Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Maart

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Maart

Maart, Maart,
Roer vrij je staart:
Nog maar een poos kan je ons kwellen en plagen;
Dra zijn je vlagen
Weg met het vuur, dat je houdt aan de haard,
Lastige Maart!

Maart, Maart,
Roer vrij je staart:
'k Zie reeds April, die je volgt in je stappen,
En komt verklappen,
Dat men u moe wordt in velden en gaard,
Lelijke Maart!

Maart, Maart,
Roer vrij je staart:
Meimaand wordt slechts door je spoken te zoeter,
En ze vergoedt er
Wat je ons onthoudt en terughoudt in de aard,
Gierige Maart!

Maart, Maart,
Toch ben je ons waard:
Omdat je zwijgend een wenk in het leven
Aan ons wilt geven,
Wenk, die het kinderhart dankbaar bewaart,
Buiïge Maart!

Maart, Maart,
Roer vrij je staart:
Want je leert ons: na het kwaad komt het goede;
't Zeegnen nooit moede,
Schept God de vreugd uit het lijden der aard,
Leerzame Maart!

Uit de bundel: Het nachtegaaltje (1851)

 

Geschreven door Dora om 12:17 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

arbeid

Een hartenkreet van a.v.eesteren

Arbeid Adelt

Arbeid adelt
Werd mij vroeger verteld
Maar de adel arbeidt niet
Zij hebben het oude geld

Blauw bloed
Stroomt door de aderen
Zij hebben het goed
Dankzij hun voorvaderen

Ik ben niet rancuneus
Jaloers ben in ook niet,
Heus!
Het is hoe men het ziet

Ik wou er alleen maar even
De aandacht op richten
Want over de adel zijn
Niet zoveel gedichten!

Klik hier voor meer gratis plaatjes

Geschreven door Dora om 15:04 Reageer op dit bericht

grafbloemen

Een gedicht van Helene Swarht 1859-1941

Grafbloemen

Maagdepalm en rozemarijn
Tooien het graf van een maagdelijn.

Maar uit het graf van een bloeiende vrouw,
Rijzen drie rozen in bloedige rouw,

Rijzen drie rozen als bloed zo rood:
Twee uit haar boezem en éen uit haar schoot.

't Graf van een moeder, op stengelen slank,
Wiegelt drie leeljen als engelen blank,

Wiegelt drie leeljen als bloemen van melk;
Vlindertjes drinken uit elleke kelk.

Maar uit de stille gewijde grond
Waar een dichter zijn laatste wijkplaats vond,
Rijzen de bloemen zo menigerlei
Dat geen mij nog alle haar namen zei.

Uit zijn ogen het blauw van vergeet-mij-niet,
Dat in hemele-heimwee ten hemel ziet;
Uit zijn lippen een meidoorn in rozepracht,
Waar een nachtegaal jubelt zijn dromenklacht,
Uit zijn boezem een reuzige zonnebloem,
Goud van zijn lied en blond van zijn roem,
Uit zijn armen lianen omhelzend teêr,
Uit de wel van zijn tranen een helder meer,
Waar sneeuwige duiven uit drinken stil.

Dàt is 't graf waar ik 't liefst in verzinken wil.


1896

Geschreven door Dora om 16:54 Reageer op dit bericht

de zee

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

 

De zee, één water van vrijheid

De zee, één water van vrijheid,
Dansend oneindig licht,
De lucht, één ruimte van vrijheid
Zonder gewicht
Zij spelen de een met de âar,
Vrijhede‘ ontmoetend elkaar.

Geschreven door Dora om 17:29 Reageer op dit bericht

engel

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort

AAN MIJN ENGEL

O huis, dat ik ten leste heb gevonden,
Dat ik zo lange jaren heb gezocht,
Dat gij met liefde hebt gewrocht
En waar ik ben genezen van mijn wonden.

Met welk een smaak hebt gij dit al vermocht?
Gij hebt de schoonheid met het nut verbonden,
Het leed, dat ons van jaar tot jaar bezocht,
Is thans in deze rust geheel verzwonden.

Het huis is hoog gelegen in de Veluwe,
Wanneer zie ik uw bossen, heide, landen,
Zoals ik vroeger zag daarginds de Betuwe?

Nu hebt gij wat gij van mij hebt gevraagd
En kus ik steeds vol dank de kleine handen,
Waarmede gij mij zó lang hebt geschraagd.

Uit de bundel: Rijmproeven (1937)

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

eersteling

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Eersteling

Klein handje klopt in diepe nacht
Aan 't venster zacht,
Aan 't venster zacht,
Vraagt: ‘Mag ik binnenkomen?’
Legt bei zijn vleugeltjes buiten af,
En heeft het plaatsje dat men hem gaf
Gauw ingenomen.

Moe zwervertje - na reize - ligt
Met ogen dicht,
Met ogen dicht
In vaste slaap gevangen,
Maar, glanzend door de nêer oogelêen,
Vloeit hemellicht, dat daarin scheen
Vóór 't reisaanvangen.

Als een jong vogeltje sâamgekroeld,
Warmpjes omwoeld,
Warmpjes omwoeld
Door sneeuwrein, roosfijn linnen,
De knietjes hoog en de vuistjes toe
Droomt het, en laat aardlevengedoe
Rustig beginnen.

Over moedertjes mat gelaat
Een weerglans gaat,
Een weerglans gaat
Van kindjes vredig dromen;
Hij ziet nog een strookje hemel daarin,
Zij voelt van zoete hemel 't begin
Over zich komen.

De stille nachtekamer is
- Geheimenis,
Geheimenis
Van levens teer ontglimmen -
Als een bedecel vol heilgenschijn,
Waar ranke lichtenglen vleugelfijn
In nederklimmen.

De huisgenoten als verdwaasd
Komen verbaasd,
Zoetjes verbaasd,
Al voetentippend binnen;
Kijken 't gekomene kindje aan,
Voelen iets teders bloeien gaan
In 't harte-binnen.

't Reine en tedere ontbloeit in 't gemoed,
Als kwam 't met spoed,
Met blijde spoed
't Kindje tegen gevlogen,
Gelijk een groet van de Meie zoet
In groene weiden opengaan doet
Blij bloemenogen.

Zachtjes, zachtjes, zachtjes aan
De engelen gaan,
De engelen gaan,
Dit klein kindje geleiden
Op de weg naar zijn aards tehuis.
Kind en moeder naar 't vleuglengeruis
Luisteren beiden.

De vader is 't nog als in droom:
Na wilde stroom,
Stormende stroom
Van wee, windstilte en suizen
Van harmonieën, nooit eer verstaan ...
Hij vindt geen woorden; tòch in hem gaan
Lofliedren ruizen.

Telkens keren zijn ogen weer,
Heel teder weer,
Heel teder weer
Tot haar, die rust na 't lijen.
- Kan daar mysterie lieflijker zijn
Dan het ontluiken van bloemkelkrein
Moederverblijen?

Inniglijk neemt hij haar handen saam,
Fluistert haar naam,
Haar nieuwe naam:
‘Moeder!’ En nader, al nader,
Neigt hij zijn hoofd tot het hare. - Têerst,
Wijdend zijn leven, aadmen voor 't eerst
Haar lippen: ‘Vader.’

Zegenszon is hun opgegaan!
Dat heeft gedaan,
Dat heeft gedaan
Klein handjes licht bewegen.
Is 't niet of 't leventje aan 't hart hun gelegd
Met ernstig' zachtbiddende oogjes zegt:
‘Zegen om zegen?’

't Is of zij wijlen hand in hand
In heilig land,
In heilig land,
Begunstigde uitverkoornen!
Zij dragen 't kindbloempje en houden 't hoog,
Dat zonne kussen en koestren moog
Lief Eerstgeboorne.

En in hen zelf met heilge gloed
Nu bloeien doet,
Nu bloeien doet
Liefde-Gebenedijde
Een hoog verlangen, sterk en rein
Om 't aanvertrouwde waard te zijn
Ten allen tijde.

Stilte is om beiden. Morgen lacht,
En schaduwzacht
Slipt weg de nacht.
Zij hebben hem geborgen,
In 't veiligst plekje van hun gemoed
Die heil'ge Nacht met zijn zonnegroet
Schoner dan Morgen!


1895

 

Geschreven door Dora om 16:49 Reageer op dit bericht

lente

Een hartenkreet van Harry Daudt

Lentekriebels

Er is
een onrust,een beven
in het water
ontembare onrust

Er wordt
gefladderd,geflaneerd
buigingen gemaakt
en dansen

Mannetjes en vrouwtjes
zoeken en bieden kansen
'de ware' te worden
'de ware'te zijn

Ze zwemmen
dadelijk in lijn
want zwemmen...
staat voor overleven.

Geschreven door Dora om 19:16 1 reactie Reageer op dit bericht

toren

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940 toen en nu er is weinig verschil.

Toren van Babel

Ik zat op school en kreeg weer te horen
Dat de toren van Babel
als een ton
in duigen had moeten vallen
omdat de menselijke ziel
van de ene hoogmoed in de andere viel
‘en hoogmoed komt voor de val—’;
zij had haar grenzen niet willen bewaren,
zij had niet kunnen verkroppen
dat de toppen des heuvels onbereikbaar waren,
zij had Gods scheppingsmacht willen evenaren
en wat niet al!

Illustratie: Pieter Brueghel de oude (1520-1569) De toren van Babel

Geschreven door Dora om 18:41 Reageer op dit bericht

bekentenis

Een gedicht van C.S Adama-Scheltema 1877-1924

Bekentenis

Wij zijn ijdele mensen,
Verward in ijdele strijd -
Wij rekenen met wensen
En nooit met een werkelijkheid.

Doch in elk eerlijk leven
Komt toch een ogenblik,
Waarin wij ons overgeven
Aan ons eigen stille ik;

Waarin wij de waarheid kennen
En haar niet meer ontvliên -
En zwijgende bekennen
Wat wij nooit wilden zien.

Uit de bundel: Uit stilte en strijd

 

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht

littekens

Een hartenkreet van Klarien van Elburg-van der Linden en als je het leest dan is het er weer. Want ook een litteken doet soms erg pijn als iemand er in schopt met venijn!

Littekens.

Zij striemden met hun woorden,
de wond doet soms nog pijn.
'k Probeer het te vergeven,
vergeten blijkt nog moeilijker te zijn.

Zij striemden door te zwijgen,
een klankbord zo gemist.
'k Probeer het te vergeven,
Ik wou dat ik het niet meer wist.

Zij striemden in onwetendheid,
een oordeel snel geveld.
'k Probeer het te vergeven.
Vergeten, komt dat wel?

Want wonden worden wondjes.
Het is de tijd misschien.
Een wondje wordt een litteken
al blijf je dat altijd zien.

Klik hier voor meer gratis plaatjes

Geschreven door Dora om 14:52 Reageer op dit bericht

visioen

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1904

VISIOEN

't Strand loopt onder water, langzaam onder...
Links het duin: er langs een rose rand
Rul doortrappeld, ondoorwaadbaar zand:
Rechts de zee: een altijd ruisend wonder.

En als eens Joannes, de verkonder
Jesu Christi, zie 'k een muur, een wand,
Opgebouwd door 's krijgsmans stalen hand,
Onder roff'len en kanongedonder.

Wees nabij mij, Gij, die storm gebieden
En kunt stillen, 't scherp van 't zwaard niet vreest...
Plots een licht... Wat zou die glans bedieden ?...

Over 't water wandelt weer een geest:
En ik zie de golven westwaarts vlieden,
Als voor 't oog des temmers 't wilde beest.

Geschreven door Dora om 19:39 Reageer op dit bericht

lentestoet

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

LENTESTOET

In wijde wonderhallen van het woud
Hoor 'k hel-op tuiten klinkende muziek.
Nu buigen blad en bloesem naar beneên
Om háár te spreiden luchte baldakijn,
Haar, die aan 't hoofd van 't zuiver-spelend koor
Ten bos in schrijdt, de lentekoningin.
Zij streelt het sterrenmos met lichte tred,
En tovert met haar ogen teed're glans
Op 't schuchter-wuivend lichtgroen blaadrenvolk,
En koost met zachte handen al wat sproot
Om 't woud te tooien bij haar ommegang.

Nu speelt blij-op de zilvermond'ge fluit,
En deunt de gallemvolle veldschalmei,
De citerzang vervult de zoele lucht,
Het luitgesuis zweeft zacht op zachte wind,
En 't klare zingen van de nimfenrei
Stijgt hoog op boven 't dommen van de trom;
Cimbaal en vedel voegen zich de zang
En luide zwelt de galm der bosmuziek,
Want voog'len mengen zich der nimfkapel,
En schallen wildzang in het wijde rond.
Maar achter 't vreugdig spelen treedt zij aan,
Festoen-omhuld, in gouden pracht van haar,
Dat in een glanscascade nederrilt
Langs rug en schouders; en op 't schone hoofd
Blinkt vonkeldiadeem van dauwbesprenkt,
Door zon tot vuur geslagen bloemcnpraal.
Zij glimlacht blijde in 't bloeien om haar heen,
In kalme gratie schrijdt zij langzaam voort,
Geurwaad'mig, licht omspeeld door vlinderschaar,
En plotseling doorflitst een hel-wit licht
Als bliksemvonk het trillend-jonge woud,
Wanneer de zon haar jong-blank lichaam treft,
En dart'lend neerschampt langs haar naakte pracht.

Uit de bundel: Groepen en Contouren

Geschreven door Dora om 16:13 Reageer op dit bericht

verlaten

Een hartenkreet van Fedde Nicolai

Verlaat mij niet

Verlaat mij niet Heer, in mijn ouderdom
Wanneer ik mensen om mij heen niet meer ken
En ik zelf misschien niet meer weet wie ik ben
Als ik niet meer zal vragen naar het “waarom”.

Verlaat mij niet, als mijn laatste stonde slaat
En het duister om mij heen zal slaan
Als het met dit aardse leven is gedaan
O Heer, wees dan ook mijn rots en toeverlaat.

Ik mag geloven, U begeeft en verlaat mij nooit
Wat mij ook in dit leven zal wedervaren
U Heer, zult mij in eeuwigheid bewaren
Wanneer ooit mijn werk op aarde is voltooid.

Ik dank U voor Uw liefde aan mij gegeven
U zorgt elke dag als een vader voor mij
U Heer, maakt mijn leven vrij en blij
Dat ik dit steeds maar weer mag beleven.

Geschreven door Dora om 16:41 Reageer op dit bericht

deuntje

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

Morgendeuntje

't Daget over dorp en land,
heel het oosten laait en brandt,
de bedauwde weiden domen,
wolkskens hangen in de bomen,
wolkskens vlieden langs de vliet,
ieder bladje een dauwdrop giet.

Zingend door de blauwe lucht,
neemt de leeuwerik hoge vlucht,
op de daken dieft de musse,
vogels zingen onder 't wied:
't zingt al wat men hoort en ziet.

Over 't lachend groene veld
't rinkelend klinkend kloksken schelt,
't werkvolk met der zonne wakker
spreidt al over hof en akker.
't Werk begint met bede en lied,
't wordt al leven dat men ziet.

Uit de bundel: uit: Rond den Heerd (1877)

 

 

Geschreven door Dora om 17:17 Reageer op dit bericht

het leven

Een dichterlijke overdenking van Toon Tellegen

Het leven

Ik kijk naar mijn leven:
het wordt kleiner

ik houd mijn ogen er vlakbij:
ik kan al niet meer onderscheiden
tussen goed en onwaarschijnlijk, tussen zien en ontwijken
tussen mij en iedereen...

wat zeg ik nu weer...

mijn leven groeit, woekert, grijpt om zich heen
en ik kan alles onderscheiden:
onraad, wansmaak en zelfs de kleinste wangedachten

ik doe mijn ogen dicht

-------------------------------
uit: 'Hemels en vergeefs', 2008

 

Geschreven door Dora om 13:20 Reageer op dit bericht

lezen

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Aan Oscar Wilde

Reading: schrei niet, hier is het wreed gebouw
Waar een dichter in de tredmolen liep,
Dorst leed, honger, op een plankenbed sliep
Teedre handen stuk trok aan 't geteerd touw.

In een tredmolen: loop, dat niet de grond
Uw voeten breekt, die onder uw voet wijkt;
Kramp vast uw handen, als uw kracht bezwijkt
Slaan wentlende treden uw voeten wond.

Honger en dorst, altijd de strenge cel
Enge beklemming om uw hijgen heen,
Muur noch deur wijkt voor uw gesmoord geween
En waanzin wenkt naar zijn glimlachend spel.

Wat is hier hemel? Achter 't matte raam
Een grauwe plek, eender of de zon straalt
In lente, in zomer, één of 't najaar vaalt.
Wat is hier dag? Verneedring zonder naam.

Geschreven door Dora om 12:36 Reageer op dit bericht

avond

Een hartenkreet van Fedde Nicolai

Aan de avond van deze mooie dag
Wil ik U danken, Heer, voor het goede
Dat U mij deze dag weer hebt gegeven
Blij dat ik U hiervoor danken mag.

Eens aan de avond van mijn leven
Als ik misschien niet veel meer weet
De mensen om mij heen niet meer ken
O Heer, wilt U mij dan niet begeven?

Aan de avond van mijn aardse leven
Als ik oud geworden ben, zwak en moe
Mij niet meer goed kan voortbewegen
Wilt U mij Heer, dan bijstand geven?

En als eens mijn laatste avond is gekomen
En er een einde komt aan mijn bestaan
Wanneer en hoe dit zal zijn, weet U alleen
Heer, geef dan dat ik bij U thuis mag komen.

Geschreven door Dora om 18:50 Reageer op dit bericht

staf

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

De Herdersstaf

Ik was nog blond en jong van jaren
toen ik een sterke rechte tak
zag wuiven met zijn vlag van blaren
en tot hem opklom en hem brak.

Ik boog mij zingend tot hem over,
die kloeke telg van de oude es,
en ras verloor hij schors en lover
onder het knarsen van mijn mes.

Dan heb ik half in droom gesproken:
"Ook mij, Heer, bid ik breek mij af,
en ben ik uit Uw kroon gebroken,
snijd mij ook tot zo'n schone staf."

Doch nauwlijks had ik dit gebeden,
of plotsling merk ik aan mijn hart
het vlijmend wee van snee bij snede,
diep kervend, want dit staal trof hard.

Ik beidde 't eind de pijn bleef duren,
terwijl ik wachtte, werd ik oud,
ja al die zware langzame uren
had ik Gods handgreep om mijn hout.

Ook nu nog, maar wie klaagde of morde,
niet ik, die't lijden alles gaf,
want onder 't werk, zie ik hem worden
de slanke gave herdersstaf.

Geschreven door Dora om 17:56 Reageer op dit bericht

natuur

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

NATURA CONSOLATRIX.

Hier rust ik ver van 't woelig mensenras
In macht'ge zuilengangen van het woud,
Met dak van wiss'lend groen, doorwrocht met goud,
Hier op het mollig, mosrijk lentegras.

Hier is geen mensgeknoei, geen misgewas
Van zwetsers, op gelogen kennis stout,
Geen huich'laars, die der waarheid zuiver goud
Besmetten voor wat hùn tot voordeel was.

Hier rust ik uit; hier ben ik gans alleen.
Niets hoor ik dan der vogelen gezang
En 't windgefluister in de hoge bomen.

Geen stemmen meer van mensen om mij heen,
Geen strijd om 's levens goed, geen wild gedrang,
Maar lentelust en liefelijke dromen.

Geschreven door Dora om 13:00 Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Herinneringen zingen, kind

Herinneringen zingen, kind, uw wit gelaat,
en 't zoet verhaal van úwe dagen en míjne dagen
die vredig in ons leve' als stille tuinen lagen
in 't tere licht van late schemering gebaad,
wijl d'hemel is om tuine-groen een stil gewaad
van trage, kalme schaaûwen, en de bomen dragen
een laatste vogel-stem van lang-verglooiënd klagen
dat kwijnt en were wast en were kwijnen gaat...

Thans, o mijn kind, en leeft geen lied om ons, en leven
geen vrede-dage' als stille tuinen om ons heen;
geen scheemring bleef om ons veréende droom geweven,
en dróeve schaaûwen schuive' om ons gescheíden leên...

En in de nacht zie 'k, laatste troost, alleen nog beven
de matheid van uw wit gelaat, in stil geween.

Uit de bundel: Het vaderhuis- Verzen eener liefde (1903)

Geschreven door Dora om 16:49 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten