjes voor kinderen (1849)
Illustratie: 'Het zieke kind' schilderij door John Bond Francisco 1893 (VS)
tijd

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929
Er is geen tijd. Wat gistren was
is wat vandaag me een liefde wijst.
Herdenken: ongedronken glas
dat morgen laaft en spijst.
Wat is me droeve scheppings-daad
en baren in 't gelaat der dood?:
een kindje dat aan 't schaatren slaat
daar 't wemelt in mijn schoot.
Welke is de krankheid die me pijnt
bij dreigend komen en vergaan?
Wij zijn, daar ze onbeweeglijk schijnt,
een sterre aan hare baan.
Wij reizen, en uit ieder punt
verrijst een einde, ontrijst begin;
waar alles wat het leven gunt
verlies is, en gewin.
En komt eens de ongenode Gast
ons scheemren in 't vervaald gelaat,
o Dood, met avond rijk belast:
dàn wordt het dageraad.
Uit de bundel: God aan zee
zelfvernedering

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925
Die nacht van zelfvernedering
van deemoed aan de dodensponde
in een gestage preveling;
"vergeef mijn zonden."
Van pogen, dat mijn leven, al
mijn zijn ik u uitgeven konde
en woorden mij niet kwamen dan
"vergeef mijn zonden."
Een simpel woord van leniging
het enigst, wat ik heb gevonden,
waarin mijn ziel uitwenen ging
"vergeef mijn zonden."
het wiel

Een gedicht van J. Eijkelboom
's Winters willen wij de lente
en in de lente liefst de zomer,
en als het wemelt in de heggen
zeggen wij: laat de winter komen.
En daarna is er niets meer goed:
het voorjaar komt er niet meer aan.
Wij weten niet dat in ons woedt
verlangen om maar dood te gaan.
liedeken

Een gedicht van Gerbrand Bredero 1585-1618
[Stemme:
Nu spreid uw kapje nedere,
Het is zo mooie wedere etc.]
Mocht ik verwerven hetgeen ik wou,
Of zo ’t naar wense gevil,
Ik kreeg een schone wijze Vrouw,
Maar hoewel dat ik niet en trouw,
’t Schort mij niet aan de wil.
De angst die in ’t verkiezen leit,
Bezwaart mijn hart zo zeer,
Dat mijn arme genegenheid
zeer zelden ziet gelegenheid,
Zo ik die wel begeer.
Zie ik een aanschijn lief en zoet,
Slecht, needrig, ongeacht,
Doch vroom en eerbaar van gemoed,
Maar zonder enig haaf of goed,
De liefd’ en heeft geen kracht.
Zo ik dan naar een rijker zie,
Van schat, van pracht en staat;
’t Is nodig dat ik dan van die
Zo zeer als van de arme vlie,
Wil ik niet zijn versmaad.
Verkies ik dan een schone Maagd,
Bevallig, hups, en snel,
Die mij in alles wel behaagt:
Zo is ook al om niet gevraagd,
Geval ik haar niet wel.
Zo ik (als veel) om ’t loze geld
Een lelijk wijf ansla,
Zo zie ik staag ’t geen dat mij kwelt:
De liefde door afkeer versmelt,
Geen trek heb ik daar na.
Vaar wel die ouwe weeuwen vrijdt,
Ik ben er voor vervaard,
En die zijn zoetste jonge tijd
Met zulke ouwe kwee verslijt,
Die is geen ere waard.
Vrij ik een jeugdig wakker dier,
Die ben ik schier te oud,
Want die waant in haar zinnen schier,
Dat in mij al het minnen-vuur
Is uitgedoofd en koud.
De kwade die begeer ik niet,
Het bij-zijn is onzoet
Van die met een wellust aanziet
Haar goede vrome mans verdriet,
Voor die ben ik te goed:
Maar hoor, deugdrijke Vrouw beleefd,
Voorzichtig, goed en wijs,
Mijn hart u alles overgeeft,
Door die het u genomen heeft
Voor zijn aards Paradijs.
Die mij hier voor neuswijs beschimpt,
Of lastert trots met lust,
Die doet nog goed, al luidt het vreemd,
Want t’wijl dat hij mijn eer beneemt,
Zo heeft een ander rust.
boutadeEen gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861
Boutade
O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,
Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en onverwaardbare wegen,
Vol jicht en parapluiers, vol kiespijn en vol kramp,
O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,
Van kikkers, baggerlui, schoenlappers en moddergoôn,
Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen
Ontvangt het najaarswee van uw verkouden zoon!
Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen
Tot modder; ‘k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vree.
Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,
Gij – niet op mijn verzoek – ontwoekerd aan de zee.
sledevaart

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939
Herinnering aan vrijdagmorgen,
28 dec. 1923
Dit is het laatst geluk geweest,
Dat u en mij op aard' verbindt:
Een sledevaart door sneeuw en wind,
En dit geluk gedenk ik 't meest.
Er was geen leven en geen tijd.
Onder een hemel van ivoor
Gleden wij stil de stilte door
Der smetteloze oneindigheid.
Peilde onze diepe veiligheid,
Aan 't tuig 't gelui der zuivre klok?
Opeens doorvoer 't mij met een schok:
Dit is des Heeren heiligheid.
Want roerloos, boven en beneê,
Stond 't ijle licht, dat schrikt noch blindt,
En 'k werd zo rustig, of 'k weer, kind,
Op moeders schoot de slaap in gleê.
Wij spraken weinig en verstrooid.
Geluid drong tot geluk niet door.
De wereld ging voor mij teloor,
Maar uw gelaat vergeet ik nooit.
't Was of Gods niet te naken gloed,
Die helder oplaait in uw ziel,
Door blinkend prisma tot mij viel
Met al de warmte van uw bloed.
Even voor dit juwelen licht
Heeft duizels donker mij bedekt.
Toen heeft uw lach mij opgewekt
En zag 'k uw glanzend aards gezicht.
Uw handen hielden strak de toom
En temperden de gulle draf.
De fijne sneeuw woei op en af.
De droom vergleed in andre droom.-
Dit is het laatst geluk geweest,
Dat u en mij op aard verbindt:
Een sledevaart in sneeuw en wind
En dit geluk gedenk ik 't meest.
Uit de bundel: Nalezing V (1924)
wijzen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941
Zij zagen blank een wonderster verrijzen.
Die ster te volgen dreef hun zieledrang.
Door woestenij geen dooltocht zwaar en bang:
Trouw blonk de ster en bleef hen wijzen.
Plots in den hoge hoorden ze engelzang –
Een arme grot was 't einddoel van hun reizen.
De kemels knielden. En de grote wijzen
Aanschouwden 't kind, geprofeteerd zó lang.
Een arme stal – Daar lag en lachte zoetjes,
In schamel stro het stralend Godekind
En hief zijn handje zegenend met groetjes.
De wijzen bogen door zijn glans verblind
En vlijden, wenend, blij door Hem bemind,
Goud, mirre en wierook aan zijn blote voetjes.
koude tijd

Een gedicht van een voor mij niet bekende schrijfster ze heet Car is dit een leuke dichterlijke gedachte in de koude tijd...
Bloesem ik mis je
in deze koude tijd
Je roze schoonheid
geur van vergetelheid
Bloesem ik mis je
zo zacht als fluweel
Witter dan sneeuw
aan je groene steel
Bloesem ik mis je
wonder der natuur
Fontein vol bloemen
mooi frêle en puur
tijdEen gedicht van Gerrit Kouwenaar uit Vallende stilte 2008
De tijd staat open, het hijgt aan weerszijden
of avond en donker elkander omarmen, het slaapt
dat het kraakt in de stokoude boomgaard, zwanger
van wanvruchten galappels wormen
in het huis het gemor van adem, van data
dat de nachtschade hangt aan zijn leven
dat de zaaier ontkiemt in zijn veldbed
dat de groene woorden als kersen bederven
bij vlagen het heden, de vragen, gesteun
van de lage eenmalige bomen om een lange totale
genadige zomer, om najaar, om winter -
vogeltjes

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur uit de bundel Fabelen en gedichtjes (1873)
De vogeltjes maken een droevig geschreeuw,
Want buiten op 't veld ligt het alles vol sneeuw;
Zij hebben zo'n honger, maar, wat zij ook pikken,
Zij vinden geen korreltje op 't land meer te bikken.
Maar hier in de schuur is nog, o zo veel graan.
De boer met zijn zoons is aan 't dorsen gegaan,
En wat er gedorst is, dat doen zij in zakken,
Om brood voor de vrouw en de kindren te bakken.
De vogeltjes zien dat en fladdren in 't rond;
Want valt er een koorntje uit de zak op de grond,
Dan pikken ze 't op en verdelen het eerlijk,
En denken: wat smaakt toch dat koorn overheerlijk!
wens

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899 hij sprak hier een wens uit en zo'n wens is er voor altijd en iedereen
Ik wens U een jaar
Als een alfabet
Met alle letters van A tot Z
Van arbeid, blijheid en
Creativiteit
Tot zegen, zon en zaligheid.
Ichthylogie

Een gedicht van Gerrit Achterberg, een mooie overdenking voor het oude en het nieuwe.
Er is in zee een coelacant gevonden,
de missing link tussen twee vissen in.
De vinder weende van verwondering.
Onder zijn ogen lag voor ’t eerst verbonden
de eeuwen onderbroken schakeling.
En allen die om deze vis heenstonden
voelden zich op dat ogenblik verslonden
door de miljoenen jaren achter hen.
Rangorde tussen mens en hagedis
en van de hagedis diep in de stof,
verder dan onze instrumenten reiken.
Bij dit besef mogen wij doen alsof
de reeks naar boven toe hetzelfde is
en kunnen zo bij God op tafel kijken.
de kusEen gedicht van M.A de Wijs -Mouton 1873-1935
De kus waart door het huis
Het is er niet pluis
Papa die kust Mama
Mama die kust haar vriendje
Het vriendje dat kust Dientje
Als zij hem opendoet
Hij repeteren moet
En Dientje kust weer de koetsier
En die kust weer de kamenier
En die kust weer de huisknecht
Die 't niet de tweede meid zegt
Die laat hem niet met ruste
Omdat hij haar eerst kuste
Dan kust ook voor 'n pleziertje
De freule 't palfreniertje
De jonker met te veel gevoel
Kust onversaagd de hele boel
O ja, die 'k nog vergeten had
Is Grootmama. Die kust de kat
De kus waart door het land
Ten alle kant
Een kussen gaat alom
Een dart'len en een strelen
In tint'lend liefde-spelen
Kust zonneschijn het land
De golven 't blonde strand
Het windje kust de bomenkruin
Het helm buigt strelend over 't duin
En door de bloemenweien
Gaan kussend tal van bijen
En 't zacht insektenzoemen
Gaat kussend langs de bloemen
Een mensenkus, o jeetje
Is 'n schamel, mal ideetje
In Genesis zo duur betaald
Nu schroom'lijk naar benee gehaald
Als Adam kon, dan gaf hij vlug
Voor 't Paradijs zijn kus terug
nieuwNieuw
Oud en nieuw
Nieuw en oud
Elk jaar weer
Soms met koud weer
Soms met regenweer
Misschien wel met sneeuw
Je krijgt het allemaal wel in een eeuw
Er zijn al weer tien jaar voorbij gegaan
En wat is het niet snel gegaan
Het millennium kondigde zich aan
Hoewel we er al lang achter staan
Is het nog net als de dag van gister
Er was veel wat de mens miste
Alleen weet men het zelf niet
Soms ging men onder van verdriet
Vanwege rampen en tegenspoeden
Daarvoor kunnen wij ons zelf niet behoeden
En heeft men die Ene gemist!
Dan was het leven door vreugde en verdriet
Toch één en al mist
Want wat men niet wist
Dat je vreugde en verdriet kan delen
Het is soms of het mensen niet meer kan schelen
Wat er met die ander gebeurt
En er hier en daar een leven wordt verscheurd
Ja, we hadden alles als mensen verbeurd
Geen geluk en geen voorspoed meer
Want we zagen niet op naar de Heer!
Maar wat een zegen dan weer
Als Hij nog weer een keer
Alles wil vergeven
En de mensen opnieuw mogen beginnen met hun leven
En men zich weer in 2010 mag bewegen
Het is maar, waar zit een mens in 2010 om verlegen!
Een grote zegen voor de nieuwe wegen
Of gewoon doorgaan met het oude leven
Voor alsnog een gelukkig 2010 toegewenst
december

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924
Al de bladers zijn verdronken
In het water, in de regen,
En het donker bos staat open
En de droppelende stronken
Staan verlaten aan de wegen, -
Kille winter laat één sprokkel
Aan een hart, dat niet mag hopen!
Al de zon is uitgeblonken,
En het jaar is heengezegen,
En mijn handen zijn nog open,
En mijn hart is leeggeschonken,
En het heeft niets weergekregen, -
Schemer laat één lichte sprankel
Aan een hart, dat niet mag hopen!
En de nacht is neergezonken,
En de dag is opgestegen,
En mijn ogen zijn nog open,
En zijn duizend witte vonken
Hebben zo doodstil gezwegen, -
Klare nacht laat éne starre
Aan een hart, dat niet mag hopen
eenvoud

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933
EENVOUD
Ik voel m’n ziel verwant met kleine simpele dingen,
Die op ons wegen staan als bloemen van het veld…,
Verdoken in het gras, door weinigen geteld…,
Al dragen z’in hun kelk de zoetste zegeningen.
‘k Vind schoonheid overal; maar dat wat zachte perelt
Vanuit uw moeë mond, die luttel woorden vindt:
“ Goênavond…, lieveke, goênacht…, m’n zielekind.”
Dat maakt me zaliger dan de weelde van de wereld.
Zó groeit in m’n gedacht een vrede, niet te noemen;
M’n ziel, in schoonheidshuis, niet één mysterie vindt;
Want àl wat schoonheid is, met simpelheid begint…
En ‘k noem Liefde, ’t zaad van alle schoonheidsbloemen
sneeuwman
Zie zo, mijn kleine sneeuwman,
Nu ben je kant en klaar;
Maar 'k heb nog wat vergeten,
Een kuifje op je haar,
En dan dit korte pijpje....
Kom, open nu je mond,
Kijk, piet, hij staat er heuzig
Of hij er jaren stond.
En had ik nu een spiegel,
Dan liet ik je er in zien,
En stond je vast beteuterd
Als laatst die kleine mien,
Toen zij haar witte boezel
Present kreeg van oom wout,
Waaronder nu die koudkleum
Al weer haar handen houdt.
Nu, 'k moet het eerlijk zeggen,
Je kostte ook wat een vlijt,
Eer wij je zo ver hadden,
En vrij wat zorg en tijd;
Een viertal blauwe neuzen,
En konen, rood als vuur,
Een hele achtermiddag,
En menig morgenuur!
Als 't nu maar niet gaat dooien,
Zo als het is voorspeld
Door maarten van de tuinman,
Die werkt op 't Vinkeveld!
Dat zou recht jammer wezen...
Wat zeg je, bolle piet?
Dan was ons werk verloren,
En al de moeite om niet.
Een buurman die het hoorde,
Zei: ‘klaas, versta ik goed,
Vindt gij het zo verdrietig
Als gij vergeefs wat doet,
Dan loont ge ook al de moeite,
Die aan u wordt gedaan
Door ouders en door meesters,
Van deze dag af aan.’
Uit de bundel: Het nachtegaaltje (1851)
Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868