Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

december

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924

December

Al de bladers zijn verdronken
In het water, in de regen,
En het donker bos staat open
En de droppelende stronken
Staan verlaten aan de wegen, -
Kille winter laat één sprokkel
Aan een hart, dat niet mag hopen!

Al de zon is uitgeblonken,
En het jaar is heengezegen,
En mijn handen zijn nog open,
En mijn hart is leeggeschonken,
En het heeft niets weergekregen, -
Schemer laat één lichte sprankel
Aan een hart, dat niet mag hopen!

En de nacht is neergezonken,
En de dag is opgestegen,
En mijn ogen zijn nog open,
En zijn duizend witte vonken
Hebben zo doodstil gezwegen, -
Klare nacht laat éne starre
Aan een hart, dat niet mag hopen

Geschreven door Dora om 17:08 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

eenvoud

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

EENVOUD

Ik voel m’n ziel verwant met kleine simpele dingen,
Die op ons wegen staan als bloemen van het veld…,
Verdoken in het gras, door weinigen geteld…,
Al dragen z’in hun kelk de zoetste zegeningen.

‘k Vind schoonheid overal; maar dat wat zachte perelt
Vanuit uw moeë mond, die luttel woorden vindt:
“ Goênavond…, lieveke, goênacht…, m’n zielekind.”
Dat maakt me zaliger dan de weelde van de wereld.

Zó groeit in m’n gedacht een vrede, niet te noemen;
M’n ziel, in schoonheidshuis, niet één mysterie vindt;
Want àl wat schoonheid is, met simpelheid begint…
En ‘k noem Liefde, ’t zaad van alle schoonheidsbloemen

Geschreven door Dora om 16:07 Reageer op dit bericht

sneeuwman

 

De sneeuwman

Zie zo, mijn kleine sneeuwman,
Nu ben je kant en klaar;
Maar 'k heb nog wat vergeten,
Een kuifje op je haar,
En dan dit korte pijpje....
Kom, open nu je mond,
Kijk, piet, hij staat er heuzig
Of hij er jaren stond.

En had ik nu een spiegel,
Dan liet ik je er in zien,
En stond je vast beteuterd
Als laatst die kleine mien,
Toen zij haar witte boezel
Present kreeg van oom wout,
Waaronder nu die koudkleum
Al weer haar handen houdt.

Nu, 'k moet het eerlijk zeggen,
Je kostte ook wat een vlijt,
Eer wij je zo ver hadden,
En vrij wat zorg en tijd;
Een viertal blauwe neuzen,
En konen, rood als vuur,
Een hele achtermiddag,
En menig morgenuur!

Als 't nu maar niet gaat dooien,
Zo als het is voorspeld
Door maarten van de tuinman,
Die werkt op 't Vinkeveld!
Dat zou recht jammer wezen...
Wat zeg je, bolle piet?
Dan was ons werk verloren,
En al de moeite om niet.

Een buurman die het hoorde,
Zei: ‘klaas, versta ik goed,
Vindt gij het zo verdrietig
Als gij vergeefs wat doet,
Dan loont ge ook al de moeite,
Die aan u wordt gedaan
Door ouders en door meesters,
Van deze dag af aan.’

Uit de bundel: Het nachtegaaltje (1851)

 

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

 

Geschreven door Dora om 16:13 Reageer op dit bericht

kerstliedje

Een liedje van schrijver J.H. Leopold 1865-1925

Kerstliedje

In de donkere dagen van Kersttijd
is een kind van licht gekomen,
de maan stond helder over de dijk
en ijzel hing aan de bomen.

Onder de doeken in de krib
daar lag dat lief Jezuskindekijn
en spelearmde en van zijn hoofd
ging af een zuivere lichtschijn.

Maria die was bleek en zwak
op de knieën neergezegen
en zag blij naar het kindeke;
en Jozef lachte verlegen.

En buiten in de bittere kou
en de stille Kerstnacht laat
de heilige driekoningen kwamen van ver
door de diepe sneeuw gewaad.

De heilige driekoningen hoesten en doen
en rood zijn bei hun oren,
een druppel hangt er aan hun neus
en hun baard is wit bevroren.

De heilige driekoningen in de stal
verwonderd zijn binnen getogen;
het licht, dat van het kind afging,
schijnt in hun grote ogen.

De heilige driekoningen staren het aan
en weten zich niet te bezinnen
en het kind ligt al te kijken maar
en tuurt in een denkbeginnen.
 

 

 

 

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 16:22 Reageer op dit bericht

kerstnacht

Een gedicht van Ida Gerhardt

Kerstnacht 1

Kerstnacht - het woord is als een lafenis,
een koele sneeuw, glanzend onder het zachte
stralen der sterren - op de landen is
het weerloos stil, een ongerept verwachten.

Kerstnacht - het eenzaam zwerven der gedachten
rondom het oud verhaal, het nimmer uit te spreken
verlangen naar het helder zingen in de nacht en
het opgaan van de ster, een lichtend teken.

Kerstnacht - het sneeuwt op uw geschonden aarde,
dun en verstuivend dekt een huivering
van ijle val, een lichte zuivering
het vragen, dat wij stil bewaarden.


Geschreven door Dora om 14:50 Reageer op dit bericht

koud landschap

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

Koud landschap

Een late najaarsdag, sneeuw in de lucht,
belofte van veel sneeuw. Een lage wei
waar 't water blank om korte wilgen stond
tot aan de zwarte koppen. Vlokken vlogen
neer, neer, al sneller langs de naakte twijgen
en tegen 't witte water, wit en weg.
Zo, wit en weg, zo, schuinsaf door de takken
weinige, ruige vlokken op de vlucht,
als vagebonden in een winters bos
't spoor bijster.

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

waan

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van derSchalk  1869-1952

En zo het dan een waan is

I

En zo het dan een waan is te geloven
Dat liefde ons eens allen verlossen zal
En haar zegen oneindig gaat te boven
De krachten van verderf in het heelal; -

Te geloven, dat de duistere demonen
Die huizen in het menselijk gemoed
En alles wat ademt, en leeft, bewonen,
Haar, overmand zullen valle' eerst te voet, -

Zo wil ik liever leven in die waan
Waar zoveel dappre daden aan ontsprongen,
Die heeft zoveel verslaagnen opgericht,
Wiens lof zoveel bezielde dichters zongen,
Dan eenzaam, verbeten en verbitterd staan
In wreder waarheid onbarmhartig licht.

II

Maar 't is niet waan en dat weten wij allen
Voor wie genade op hun levenspad
Het milde licht ener waarheid deed vallen
Waarvan hun hart nimmer de glans vergat; -
Die nooit haar warmte in hun hart ontbeerden
Voor wie iedere beet die hun mond at,
In zoete kracht en zaligheid verkeerde
Omdat de liefde haar gezegend had.

Al is de mens van nu nog zo verdorven
Van verbeelding, zo verhard van gemoed,
Ook voor hem is Christus aan 't kruis gestorven,
Zijn ziel ontsprong aan Gods eeuwige klaarheid.
Daarom kunnen wij roemen in de waarheid:
De waarheid is niet beter; zij is zoet.

 

Geschreven door Dora om 19:45 Reageer op dit bericht

uren

Een gedicht van Helene Swarth 1879-1943

Uren

Als blonde kindren hupplen de Seconden
De poort des Morgens uit, vol lichtgeluk.
Als kreunende ouden, steunende op hun kruk,
Strompelen traag de zware Middagstonden.

Hoofdschuddend, zuchtend, droef-eentonig druk,
Tonen zij bloot de nooitgenezen wonden,
Tekenen rood op schouderen geschonden
Door 't eens zo trots getorste levensjuk.

Dan komen vroom, in slepende gewaden,
De zingende Avonduren zilverblank,
Wandelend zacht langs bruine schaduwpaden.

Maar hoe zal ik, van middagklachten krank,
Beängst en moe van dromen als van daden,
Weer vrede vinden in hún stemmenklank?

Geschreven door Dora om 22:40 Reageer op dit bericht

sneeuw

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939 een mooi geschreven gedicht. Sneeuw heeft met God te maken en God heeft met sneeuw te maken! Jesaja 1:18

SNEEUWDAG

Is dit Gods nieuw wereld? Pijnend licht
Liggen de velden voor mijn zwak gezicht.
Mijn hoofd is duizel-ijl, zo kort genezen
Van aardes zware druk, doods kille vrezen.
En overal is horeloos bewegen.
Gestalten waden stil de blankheid tegen
Der vijvers, in hun kristallen vreê,
Als Gods doorluchte helle hemelzee.
En al de bomen staan getooid gebogen;
Zo dekken zich Gods englen voor zijn ogen
Onder der vleuglen blank bedonsde huiven:
Een vlekkeloze vlucht gedoken duiven.
Is dit Gods dag? Hoe kunnen mijne blikken
Zijn witte glorie dragen zonder schrikken?
Hoe kan ik, aards en ziek en arm en donker,
Mij wagen tot zijn licht en rijk geflonker?
‘k Sta aan de grens van zijn verheerlijkt heden,
Maar wie durft ongeroepen verder treden

Geschreven door Dora om 19:33 Reageer op dit bericht

levensfilosofie

Een gedicht van P.A. de Genestet

 

't Buitenleven - lanterfanten!

 IJdelheid - uw stadsgerucht!
 
'k Geef om mensch, noch boom, noch lucht:
 
Ik leef bij mijn folianten:
 
Dat zijn vríenden waar en wijs;
 
In mijn cel is 't Paradijs!’
 
 
 
‘“Paai! die Mädchen! boomen, menschen,
 
Boeken? - och, een aardig kind
 
Is mij boek en bloem en vrind,
 
Summum van mijn aardsche wenschen!
 
Waar het oog der liefde straalt
 
Is mijn Hemel neêrgedaald!”’
 
 
 
Boomenkweekers, wereldlingen,
 
Celbewoners, jongeliên,
 
In uw plaats, zou mij het spleen
 
Uit mijn jeugdig vel doen springen!
 
Toch roem elk zijn keuze vrij
 
Als de slimste; maar voor mij,
 
 
 
Om door 't leven heen te komen,
 
Wijsheid zoekend, met een lach,
 
Heb ik noodig dag aan dag,
 
Menschen, meisjes, boeken, boomen,
 
Vreugden, smarten, dwaasheên, droomen,
 
Zielestrijd en luit-akkoord,
[p. 97]
 
Vriend en vijand, en zoo voort,
 
Met nog twintig kleinigheden
 
Om mij telkens te vertreden.
Geschreven door Dora om 14:25 Reageer op dit bericht

volmaakt

Een gedicht van Ida Gerhardt

HET VOLMAAKTE

Ik gaf mijn kind een zilveren bal.
Het werd zijn één, het werd zijn al;
en hij die steeds met ieder deelt,
hij schreit als iemand er mee speelt.

Ik sprak tot hem met zacht vermaan;
hij zag mij lang verwonderd aan
en liet toen stil zijn tranen gaan.

Ik gaf mijn kind een zilveren bal:
bracht ik zijn onschuld nu ten val?
Of ben ik blind? – Het goddelijk kind
hield in zijn handjes het heelal.


(uit 'De zomen van het licht' 1983)

twee opmerkingen:
1. zilveren bal = verzilverde luchtballon, veel groter dan gewone, zeer populair in de jaren ’20 (nu weer terug in allerlei vormen en bonte kleuren)
2. In de schilder- en beeldhouwkunst wordt het kindeke Jezus wel afgebeeld op de schoot van zijn moeder met de wereldbol in zijn handen. Primitief noemen wij dat vaak, maar dat is het natuurlijk niet. Het is enkel hoogst symbolisch. Het zegt duidelijk dat daar niet zomaar het zoveelste kindje geboren is, maar dat het lot van de wereld zal blijken met het leven van dit kind verbonden te zijn.

 

 

Geschreven door Dora om 19:28 1 reactie Reageer op dit bericht

zang

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824 uit vervlogen tijden, mat het graf bestaat nog steeds

Het graf

Vierde zang

Ja, stille Graven! ja, gij blijft mij wijsheid leren.
Hier kan ik 't best met God en met mijzelf verkeren,
Hier, waar de vrede woont, de zorg het hart niet knaagt,
De beek welluidend ruist, de tortel troostrijk klaagt,
De zoô *, die de armoe dekt, en 't marmren ereteken,
De duurzaamheid en prijs van aardse grootheid preken.

't Gewormte kent geen schoon, geen glans, geen majesteit;
Het aast op vorst en slaaf met de eigen gretigheid;
't Verteert gevoelloos, stil, met de eigen scherpe tanden,
De zachte maagdenborst en 't hart van dwingelanden.
De Dood verzorgt zijn dis en zamelt prooi in 't graf.
De rauwe moederkreet dwingt hem geen Zuigling af;
Hij scheurt de Jongling van het gillend maagdenharte,
Bespot de vriendschap, en beschimpt de huwlijkssmarte.
Zijn adem blaast - rang, macht, goud, titel, aanzien, zwicht;
De mens wordt wat hij was bij 't eerste levenslicht.
Zijn adem blaast opnieuw - de schoonheid is verdwenen,
Een nare afschuuwlijkheid zweeft om de schoonsten henen.

Begin van de ‘Vierde Zang’

----------------------------------------------------------
zoô - zode, aarde

Geschreven door Dora om 17:00 Reageer op dit bericht

Wie

Een mooi gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

WIE IS ALS GOD!

'Wie is als God!' zo wierd het woord,
in lang verleden tijden,
omtrent de troon van God, gehoord,
als Michaël ging strijden.
'Wie is als God!' Hij won de slag
en satans volk vernederd lag.

De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!

De vijand wierd verwonnen, maar
zijn hoogmoed niet gebroken;
met lichaamsrampe en zielgevaar
blijft satan ons bestoken;
doch, stuive en storme ‘t nog zo fel,
'Wie is als God!' roept Michaël.

De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!

De wereld is een worstelperk,
vol vijandschap en veten;
geen winnen, of een wapenwerk
van dapperen mag ‘t heten:
die weerbaar is de vrede haalt,
- 'Wie is als God!' - en zegepraalt!

De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!

Bewaar ons, in de wijg, en doet
ons allen, die u eren,
tot tenden uit, met kloeke moed
de slagen slaan des Heren;
bevrijd ons van der kwade dood,
o Michaël, Gods engel groot!

De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!

'Wie is als God!' zij ons geschreeuw,
zo ‘t uwe was, voor deze;
verwinnaar zal de Vlaamse leeuw,
door Michaël, nog wezen;
sta, engel Gods, zo bidden wij,
ons, lijdend, zwijgend, stervend, bij!

De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!

 

Geschreven door Dora om 17:20 Reageer op dit bericht

kaars

Een gedicht gericht op de levenskaars, heeft de kaars gebrand of ben ik voor die tijd al gestrand...in de ouderdom is er nog maar een klein stukje over en dan is de kaars bijna op!

Eng

 

Soms is het eng

Dan hoor je, je eigen stem

Er is geen uitzicht meer

De jaren zijn voorbij gegaan

Ik heb al zoveel gedaan

En straks zal de dood voor mijn deur staan

Ik heb geleefd

Het heeft engte gegeven

Er was wel van alles te beleven

Maar het leven nam zoveel weg

Ik was alleen op mijn levensweg

De mensen komen en gaan

Je moet zelfstandig in het leven kunnen staan

Want niemand is met je begaan

Je moet doorgaan

In de levenstrijd

Het geeft maar een bepaalde tijd

En dan is de tijd gekomen

Dat je afscheid gaat nemen

Het duurt soms nog even

Maar één keer is er een einde aan dit leven

Zijn de jaren dan van engte voorbij

Nee, want ik kijk de dood in de ogen

En mijn tijden die hebben er niet om gelogen

De ouderdom doet of deed zijn intrede

Het gaat niet meer zoals in het verleden

Het verleden waar alles kleurig was

En als ik ziek was, was er de dokter die mij genas

Maar van ouderdom kun je niet meer worden genezen

De jaren zijn voorbij en het leven is gelezen

Misschien heb ik nu nog maar even!

En geeft het uitzicht in de advent

Nu het gezicht waar ik zo naar heb verlangd?

Of was het alleen meer wat gezelligheid voor de tijd!

Straks is het een keer eeuwigheid!

Uren dagen maanden, jaren

Ze vliegen als een schaduw heen

Niets bestendigs is hier beneen!

 

Dit gedicht is geschreven met een blik naar het mensdom

door Dora

 

 

 

Geschreven door Dora om 11:30 Reageer op dit bericht

winterspook

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899 Zou het nog gaan dagen in het oosten?

 

HET WINTERSPOOK

De deuren van de Oosten gaan,
nog nauwlijks, even open
en toe, gelijk, de laatste keer,
des vege wimpers doen,
die henengaat in ‘t eeuwige. Ach,
‘t is avond nog eer ‘t noen
kan worden! Is geen dageraad,
geen dag ons meer te hopen?

Gij ook, voor eeuwig, gaat gij, oog
des Hemels, nu verdwijnen?
Gaat ‘t duister worden, altijd voort,
en donker, overal?
Gaan sterrenlicht en manelicht,
in ‘t levenloze dal,
daar ‘t koud en altijd winter is,
allene nu nog schijnen?

Een graf nu, och, een wintergraf
is alles weer bedegen*;
gedolven in dat graf is mij
de jonkheid en de jeugd:
wie redt er, ach, wie helpt er, uit
de nood ons? Hoe de vreugd
van vroeger, die begraven ligt,
het graf weer uitgekregen?

‘k En zie bijna geen wegen meer:
de koude voert mij henen,
de velden uit, de steê weer in;
nog donkerder is ‘t daar:
de zware dompen varen mij,
als of het water waar',
dat duisternisse en vuilnis voert,
onhoorbaar vóór de schenen.

Ze ontsteken licht. Een damp, alom,
die, stinkende, onder de aarde
geboren is, nu dansen gaat,
en spotten met de zon,
die ‘s Winters onmeedogendheid
niet langer baas en kon
en henenging; die, krachteloos,
voor goed misschien, ontaardde!

Afgrijslijkheid? Het winterspook
zit overal te wachten:
‘k gevoel ‘t, alwaar ik henenwille,
of zoeke zijn gegaap
te ontsnappen; ‘t komt mij tegen, tot
in huis, en, daar ik slaap,
daar steelt het mij de ruste van
mijn slapeloze nachten!

Dat ‘t Joel* weerom, dat ‘t Kerstdag zij,
dat ‘t ophoude, al dat zinken,
dat sterven, dat verloren gaan
des levens! - Herders, gaat
en peilt de diepe Oosten: ziet
gij dag noch dageraad,...
nog ‘t nieuw geboren Zonnelicht,
te Bethlehem, niet blinken?

Geschreven door Dora om 11:57 Reageer op dit bericht

ziel

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899 elk mens heeft een ziel en wat doet of deed deze er mee! Dit is goed vertolkt in het onderstaande gedicht

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blâren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heilige voet,
talen ende vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!

----------------------
lijzig - zacht
kouten - praten
klappen - praten
wee - wei
wegel - weg
talen - spreken

 

 

Geschreven door Dora om 14:14 Reageer op dit bericht

aanroep

Een gedicht van Joannes Reddingius 1873-1944, een ware pelgrim Hoe zwaar en moeilijk het ook was, hij heeft de reis begrepen! Toen was alles niet beter, maar er was geloof en de oren waren niet doof!

Aanroep

Was al mijn voelen en mijn leed van jaren
geen pelgrimstocht naar u, die ‘k diep belijd,
tot wie ‘k zacht zing, o wees gebenedijd,
wier zuiver beeld ik biddend mag ontwaren.

Ik ben een man, die sterk werd in de strijd,
die strijdend zong en zocht opnieuw gevaren,
wetend, diep-in, dat ééns de dag zal klaren,
als vogelstemklank door de luchten glijdt.

Vaak was het nacht. In gans verduisterd woud
droomde ik van sterren… en een maanlicht pad,
naar lichte verten voerend, zag ik mijn geest.

Heb ik niet altijd op uw komst vertrouwd?
Mijn hart kent u, gij kent mijns harten schat,
en samen gaan wij verder, onbevreesd.

Uit de bundel: Licht

 

 

Geschreven door Dora om 19:17 Reageer op dit bericht

het licht

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924 mooi geschreven en doordacht of diep beleefd!

Het licht is nog niet geworden

Het licht is nog niet geworden,
de hemel is bleek en vroeg,
de maan en sterren verdorden,
er is nog geen zon genoeg.

Maar van af de wolken gaat
een warmte, en doet blozen
van uit het hart, wie eenzaam staat
en voelt, zoals de roze,

dat ook voor hem dit schijnsel schijnt –
en de morgenzinnen
zweren: zolang ’t leven schijnt,
’t hoogste te beginnen.

Geschreven door Dora om 20:49 1 reactie Reageer op dit bericht

ondoorgrondelijk

Een gedicht van Daniel Jongtijs 1600-1654

Ondoorgrondelijke gronden

Ondoorgrondelijke gronden!
'k Ga niet veilig, zonder nood;
'k Ben niet vrolijk, zonder wonden;
'k Kan niet leven, zonder dood.

't Zijn twee ogen die mij geven
Dood en dodelijke wond:
En dat doden doet mij leven;
En dat wonden maakt gezond.

Hierom, opdat ik zou mogen
Hoeden mij voor doods gevaar,
Zoek ik stadig naar deze ogen,
Om gewond te zijn van haar.

Zoete wonden, zonder sterven!
Lieflijk sterven, zonder dood!
Aardig stelen, zonder derven!
Wonder derven, zonder nood!!

Geschreven door Dora om 19:08 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten