mensen


Een hartenkreet George Knottnerus...het is kort maar krachtig! Schrijven is op zich prachtig...
Mensen schrijven
Mensen schrijven
Liever
Dan dat ze lezen
mensen

Een hartenkreet George Knottnerus...het is kort maar krachtig! Schrijven is op zich prachtig...
Mensen schrijven
Liever
Dan dat ze lezen
weg

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941
Indien gij weet wat leven is en lijden,
en welk een zee van weedom in een traan ligt,
laat mij die holle weg in ’t woud vermijden,
verg niet, dat ik mijn schreden naar die laan richt!
Daar sluipen schimmen rond van vroeger tijden,
een geestenheir, doodsbleek in ’t zilvren maanlicht.
O laat geen lach die stille plek ontwijden,
geen ruwe spot, waarvoor de zoete waan zwicht.
Zacht zingt de wind een lied van eeuwig scheiden
en, voor mijn voeten, dwarrelt van de takken
-een gouden regen-geel en rossig lover.
Vrij moge ’t bos een nieuwe lente beiden!
De bladren, die in ’t slijk der wegen zakken,
zijn dood, voor eeuwig. Dan, wie treurt daarover?
Uit de bundel: Blauwe bloemen (1884)
tijd

Een kort gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924
De Tijd kan de Eeuwigheid niet overwinnen.
Maar kan de Eeuwigheid één Ogenblik overslaan?
Laat dan gerust uw Ziel en uwe Zinnen
Op de stroom van de Vreugde vergaan.
Uit de bundel: Kwatrijnen (1924)
herfst

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925
De vensters langs en straf
over de ruit; gekneusd, gedeukt,
geplet, geplakt, gekreukt
en vaal en grauw van kleur,
een eenzang en een zeur.
O het omslachtig wezen
deze sleur,
mijn ziel verzinkt in ongenezen
verveling
En dan in eens staat overeind
de koestering, de vreugde:
blij, treurig, om het even,
dat ik dit mag beleven,
dat ik dit rijk gebeur
bespeur,
dat deze ogen
zo in de verte zien mogen,
gezonken ik
dit ogenblik
weer in zweven
opgeheven,
als dit blad, dit verbleekte
en natgeweekte.
Uit de bundel: Nagelaten verzen
levensakker

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922
Wij zaaiden wat wij vinden,
En eenmaal zien wij bloei;
Maar die de schoof laat binden,
Gaf 't zaad en gaf 't zijn groei,-
En schiep, eer zon of regen
De kiem nog had gekust,
Als dubb'le wet van zegen
De arbeid en zijn lust.
Uit de bundel: Levensavond, gedichten.
beker

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831
Laat smaragden en saffieren
's Levens brozen beker sieren;
Laat robijn en diamant
Schittren om zijn gouden rand;
Laat hem roos en anemonen
Met het geurigst kransje kronen;
Laat de tintelende wijn
Gloeien door zijn kristallijn;
Laat hij tot de boord geschonken,
Vrolijk schuimen, dartel vonken,
En verlokken oog en hart;
Laat hij met zijne eerste teugen
't Onbedreven hart verheugen;
Ach, wat geeft hij toch dan smart!
Duizend die hem vrolijk grijpen,
Maar met harde vingers nijpen,
Breekt en barst hij in de hand;
Dan beklagen zich de droeven,
Dat zij 't vocht nog nauwlijks proeven
Of de zoetheid ligt in 't zand.
Andren netten pas de lippen,
Of zij laten hem ontglippen,
En zij doen dezelfde klacht.
Andren, die er groots mee pralen
Laten 't nat er in verschalen,
En verliezen geur en kracht.
Andren zwelgen! Maar met horten,
En zij plengen, druipen, storten,
En verkwisten 't kostbre vocht,
O, hoe zeldzaam, die terdege
's Levens volle beker legen,
Die hem wel genieten mocht!
Doch men grijp hem wel en handig.
Hou hem vast, en drink hem leeg,
Ernstig, matig, en verstandig!
Ach, wat is het, dat men kreeg?
De eerste mondvol mag dan smaken,
En de dorst ons gaande maken
Door een soort van prikklend zoet;
't Week verhemelt' zachtjes strelen;
Lieflijk door de gorgel spelen;
En doen maag en hersens goed.
Maar hoe zoet het eerst moog schijnen,
Al die wellust gaat verdwijnen;
Al wat smaakte gaat er af;
Ieder teug valt immer banger;
En de nasmaak wordt steeds wranger;
Ja, het laatst is enkel draf.
Neen, men moog om krans of bloemen
Of om uiterlijke praal
Mij die schone beker roemen ;
Ik, ik dronk hem, die pokaal!
Ik, ik weet, wat wrede zorgen
In die wellust zijn verborgen
Die zijn eerste teug ons geeft!
'k Heb in maag en ingewanden
't Zuur vol scherpte voelen branden,
Hetgeen zijn zoetheid in zich heeft!
'k Ken de naweên van die teugen,
Die een ogenblik verheugen;
'k Heb hun nasmaak in de mond:
En mocht me iemand, in dit lijden,
Van de laatste drop bevrijden,
O, dat waar een blijde stond!
weekend
Een hartenkreet van Karin Poot! Met het lezen dacht ik wat een leed! Ik voel wat het moet zijn, elke keer dat vreselijk refrein. Een refrein van een mislukt huwelijksleven. Hiervan wordt een mens nimmermeer ontheven. Want altijd zullen de kinderen een vader en moeder willen aankleven. Daarom is het een gegeven dat men als ouder in moeilijke situaties meer om de kinderen moeten geven dan om zichzelf. Water bij de wijn en het gezin draait op den duur weer fijn. Verliefheid gaat over...maar liefde duurt een heel leven en daarin zit een zegen...voor ieders wegen!
Daar ben je weer
Je komt de kinderen halen
De spanning snijdend
Je blik als ijs
Pijn in mijn buik, stekend hart
En haar zie ik in de auto, sms’end balen
Mompelende verplichtingen
Bijzonderheden, niets oké en dag
Mijn keel zit dicht
Mijn ogen ontwijken
En de kinderen, die lopen naar de auto
Zwaaien en een lach
Dan de stilte..
Even zitten op de bank
Altijd die terugblik
Het bekende gevoel, de angst
Daar zijn de tranen, zoals verwacht
Ik sta op en doe de was
Daar ben je weer
Je komt de kinderen brengen
Rug recht, sterke blik
Ging het goed, oké en dag
En de kinderen, ik sluit ze in mijn armen
Met een treurige lach…..
gestorven

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914
Eerste wake.
Laat mij alleen,
Verstoor de stilte niet;
Ik kan uw woorden,
Kan uw troost niet horen!
Als holle klanken kloppen zij me in de oren;
Als klanken tergend luid. - 'k Wil met mijn groot verdriet.
Dat niemand kan verstaan als ik, alleen zijn... 'k Heb
Zó veel verloren!
Niemand die weet
Wat zij mij is geweest.
Midden in smarten,
In haar nacht van pijnen,
In doodnachture liet zij voor mij schijnen
Haar liefde en haar berusting, wat mij 't meest
Kon steunen als zij ging - waar ik niet gaan mocht! - meest
Lichtend nàschijnen.
'k Wil enkel haar!
Gun mij toch deze stond
Van gans alleen zijn,
Gans met hàar te zamen!
Harddruisend gaat het leven langs mijn ramen;
Hier is de lucht van haar, van woorden uit haar mond,
Van zonnelichtjes uit haar ogen vol.... Ik wil
Ze alle verzâmen!
Uit de bundel: De Gids, jaargang 1893
Diewertje

Een gedicht van Gerbrand Bredero 1585-1618
Dieuwer is verliefd (bij get)
Op zulk een reine vrijer:
Maar ze heeft er niet eens op gelet,
Hoe krom dat hij zijn benen zet,
Gelijk een kreup’le snijer.
Want als ze naar z’n aanzicht ziet,
Zij kan d'r niet uitkomen;
Zij weet dan van zichzelve niet.
Zij staat, wanneer haar dat geschiedt,
Al waar zij opgenomen.
Maar, Dieuwertje, je hebt jouw reden,
Die jou daartoe aandrijven,
Je kijkt naar zijn volmaakte leden,
Die ik van boven tot beneden
Naar ’t leven zal beschrijven.
Z’n haar dat is als zilver grijs,
Z’n aanzicht daar beneven
Dat is zo rond (wind-honds gewijs):
Is ‘t dat ik ‘t niet genoeg aanprijs,
Dat moet je mij vergeven.
Z’n voorhoofd is gebult zeer hoog,
Geen schilder zou ’t zo maken!
Daarbij heeft hij een linkeroog,
Dat is heel leep en zelden droog,
Omboord met rood scharlaken.
Daartoe heeft hij een grote neus
Vol paarlen en robijnen,
Op de manier van Heintje Peus.
Van kleur is die heel glorieus,
Meest in 't karmozijne.
Z’n kneveltjes staan hem zo schots,
Steil boven z’n prop’re mondje,
Die hij eerst stijfde met wat snots;
Nou kijkt hij door de haartjes, trots,
Net als een IJslands hondje.
Z’n lippen zijn vooral niet zwak
En zijn trompetterswangen,
Die staan zo stijf, zo straf, zo strak,
Men zou met zo een bullebak
Wel jonge duivels vangen.
Z’n kinnetje is zo welgedaan,
En was het niet vol puisten,
Men zou er kootjes van afslaan.
Maar is er iemand mee begaan,
Die sla ze plat met vuisten.
Het onze Dieuwer dan geen recht,
Dat zij legt al haar zinnen
Op deze prachtig mooie knecht?
Ik bid je (vrienden), dat je ‘t zegt,
Wie zou hem niet beminnen?
Want (zie) hij heeft maar één gebrek
Aan al z’n lijf en leden;
Wat meer is, ’t is een hoddebek,
Een lompe loer, een grote gek,
Van boven tot beneden.
Maar Dieuwer die is wijs en vroed,
Niet vleselijk of beestig,
Zij lieft z’n vlees niet of z’n bloed,
Maar z’is genegen tot z’n goed,
Bemint ze ’m dan niet geestig?
-------------------------------
bij get - volkse vloek
opgenomen - in extase
Heintje Puis - de duivel
karmozijne - karmijnrode
kootjes afslaan - kinderspel
recht hebben - gelijk hebben
hoddebek - blaaskaak
vroed - verstandig
goed - goederen, bezit
pessimist

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903 en al zijn ze oud ze doen het nog goed, steeds!
Als `t regent, daar de zon bij schijnt,
Ziet gij alleen de regen ;
Ik vestig op de zon mijn oog
En op die lieve regenboog,
En lach hem hoopvol tegen.
-Goed ! Maar intussen wordt gij nat.
O ja, dat was te duchten,
Zo ik mijn regenscherm niet had,
Dat 'k altijd meeneem op mijn pad,
Bij 't zien van donkre luchten.
-Maar als uw regenboog verdwijnt,
De regen door blijft stromen;
Als giet- op gietbui nederstort,
Uw scherm ten laatste nutloos wordt...
'k Zoek dan een onderkomen.
Ik schuil, maar pruil niet, beste vrind !
En mijd de lui die pruilen.
De felste bui houdt eenmaal op ;
Maar van de regen in de drop
Kwam, die bij U kwam schuilen.
adel
Een gedicht van A van Eesteren Toen ik het las dacht ik, het klopt en het klopt niet! De ware Adel heeft moet zwoegen niet voor eigen genoegen maar voor Zijn schapen. En zijn navolgers moeten even hard zwoegen...dus het is maar hoe je het bekijkt...of je door gewoon of geestelijk geld bent verrijkt.
Arbeid adelt
Werd mij vroeger verteld
Maar de adel arbeidt niet
Zij hebben het oude geld
Blauw bloed
Stroomt door de aderen
Zij hebben het goed
Dankzij hun voorvaderen
Ik ben niet rancuneus
Jaloers ben in ook niet,
Heus!
Het is hoe men het ziet
Ik wou er alleen maar even
De aandacht op richten
Want over de adel zijn
Niet zoveel gedichten
volkeren

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933
Volkeren des kruins, de komende,
De straks geboren wordende, hoort hij.
Ik wil, zegt hij, en bij de adem van
Zijn mond, verschuift de atmosfeer,
En maakt een jaagpad open voor zijn woord.
Ik wil ontvangen van de nacht en schemer,
En van de gouden ochtend het geheim,
Ik wil het nog niet zichtbare doorzien,
Ik wil doordringen dit oneindige,
Altijd wijkende, en fluisterende
Hoog mysteriespel, dat Leven heet.
Dronken van kracht neem ik de nieuwe dag,
Waarop de goudbevachte wolken drijven,
Neem ik de schubbig rinkelende zee,
Neem ik de ronde aarde met mijn handen,
Buig haar tot schip, te varen in het ruim,
Bij het gejuich der vanenrijke sterren.
Helpe mij broeders, want de zee is machtig,
En het licht klimt nog niet aan de einder,
En de woeste elementen dreigen.
U te maken heerlijker dan ooit
Goudbesponnen bloeiend rijke aarde,
Eindloos blauw heelal, grijp ik U aan.
Uit de bundel: god, Em. Querido, Amsterdam.
slachtoffer

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908
Een 'hoofd der school' stortte in het water
En wilde een noodkreet slaken ook,
Maar was in twijfel, wàt te roepen,
Terwijl hij al meer onderdook.
Zou 't 'Help!' zijn? Of, was 't meer taalkundig,
Te roepen 'Hulp!'? - Een moeilijk iets.
En midd'lerwijl verdronk de meester;
Want door die twijfel riep hij niets.
gedichten
Ik las hier of daar wat en ineens heb ik de schrijverij opgepakt.. het geestelijk in beweging zijn dat is soms heel fijn!
Gedichten
Gedichten uit het hart
Soms zie je de smart
Soms word je er door verrast
Soms word je ergens op vergast
Dan is die of die een leuke gast
Men heeft het begrepen waar het over ging
Dan kan het wel zijn dat je hele hart even zingt
Maar is er een intense kritiek
Dan ben je een momentje ziek
En je gaat die gast verrassen
Dan ga je even dichterlijk gassen
Terwijl je de piepers moest jassen
Maar de pieper blijft even in z’n jas
Tot je die nare gast hebt verrast
Oh…wat is schrijven leuk!
Soms heb je ineens jeuk
Aan je digitale pen of toetsenbord
Maak het niet te lang en houd het kort
Want niet iedereen is er van gediend
Dat je zulke lange epistels schrijf
Maar ja, soms is dat buiten kijf
Als je een schrijvend wezen bent
Och…je hebt dan uiteindelijk jezelf verwend
Je zoekt dan nog even een mooie bloem
Die moet hier de rest doen...
doodbed

Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1875.
Aangrijpend...hier in dit gedicht kun je lezen dat berouw altijd na de zonde komt. Men moet zorgen dat men dat zoveel mogelijk voorkomt. Want het gewetensuur is een zwaar uur of misschien wel een leven lang en het goedmaken dat is er niet meer na de dood.
Hij stond voor haar gebogen,
Zichzelve nauw bewust;
Hij stond haar aan te staren:
Daar lag zij in eeuwige rust.
Het waslicht beeft en wemelt
Op 't levenloos gezicht,
De zaal is groot en somber,
"Is zij het, die daar ligt?"
Wat denkt die diepbedroefde,
Daar bij het dodenbed?
- Hij denkt aan kleine vreugden,
Die hij haar heeft belet.
Hij denkt aan haar goedheid,
Aan menig gruwzaam woord,
Hem soms in toorn ontschoten,
Door haar alleen gehoord.
Hij hief het oog ten hemel,
En sloeg de handen saam,
Als om vergeving smekend,
En fluistert hare naam.
Hij wil het hoofd afwenden,
En kan niet henen gaan:
"Och, opende ze eenmaal hare ogen,
Och, zag ze mij nog eens aan!"
Vergeefs! Gij krijgt geen antwoord,
In al uw wilde smart,
Geen blik dier gesloten ogen,
Geen klopping van dat hart.
Zijn droefheid steeg ten toppunt,
Hij weende en snikte luid,
En sloeg de hand aan 't voorhoofd,
En ijlde ter kamer uit.
En zij, die 't bespieden, zeiden:
'Wat heeft hij haar toch bemind;
Hij stond als verpletterd bij 't sterfbed,
En hij weende gelijk een kind!'
gevangen

Een hartenkreet van De Hertog. Een gevangene heeft maar één verlangen en dat is onbevangen de vrijheid te kunnen betreden. Het lijkt allemaal wel een ver verleden...
Achter een brede lach
van stralend witte tanden,
zo'n twee vragen verwijderd
van de traan van verdriet
verstopt zij zich slaafs,
niemand die het ziet.
Thuis in haar sloppenwijk
overleeft zij haar leven
in eenzaamheid,
houdt star en ingeperkt
vast aan haar geloof
Ze heeft niets anders
en weet niet beter
zij zijn met zo velen
in bittere armoe.
"Haal die koe eens van de straat!",
maar hun overheid blijft
toch nog steeds Oost-Indisch doof??
bijbel

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889
Als de Bijbel wordt gelezen
In het christlijk huisgezin,
Poost de zorge van haar vrezen,
Houdt de scherts haar lachjes in.
Vader voelt zijn diere plichten,
Moeder sterkt zich in gebeên,
En Gods liefdestralen lichten
Over 't hoofd der kindren heen!
Al het goede, in 't harte slapend,
Waakt en wordt op nieuw gewijd;
Oud en jong voelt zich gewapend
Voor des Levens heilige strijd.
Droef zou 's Levens echo wezen,
Klonk er niets dan 's Mensen woord:
Waar de Bijbel wordt gelezen,
Wordt des Heren stem gehoord!
Uit de bundel: Stichtelijk huisboek
vriendschap

Een gedicht van Katelijn Vijncke
Het water rimpelt wrikkeloos
doorheen de tijd.
Hoe dieper je luistert,
hoe meer je ziet.
Zuiver water kent geen bodem
en er tintelt altijd
iets aan de oppervlakte.
Het is de stilte zelf,
terwijl het voortdurend borrelt.
’t Is fijn en kwetsbaar
als kristal wanneer twee mensen
op dezelfde golf zitten.
-------------------------------
uit: 'Broze werkelijkheid', 2003
najaar

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
Najaarsochtend. Wijd en wijder
Wijkt de hemel zilverblauw;
Om de morgen blijde glijdt er
Door 't nog scheem'rig bos-gebouw,
Waar de zon met lichte stijlen
Straks de stammen schoren zal,
Vogelkwinklen over 't ijle
Lover schijnend als kristal.
Op de heide drijft een herder
Langs het vochtig morgenspoor
Vroeg-vergaarde kudde verder
In des ochtends gouden gloor;
Tot hij voor de bleke schijn der
Westerkimme in 't bos verdwijnt
En opnieuw de ledige einder
Eindlozer dan eindloos schijnt.
Uit de bundel: Jeugd
specifiek
Een gedicht in het teken van de herfst...
Specifiek
Is dat ene
Dat ene nu specifiek?
Je leest, je leest…
Je ruikt hier en daar muziek
De muziek van de herfst
In de herfst is er iets dat sterft
Om de oude mens uit te doen
En het nieuwe aan te doen
Wat een geluk
Het brengt me van me stuk
Dat door het sterven heen
Ook al gaat dat met geween
Er nog is ene nieuwe schrede
Een schrede naar een gekregen bede