Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

mode

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936 zo'n gedicht is altijd actueel!

Veel namen

Alle nieuwerwetse namen
Van genieën, nieuwe en oude,
Kwamen in die schedel samen.
Iedre grote geest vertrouwde
- Schijnt het - hem zijn diepste gronden
En hij ijlt die te verkonden
Met een mond als duizend monden.
Hoe hij heet? Ik zeg u node
Hoe hij heet. Zijn naam is Mode.

Uit de bundel: Het eigen rijk (1912)

Geschreven door Dora om 19:24 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

taal

Een gedicht van Charivarius 1870-1946

De taal der talen

Het meervoud van slot is sloten
Maar toch is het meervoud van pot, geen poten
Evenzo zegt men; een vat twee vaten
Maar zal men niet zeggen: een kat twee katen

Wie gisteren ging vliegen, zegt heden ik vloog.
Dus zeggen ze misschien ook van wiegen ik woog.
Neen mis! want ik woog is afkomstig van wegen.
Maar is nu ik "voog", een vervoeging van vegen.

En van het woord zoeken vervoegt men ik zocht
En dus hoort bij vloeken, misschien wel ik vlocht
Alweer mis! want dit is afkomstig van vlechten
Maar ik hocht is geen juiste vervoeging van hechten

Bij roepen hoort riep, bij snoepen geen sniep
Bij lopen hoort liep, maar bij slopen geen sliep
Want dit is afkomstig van het schone woord slapen
Maar zeg nu weer niet, ik riep bij het woord rapen.

Want dat komt van roepen, en u ziet terstond
Zo draaien wij vrolijk in een kringetje rond
Van raden komt ried, maar van baden geen bied
Dat komt van bieden, (ik hoop dat u 't ziet)
Ook komt hiervan bood, maar van wieden geen wood.

U ziet de verwarring is akelig groot
Nog talloos veel voorbeelden kan ik u geven
Want gaf hoort bij geven, maar laf niet bij leven
Men spreekt van wij drinken, wij hebben gedronken
Maar niet van wij hinken, wij hebben gehonken

Het volgende geval,dat is bijna te bont
Bij slaan hoort, ik sloeg, niet ik sling of ik slond
Bij staan niet ik stong ik sting maar ik stond
Bij gaan hoort ik ging, en niet ik goeg of ik gond

Een mannetjeskat, noemt men meestal een kater
Hoe noemt men een mannetjesrat, soms een rater
zo heeft het NEDERLANDS verschillende kwalen
Nietemin is en blijft het, DE TAAL DER TALEN.

 

Geschreven door Dora om 17:15 Reageer op dit bericht

vliegtuig

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940 dat was in de tijd dat de eerste vliegtuigen er kwamen...wat heeft het gebracht? Alweer een vlietuig neergestort alle mensen voor zover de berichten waar zijn, zijn deze omgekomen!

De vliegmachine

De aarde spant zich om hem uit te stoten,
de roekeloze, die haar greep ontsprong
en zich naar hare rondste toppen wrong,
waar 't wonder hem der luchten wordt ontsloten –

Want vorsing loert in zijn gedoken sprong
en heersen ligt in zijne wil besloten;
hij proeft de kansen om zich af te stoten
aan harde lucht, waardoor zijn schroefslag zong.

Reeds houden vleugels voeling met de trans
en, ongeschonden heerser in de ruimte
drijft hij, een glimlach van onkwetsbaarheid –

Bewegend evenwicht in eindeloosheid,
metalen rustkern in gespleten ruimte,
gebeiteld mensmerk aan gespannen trans!

Geschreven door Dora om 14:11 Reageer op dit bericht

Kind

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Gelukkig Kind

Gelukkig kind,
dat ligt en laat geworden
al 't geen de mens
zo driftiglijk beroert!

Gelukkig kind,
dat niet en peist op morgen,
dat alles mint,
en nijdig niets beloert!

Gelukkig kind,
dat elke stap in 't leven
een stap vernaarst
aan 't heilig kinderland!

Gelukkig kind,
'k zou alles alles geven
voor uw geluk, mijn kind, dat ligt en roert in 't zand!

Geschreven door Dora om 17:22 Reageer op dit bericht

scherven

Een hartenkreet geschreven door Joke Bot het is kort maar krachtig soms is dat machtig...

 

scherven

ouder worden
houvast aan scherven
groeien en rijpen
inzicht verwerven

Klik hier voor meer gratis plaatjes

Geschreven door Dora om 18:18 Reageer op dit bericht

wonderlijk

Een gedicht van Jacobus van Looy  1855-1930

Wonderlijk

Wonderlijk is ‘t in ‘t holle van de nacht,
Plotsling te denken aan zoveel beminden;
Als in de duistre wereld van de winden,
‘t Zwalpe element ligt met gebonden kracht.
Dan komt zich al wat ver is weer laten vinden:
De handen, de gelaten der beminden,
Als in een gloed van lage kaarsen, zacht.
Smartlijke vreugd te sturen naar die schijnen.
De lippen, en die ogen te zien deinen-
Groot is de nacht en het getij vaak boze-
O eeuwigheid, waar mijn gezichten leven;
Als achter schuim een beeld stijgt voor een steven,
Als in een nis schimt ‘n mater dolorose

Geschreven door Dora om 13:44 Reageer op dit bericht

vogel

Een gedicht van Jacob Isarël de Haan 1881-1924

Een vogel

Een vogel floot en deze stoorde
Stilte met zijn ongehoorde
Tintelende fluit.
Die vogel floot voor zich alleen
Uit hart en keel ten hemel heen
Zijn hoog geluid.

Een vogel kent geen roem of loon,
IJdelheid niet. Dus fluit hij schoon
Uit eigen lust.
Als vogels zó fluit ik, een dichter,
Maak het duister leven lichter,
Rusteloos hart gerust.

Geschreven door Dora om 16:17 Reageer op dit bericht

psalm

Een gedicht van van Marnix van Sint Aldegonde 1540-1598 was in oud Nederlands geschreven hieronder de nieuwe versie. En het is nog steeds actueel!

1.
Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David

2.
Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen
en mijn tong voor zonde behoeden,
mijn mond met een muilband bedwingen
te midden van mensen zonder God of gebod.

3.
En ik zei dan ook niets, geen woord,
ik zweeg en vond geen verlichting,
ik voelde steeds heviger pijn.

4.
Het brandde in mijn binnenste,
bij mijn zuchten laaide een vuur op
en mijn tong begon te spreken:

5.
‘Geef mij weet van mijn einde, HEER,
van de maat van mijn levensdagen,
laat mij weten hoe vergankelijk ik ben.

6.
U maakte mijn dagen een handbreed lang,
mijn levensduur is niets in uw ogen,
niet meer dan lucht is het bestaan van een mens,

7.
niet meer dan een schaduw zijn levenspad,
niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt,
hij vergaart en weet niet wie het toevalt.’

8.
Wat heb ik dan te verwachten, Heer?
Mijn hoop is alleen op u gevestigd.

9.
Bevrijd mij van al mijn zonden,
bespaar mij de hoon van dwazen.

10.
Ik zei niets, opende mijn mond niet,
want u was het die mij dit alles aandeed.

11.
Houd op mij nog langer te kwellen,
ik bezwijk onder de slagen van uw hand.

12.
U kastijdt de mens als straf voor zijn zonde,
als een mot vreet u weg wat hij begeert,
niet meer dan lucht is een mens.

13.
Hoor mijn gebed, HEER,
luister naar mijn hulpgeroep,
wees niet doof voor mijn verdriet,
want een vreemdeling ben ik, bij u te gast
zoals ook mijn voorouders waren.

14.
Wend uw straffende blik van mij af,
dan beleef ik nog vreugde
voordat ik heenga en niet meer ben.

Uit de bundel: Het Boeck der Psalmen Davids (1580)

 

Geschreven door Dora om 13:58 Reageer op dit bericht

ballade

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Ballade

Het schip voer af. - Zij oogde ’t na…
Het zonlicht ging met hem!
Nog hoorde zij het laatste woord
Dier jonge, diepe stem:

‘Tot weerziens, Moeder!’ - En zijn kus,
Die op haar lippen brandt,
Zijn blik, die lang de hare zocht,
En ’t wuiven van zijn hand.

Zij bergt het alles in heur hart.
Geen dag, geen nacht gaat om,
Of voor haar ogen rijst zijn beeld:
‘Houd moed; ik kom weerom.’

Nooit dof is ’t oog, nooit bleek haar wang,
Als zij zijn brieven leest.
Die liggen alle voor haar neer;
Zij leest de laatste ’t meest.

En perst haar lippen op zijn naam,
En op zijn jubelkreet:
‘Ik kom terug! Mijn laatste brief!
Houd huis en hart gereed.’

Een kille, lichtloze nacht
Was ’t leven zonder hem.
Hij keert! De nacht heeft uit! Weldra
Hoort zij zijn stap; zijn stem.

En drukt zij hem in ’t arm, en voelt
Zijn kus en strijkt zijn haar,
Zijn donkere lokken van ’t gelaat,
Veranderd, - niet voor haar!

Zij zit en staroogt, uren lang…
Daar staat het reuzengroot:
‘Ik kom weerom!’ – ’t Wordt nimmer waar
Men zei:’ Uw zoon is dood;

‘Hij stierf op zee’… En nog veel meer.
Zij heeft het niet verstaan.
‘Ik kom weerom,’ zo fluistert zij,
En kijkt u lachend aan.

En iedere morgen wacht zij hem.
Dan gaat zij naar de ree*
En doolt de schepen langs en tuurt
Naar de eindeloze zee.

En iedere middag wacht zij hem.
En zet zijn stoel gereed,
En toeft, een glimlach op ’t gelaat,
In feestelijk zondagskleed.

En iedere avond wacht zij hem.
En strookt zijn peluw glad,
En luistert – tot het laatst geluid
Gestorven is in stad.

En als zij ’t oog voor altijd sluit,
Dan is ‘t, schoon bleek en stom,
Als murmelden haar lippen nóg:
‘Houd moed; ik kom weerom.’

---------------------------------------
ree: ligplaats voor schepen

Geschreven door Dora om 11:30 Reageer op dit bericht

de tijd

Een gedicht van Gerrit Kouwenaar

De tijd staat open

De tijd staat open, het hijgt aan weerszijden
of avond en donker elkander omarmen, het slaapt
dat het kraakt in de stokoude boomgaard, zwanger
van wanvruchten galappels wormen

in het huis het gemor van adem, van data
dat de nachtschade hangt aan zijn leven
dat de zaaier ontkiemt in zijn veldbed
dat de groene woorden als kersen bederven

bij vlagen het heden, de vragen, gesteun
van de lage eenmalige bomen om een lange totale
genadige zomer, om najaar, om winter -

-----------------------------
uit: 'Vallende Stilte', 2008.

Geschreven door Dora om 17:32 Reageer op dit bericht

roodborstje

Een gedicht van J.J.A Goeverneur 1809-1898

Het roodborstje

Het roodborstje pikt aan het venster, tin! tin!
En zegt: Ach, doe open en laat mij er in;
Doe open, lief meisje, 'k weet anders geen raad,
Zo sneeuwt en zo waait het hierbuiten op straat;
Ik sterf van de koude, toe, laat mij erbinnen.
'k Zal zoet zijn en allerlei grapjes beginnen.

Het meisje deed open en gaf, op haar schoot,
Aan 't roodborstje suiker en kruimeltjes brood;
Wat was toen het vogeltje vrolijk! Het sprong
En danste op haar schouder, het piepte en het zong,
Het vloog van de tafel de kamer in 't ronde,
En dankte 't lief meisje zo goed het maar konde.

Maar toen het daarbuiten zo koud niet meer was,
En 't zonnetje scheen, zat roodborstje voor 't glas.
Het speelde niet langer, maar keek door de ruit,
En piepte zo droevig, als wou het er uit.
Het meisje deed open, wip! vloog het daarhenen
En was een, twee, drie in de bomen verdwenen.

Geschreven door Dora om 18:54 Reageer op dit bericht

verzen

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Verzen

De verzen zijn bokalen,
Waarin een dichter zijn gedachten giet.
Een vers is goed of niet,
Naarmate ’t vol is tot de rand,
die niet kan halen,
Of over-vliet.

 

Geschreven door Dora om 16:58 Reageer op dit bericht

molen

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Molen op Tessel

De grauwe reus die, gans een bezig leven,
tot elke wind zijn hoogmoed heeft gewend,
staat, ogenschijnlijk nog bij kracht gebleven
en stevig op zijn stenen fondament.

Maar ‘t oude lijf, verschrompeld onder de oude
beplanking, is verschrankt en uitgeteerd
en staat, ternauwernood bijeengehouden,
nu in de wind verwinterd en verweerd.

‘t Armzalig hout bekleedt de holle romp,
waar lang ‘t gebrom verstomd is van de wielen.
Van boven steekt, een vormeloze stomp,
de naaf uit, waar vier wieken aan ontvielen.
Van ‘t juk bleef nog ‘t hoog dwarshout ongebroken.

Zo rijst de molen, ‘t wrak verband ontwricht,
zijn twee lege armen uitgestoken,
als een gekruisigde op in ‘t koude licht.

Geschreven door Dora om 17:20 Reageer op dit bericht

medicijn

Altijd waar...een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

De beste medicijn

‘Mijn hoofdje, moeder, doet mij zeer’
Riep ik voorleden nacht.
Weldra zat moeder naast mij neer,
Die troost en laafnis bracht.

Zij hield mijn gloeiend handje vast,
En bood mij koele drank,
En bad voor mij, bij leed en last;
Mijn hart werd minder krank.

Ik sliep, ontwaakte zonder pijn,
Met d'eerste morgengroet,
En dacht: ‘Geen beter medicijn,
Dan moederliefde en moed.’

Uit de bundel: Gedichtjes voor kinderen (1849)

Illustratie: 'Het zieke kind' schilderij door John Bond Francisco 1893 (VS)

Geschreven door Dora om 16:10 Reageer op dit bericht

tijd

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Er is geen tijd

Er is geen tijd. Wat gistren was
is wat vandaag me een liefde wijst.
Herdenken: ongedronken glas
dat morgen laaft en spijst.

Wat is me droeve scheppings-daad
en baren in 't gelaat der dood?:
een kindje dat aan 't schaatren slaat
daar 't wemelt in mijn schoot.

Welke is de krankheid die me pijnt
bij dreigend komen en vergaan?
Wij zijn, daar ze onbeweeglijk schijnt,
een sterre aan hare baan.

Wij reizen, en uit ieder punt
verrijst een einde, ontrijst begin;
waar alles wat het leven gunt
verlies is, en gewin.

En komt eens de ongenode Gast
ons scheemren in 't vervaald gelaat,
o Dood, met avond rijk belast:
dàn wordt het dageraad.

Uit de bundel: God aan zee

Geschreven door Dora om 17:21 Reageer op dit bericht

zelfvernedering

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Die nacht van zelfvernedering

Die nacht van zelfvernedering
van deemoed aan de dodensponde
in een gestage preveling;
"vergeef mijn zonden."

Van pogen, dat mijn leven, al
mijn zijn ik u uitgeven konde
en woorden mij niet kwamen dan
"vergeef mijn zonden."

Een simpel woord van leniging
het enigst, wat ik heb gevonden,
waarin mijn ziel uitwenen ging
"vergeef mijn zonden."

Geschreven door Dora om 19:25 Reageer op dit bericht

het wiel

Een gedicht van J. Eijkelboom

Het Wiel

's Winters willen wij de lente
en in de lente liefst de zomer,
en als het wemelt in de heggen
zeggen wij: laat de winter komen.
En daarna is er niets meer goed:
het voorjaar komt er niet meer aan.
Wij weten niet dat in ons woedt
verlangen om maar dood te gaan.

Geschreven door Dora om 17:30 Reageer op dit bericht

liedeken

Een gedicht van Gerbrand Bredero 1585-1618

LIEDEKEN

[Stemme:
Nu spreid uw kapje nedere,
Het is zo mooie wedere etc.]


Mocht ik verwerven hetgeen ik wou,
Of zo ’t naar wense gevil,
Ik kreeg een schone wijze Vrouw,
Maar hoewel dat ik niet en trouw,
’t Schort mij niet aan de wil.

De angst die in ’t verkiezen leit,
Bezwaart mijn hart zo zeer,
Dat mijn arme genegenheid
zeer zelden ziet gelegenheid,
Zo ik die wel begeer.

Zie ik een aanschijn lief en zoet,
Slecht, needrig, ongeacht,
Doch vroom en eerbaar van gemoed,
Maar zonder enig haaf of goed,
De liefd’ en heeft geen kracht.

Zo ik dan naar een rijker zie,
Van schat, van pracht en staat;
’t Is nodig dat ik dan van die
Zo zeer als van de arme vlie,
Wil ik niet zijn versmaad.

Verkies ik dan een schone Maagd,
Bevallig, hups, en snel,
Die mij in alles wel behaagt:
Zo is ook al om niet gevraagd,
Geval ik haar niet wel.

Zo ik (als veel) om ’t loze geld
Een lelijk wijf ansla,
Zo zie ik staag ’t geen dat mij kwelt:
De liefde door afkeer versmelt,
Geen trek heb ik daar na.

Vaar wel die ouwe weeuwen vrijdt,
Ik ben er voor vervaard,
En die zijn zoetste jonge tijd
Met zulke ouwe kwee verslijt,
Die is geen ere waard.

Vrij ik een jeugdig wakker dier,
Die ben ik schier te oud,
Want die waant in haar zinnen schier,
Dat in mij al het minnen-vuur
Is uitgedoofd en koud.

De kwade die begeer ik niet,
Het bij-zijn is onzoet
Van die met een wellust aanziet
Haar goede vrome mans verdriet,
Voor die ben ik te goed:

Maar hoor, deugdrijke Vrouw beleefd,
Voorzichtig, goed en wijs,
Mijn hart u alles overgeeft,
Door die het u genomen heeft
Voor zijn aards Paradijs.

Die mij hier voor neuswijs beschimpt,
Of lastert trots met lust,
Die doet nog goed, al luidt het vreemd,
Want t’wijl dat hij mijn eer beneemt,
Zo heeft een ander rust.

 

Geschreven door Dora om 16:13 Reageer op dit bericht

boutade

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Boutade

 

O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,

Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,

Vol vuns, onpeilbaar slijk en onverwaardbare wegen,

Vol jicht en parapluiers, vol kiespijn en vol kramp,

 

O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,

Van kikkers, baggerlui, schoenlappers en moddergoôn,

Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen

Ontvangt het najaarswee van uw verkouden zoon!

 

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen

Tot modder; ‘k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vree.

Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,

Gij – niet op mijn verzoek – ontwoekerd aan de zee.

 

Geschreven door Dora om 16:36 Reageer op dit bericht

sledevaart

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

SLEDEVAART

Herinnering aan vrijdagmorgen,
28 dec. 1923


Dit is het laatst geluk geweest,
Dat u en mij op aard' verbindt:
Een sledevaart door sneeuw en wind,
En dit geluk gedenk ik 't meest.

Er was geen leven en geen tijd.
Onder een hemel van ivoor
Gleden wij stil de stilte door
Der smetteloze oneindigheid.

Peilde onze diepe veiligheid,
Aan 't tuig 't gelui der zuivre klok?
Opeens doorvoer 't mij met een schok:
Dit is des Heeren heiligheid.

Want roerloos, boven en beneê,
Stond 't ijle licht, dat schrikt noch blindt,
En 'k werd zo rustig, of 'k weer, kind,
Op moeders schoot de slaap in gleê.

Wij spraken weinig en verstrooid.
Geluid drong tot geluk niet door.
De wereld ging voor mij teloor,
Maar uw gelaat vergeet ik nooit.

't Was of Gods niet te naken gloed,
Die helder oplaait in uw ziel,
Door blinkend prisma tot mij viel
Met al de warmte van uw bloed.

Even voor dit juwelen licht
Heeft duizels donker mij bedekt.
Toen heeft uw lach mij opgewekt
En zag 'k uw glanzend aards gezicht.

Uw handen hielden strak de toom
En temperden de gulle draf.
De fijne sneeuw woei op en af.
De droom vergleed in andre droom.-

Dit is het laatst geluk geweest,
Dat u en mij op aard verbindt:
Een sledevaart in sneeuw en wind
En dit geluk gedenk ik 't meest.

Uit de bundel: Nalezing V (1924)

Geschreven door Dora om 15:05 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten