wens
Fotogedicht

wensFotogedicht

koud landschap

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944
Een late najaarsdag, sneeuw in de lucht,
belofte van veel sneeuw. Een lage wei
waar 't water blank om korte wilgen stond
tot aan de zwarte koppen. Vlokken vlogen
neer, neer, al sneller langs de naakte twijgen
en tegen 't witte water, wit en weg.
Zo, wit en weg, zo, schuinsaf door de takken
weinige, ruige vlokken op de vlucht,
als vagebonden in een winters bos
't spoor bijster.
waan

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van derSchalk 1869-1952
I
En zo het dan een waan is te geloven
Dat liefde ons eens allen verlossen zal
En haar zegen oneindig gaat te boven
De krachten van verderf in het heelal; -
Te geloven, dat de duistere demonen
Die huizen in het menselijk gemoed
En alles wat ademt, en leeft, bewonen,
Haar, overmand zullen valle' eerst te voet, -
Zo wil ik liever leven in die waan
Waar zoveel dappre daden aan ontsprongen,
Die heeft zoveel verslaagnen opgericht,
Wiens lof zoveel bezielde dichters zongen,
Dan eenzaam, verbeten en verbitterd staan
In wreder waarheid onbarmhartig licht.
II
Maar 't is niet waan en dat weten wij allen
Voor wie genade op hun levenspad
Het milde licht ener waarheid deed vallen
Waarvan hun hart nimmer de glans vergat; -
Die nooit haar warmte in hun hart ontbeerden
Voor wie iedere beet die hun mond at,
In zoete kracht en zaligheid verkeerde
Omdat de liefde haar gezegend had.
Al is de mens van nu nog zo verdorven
Van verbeelding, zo verhard van gemoed,
Ook voor hem is Christus aan 't kruis gestorven,
Zijn ziel ontsprong aan Gods eeuwige klaarheid.
Daarom kunnen wij roemen in de waarheid:
De waarheid is niet beter; zij is zoet.
uren

Een gedicht van Helene Swarth 1879-1943
Als blonde kindren hupplen de Seconden
De poort des Morgens uit, vol lichtgeluk.
Als kreunende ouden, steunende op hun kruk,
Strompelen traag de zware Middagstonden.
Hoofdschuddend, zuchtend, droef-eentonig druk,
Tonen zij bloot de nooitgenezen wonden,
Tekenen rood op schouderen geschonden
Door 't eens zo trots getorste levensjuk.
Dan komen vroom, in slepende gewaden,
De zingende Avonduren zilverblank,
Wandelend zacht langs bruine schaduwpaden.
Maar hoe zal ik, van middagklachten krank,
Beängst en moe van dromen als van daden,
Weer vrede vinden in hún stemmenklank?
sneeuw

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939 een mooi geschreven gedicht. Sneeuw heeft met God te maken en God heeft met sneeuw te maken! Jesaja 1:18
Is dit Gods nieuw wereld? Pijnend licht
Liggen de velden voor mijn zwak gezicht.
Mijn hoofd is duizel-ijl, zo kort genezen
Van aardes zware druk, doods kille vrezen.
En overal is horeloos bewegen.
Gestalten waden stil de blankheid tegen
Der vijvers, in hun kristallen vreê,
Als Gods doorluchte helle hemelzee.
En al de bomen staan getooid gebogen;
Zo dekken zich Gods englen voor zijn ogen
Onder der vleuglen blank bedonsde huiven:
Een vlekkeloze vlucht gedoken duiven.
Is dit Gods dag? Hoe kunnen mijne blikken
Zijn witte glorie dragen zonder schrikken?
Hoe kan ik, aards en ziek en arm en donker,
Mij wagen tot zijn licht en rijk geflonker?
‘k Sta aan de grens van zijn verheerlijkt heden,
Maar wie durft ongeroepen verder treden
levensfilosofie

Een gedicht van P.A. de Genestet
't Buitenleven - lanterfanten!
volmaakt

Een gedicht van Ida Gerhardt
HET VOLMAAKTE
Ik gaf mijn kind een zilveren bal.
Het werd zijn één, het werd zijn al;
en hij die steeds met ieder deelt,
hij schreit als iemand er mee speelt.
Ik sprak tot hem met zacht vermaan;
hij zag mij lang verwonderd aan
en liet toen stil zijn tranen gaan.
Ik gaf mijn kind een zilveren bal:
bracht ik zijn onschuld nu ten val?
Of ben ik blind? – Het goddelijk kind
hield in zijn handjes het heelal.
(uit 'De zomen van het licht' 1983)
twee opmerkingen:
1. zilveren bal = verzilverde luchtballon, veel groter dan gewone, zeer populair in de jaren ’20 (nu weer terug in allerlei vormen en bonte kleuren)
2. In de schilder- en beeldhouwkunst wordt het kindeke Jezus wel afgebeeld op de schoot van zijn moeder met de wereldbol in zijn handen. Primitief noemen wij dat vaak, maar dat is het natuurlijk niet. Het is enkel hoogst symbolisch. Het zegt duidelijk dat daar niet zomaar het zoveelste kindje geboren is, maar dat het lot van de wereld zal blijken met het leven van dit kind verbonden te zijn.
zang

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824 uit vervlogen tijden, mat het graf bestaat nog steeds
Vierde zang
Ja, stille Graven! ja, gij blijft mij wijsheid leren.
Hier kan ik 't best met God en met mijzelf verkeren,
Hier, waar de vrede woont, de zorg het hart niet knaagt,
De beek welluidend ruist, de tortel troostrijk klaagt,
De zoô *, die de armoe dekt, en 't marmren ereteken,
De duurzaamheid en prijs van aardse grootheid preken.
't Gewormte kent geen schoon, geen glans, geen majesteit;
Het aast op vorst en slaaf met de eigen gretigheid;
't Verteert gevoelloos, stil, met de eigen scherpe tanden,
De zachte maagdenborst en 't hart van dwingelanden.
De Dood verzorgt zijn dis en zamelt prooi in 't graf.
De rauwe moederkreet dwingt hem geen Zuigling af;
Hij scheurt de Jongling van het gillend maagdenharte,
Bespot de vriendschap, en beschimpt de huwlijkssmarte.
Zijn adem blaast - rang, macht, goud, titel, aanzien, zwicht;
De mens wordt wat hij was bij 't eerste levenslicht.
Zijn adem blaast opnieuw - de schoonheid is verdwenen,
Een nare afschuuwlijkheid zweeft om de schoonsten henen.
Begin van de ‘Vierde Zang’
----------------------------------------------------------
zoô - zode, aarde
Wie

Een mooi gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
'Wie is als God!' zo wierd het woord,
in lang verleden tijden,
omtrent de troon van God, gehoord,
als Michaël ging strijden.
'Wie is als God!' Hij won de slag
en satans volk vernederd lag.
De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!
De vijand wierd verwonnen, maar
zijn hoogmoed niet gebroken;
met lichaamsrampe en zielgevaar
blijft satan ons bestoken;
doch, stuive en storme ‘t nog zo fel,
'Wie is als God!' roept Michaël.
De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!
De wereld is een worstelperk,
vol vijandschap en veten;
geen winnen, of een wapenwerk
van dapperen mag ‘t heten:
die weerbaar is de vrede haalt,
- 'Wie is als God!' - en zegepraalt!
De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!
Bewaar ons, in de wijg, en doet
ons allen, die u eren,
tot tenden uit, met kloeke moed
de slagen slaan des Heren;
bevrijd ons van der kwade dood,
o Michaël, Gods engel groot!
De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!
'Wie is als God!' zij ons geschreeuw,
zo ‘t uwe was, voor deze;
verwinnaar zal de Vlaamse leeuw,
door Michaël, nog wezen;
sta, engel Gods, zo bidden wij,
ons, lijdend, zwijgend, stervend, bij!
De vane omhoge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
'Wie is als God!' weergalme ‘t woord
des zegepraals, nog heden!
kaars

Een gedicht gericht op de levenskaars, heeft de kaars gebrand of ben ik voor die tijd al gestrand...in de ouderdom is er nog maar een klein stukje over en dan is de kaars bijna op!
Eng
Soms is het eng
Dan hoor je, je eigen stem
Er is geen uitzicht meer
De jaren zijn voorbij gegaan
Ik heb al zoveel gedaan
En straks zal de dood voor mijn deur staan
Ik heb geleefd
Het heeft engte gegeven
Er was wel van alles te beleven
Maar het leven nam zoveel weg
Ik was alleen op mijn levensweg
De mensen komen en gaan
Je moet zelfstandig in het leven kunnen staan
Want niemand is met je begaan
Je moet doorgaan
In de levenstrijd
Het geeft maar een bepaalde tijd
En dan is de tijd gekomen
Dat je afscheid gaat nemen
Het duurt soms nog even
Maar één keer is er een einde aan dit leven
Zijn de jaren dan van engte voorbij
Nee, want ik kijk de dood in de ogen
En mijn tijden die hebben er niet om gelogen
De ouderdom doet of deed zijn intrede
Het gaat niet meer zoals in het verleden
Het verleden waar alles kleurig was
En als ik ziek was, was er de dokter die mij genas
Maar van ouderdom kun je niet meer worden genezen
De jaren zijn voorbij en het leven is gelezen
Misschien heb ik nu nog maar even!
En geeft het uitzicht in de advent
Nu het gezicht waar ik zo naar heb verlangd?
Of was het alleen meer wat gezelligheid voor de tijd!
Straks is het een keer eeuwigheid!
Uren dagen maanden, jaren
Ze vliegen als een schaduw heen
Niets bestendigs is hier beneen!
Dit gedicht is geschreven met een blik naar het mensdom
door Dora
winterspook

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899 Zou het nog gaan dagen in het oosten?
De deuren van de Oosten gaan,
nog nauwlijks, even open
en toe, gelijk, de laatste keer,
des vege wimpers doen,
die henengaat in ‘t eeuwige. Ach,
‘t is avond nog eer ‘t noen
kan worden! Is geen dageraad,
geen dag ons meer te hopen?
Gij ook, voor eeuwig, gaat gij, oog
des Hemels, nu verdwijnen?
Gaat ‘t duister worden, altijd voort,
en donker, overal?
Gaan sterrenlicht en manelicht,
in ‘t levenloze dal,
daar ‘t koud en altijd winter is,
allene nu nog schijnen?
Een graf nu, och, een wintergraf
is alles weer bedegen*;
gedolven in dat graf is mij
de jonkheid en de jeugd:
wie redt er, ach, wie helpt er, uit
de nood ons? Hoe de vreugd
van vroeger, die begraven ligt,
het graf weer uitgekregen?
‘k En zie bijna geen wegen meer:
de koude voert mij henen,
de velden uit, de steê weer in;
nog donkerder is ‘t daar:
de zware dompen varen mij,
als of het water waar',
dat duisternisse en vuilnis voert,
onhoorbaar vóór de schenen.
Ze ontsteken licht. Een damp, alom,
die, stinkende, onder de aarde
geboren is, nu dansen gaat,
en spotten met de zon,
die ‘s Winters onmeedogendheid
niet langer baas en kon
en henenging; die, krachteloos,
voor goed misschien, ontaardde!
Afgrijslijkheid? Het winterspook
zit overal te wachten:
‘k gevoel ‘t, alwaar ik henenwille,
of zoeke zijn gegaap
te ontsnappen; ‘t komt mij tegen, tot
in huis, en, daar ik slaap,
daar steelt het mij de ruste van
mijn slapeloze nachten!
Dat ‘t Joel* weerom, dat ‘t Kerstdag zij,
dat ‘t ophoude, al dat zinken,
dat sterven, dat verloren gaan
des levens! - Herders, gaat
en peilt de diepe Oosten: ziet
gij dag noch dageraad,...
nog ‘t nieuw geboren Zonnelicht,
te Bethlehem, niet blinken?
ziel

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899 elk mens heeft een ziel en wat doet of deed deze er mee! Dit is goed vertolkt in het onderstaande gedicht
Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blâren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heilige voet,
talen ende vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
----------------------
lijzig - zacht
kouten - praten
klappen - praten
wee - wei
wegel - weg
talen - spreken
aanroep

Een gedicht van Joannes Reddingius 1873-1944, een ware pelgrim Hoe zwaar en moeilijk het ook was, hij heeft de reis begrepen! Toen was alles niet beter, maar er was geloof en de oren waren niet doof!
Was al mijn voelen en mijn leed van jaren
geen pelgrimstocht naar u, die ‘k diep belijd,
tot wie ‘k zacht zing, o wees gebenedijd,
wier zuiver beeld ik biddend mag ontwaren.
Ik ben een man, die sterk werd in de strijd,
die strijdend zong en zocht opnieuw gevaren,
wetend, diep-in, dat ééns de dag zal klaren,
als vogelstemklank door de luchten glijdt.
Vaak was het nacht. In gans verduisterd woud
droomde ik van sterren… en een maanlicht pad,
naar lichte verten voerend, zag ik mijn geest.
Heb ik niet altijd op uw komst vertrouwd?
Mijn hart kent u, gij kent mijns harten schat,
en samen gaan wij verder, onbevreesd.
Uit de bundel: Licht
het licht

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924 mooi geschreven en doordacht of diep beleefd!
Het licht is nog niet geworden,
de hemel is bleek en vroeg,
de maan en sterren verdorden,
er is nog geen zon genoeg.
Maar van af de wolken gaat
een warmte, en doet blozen
van uit het hart, wie eenzaam staat
en voelt, zoals de roze,
dat ook voor hem dit schijnsel schijnt –
en de morgenzinnen
zweren: zolang ’t leven schijnt,
’t hoogste te beginnen.
ondoorgrondelijkEen gedicht van Daniel Jongtijs 1600-1654
Ondoorgrondelijke gronden!
'k Ga niet veilig, zonder nood;
'k Ben niet vrolijk, zonder wonden;
'k Kan niet leven, zonder dood.
't Zijn twee ogen die mij geven
Dood en dodelijke wond:
En dat doden doet mij leven;
En dat wonden maakt gezond.
Hierom, opdat ik zou mogen
Hoeden mij voor doods gevaar,
Zoek ik stadig naar deze ogen,
Om gewond te zijn van haar.
Zoete wonden, zonder sterven!
Lieflijk sterven, zonder dood!
Aardig stelen, zonder derven!
Wonder derven, zonder nood!!
onmacht

Een gedicht van August Vermeylen 1872-1945 stil wandelend aan de zee voerden de gedachte van de dichter poëtisch mee...
Als een zang die langzaam en machtig wiegt,
Uit de verte aansuist en dan weer vervliegt,
En op nieuwe wind
Me nauwer omwindt,
Hoor 'k steeds het geruis van de zee.
Waar ik ben.... ik wandel langs zonnestranden,
Alleen met het ruisen der baren die branden,
Zachte branding die schuimt
Naar de guurklare ruimt',
Witte ontrolling van lucht en zee.
En de golven stijgen in zingende reien
Naar de grote lichtdag waar spelemeien
De duizend gezwinde en
Witvleuglige winden
Langs gouden wegen over de zee.
Ik ga door de dagen, maar overal
Is haar ruimte en vreemd ruisende golvenval,
Zij roept me als gebod
Van mijn eigen lot
Uit de stemmen der liefde, de zee.
Zij wenkt me uit de blikken die liefde ontsloot,
De blikken van vreugde en lachende dood...
Een doodzang zoo fris
Als een kinderstem is
Zingt de bron van al leven, de zee.
Haar aanwezigheid houdt mijn ziele omvangen,
Mijn ziele zo ziek van ruimte en verlangen
Naar de onoverwinbare,
De onbezinbare,
De nooit-verandrende zee.
Wieglied, doodlied, machtig en stil,
Wieg mijne ziel die vertrouwen wil,
En vol duizeligheên
Nu staat zo alleen
Voor u die van allen zijt, zee.
haastEen gedicht van iemand die haast had de naam van de schrijver Channah. Haastig spoed, zelden goed! Het geeft een erg zwaar beladen gemoed. Dan kan het lijken of het leven er niet meer toe doet. Want dit wordt vreselijk zweten in een geweten!
De dag dat alles anders was
was een geen dag als alle andere.
Mijn auto, ja die reed te hard,
die maakte het de dag,
die alles liet veranderen.
Er kwam een grafsteen
met jouw naam.
En het maakte het de dag,
dat ik me schaam.
Iedereen heeft wel eens haast
Maar mijn haast die was niet gewoon.
Mijn haast is een moordenaar
en kostte het leven
van één persoon.
graven

Een gedicht geschreven door mijzelf de leeftijd is niet belangrijk, het gaat om de nieuwe naam
Graven
Als de graven zullen opengaan!
Dan klinkt voor niet ieder een nieuwe naam
De nieuwe naam die wordt gegeven
Aan mensen die anders wilde leven
Aan mensen die aan de dood wilde ontkomen
Dat waren mensen met eeuwige dromen
Eens zal de dag komen
Dat de graven opengaan
En allen in en buiten het graf voor Hem zullen staan
En dan vraagt Hij, wat heeft u voor mij gedaan?
En moet men het antwoord schuldig blijven
Dan zal men innerlijk verstijven
Ja, dit is een afgrijzen
Omdat men lichtvaardig met dit alles om is gegaan
Want na dit leven is er nog een bestaan
Dat is altijd met Hem gaan
En een ieder laten verstaan
Dat ze op verkeerde wegen gaan!
Hij gaf Zijn leven maar niet zomaar
Er hing een dure prijskaart aan
Daarom is het zo nauw om Hem in het
hier en nu te kunnen verstaan!



‘k Heb zoete liefde verdreven
uit het ontloverd nest;
en als een slot omgeven
mijn hart met wal en vest.
De burchtpoort is gesloten,
de hangbrug is gelicht;
‘t geheel is overgoten
met mystisch treurig licht.
Of in de voegen schijnen
te bloeien bloemetjes blauw,
zij zullen, zij moeten verkwijnen:
zij derven zonglans en dauw.
Nog zingt in dorrende twijgen
een eenzame nachtegaal,
Dra zal, - daar de echo's zwijgen -
verstommen zijn weemoedstaal.
Wel is het stil daar binnen
maar ‘t is er rustig en goed;
en nimmermeer blaast op de tinnen
de wachter, met dartele zinnen,
een reiziger de welkomstgroet.
jachthoorn

Een gedicht geschreven door Prosper van Langendonck 1862-1920 een voor mij onbekende oude dichter maar het gedicht sprak mij aan en laat het hier voor u staan...een hoorn doet denken aan iets wat lang is...misschien klinkt het nog lang na!
Hoort gij de jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalme avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zo treurig en zó zoet,
dat uit die jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn dromen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gans die jeugd herboren,
met d'onvoldane dromenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in volle vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.