geloven


Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925
‘Aan welke god gelooft ge dan toch?’
AAN welke god gelooft ge dan toch?’
Zo vroeg zij op angstige toon.
Aan onze lieve vrouw Venus, mijn kind,
En aan hare zalige zoon.
Vroege gedichten
geloven

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925
AAN welke god gelooft ge dan toch?’
Zo vroeg zij op angstige toon.
Aan onze lieve vrouw Venus, mijn kind,
En aan hare zalige zoon.
Vroege gedichten
sneeuwvlokjes

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932
Sneeuwvlokjes zijgen
rustig neder,
op de daken, op de twijgen,
maken laken en schoon weder.
Ik ging zo geern, heel ver te voete,
wist ik mijn zoete
in sneeuw te ontmoeten.
Het boek der liefde (1921)
luchtspiegeling

Een gedicht van B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis
Een avondtoneeltje
Niets verbrak de zwoele stilte dan het nedersijplend nat
Van de vers gevallen regen;
Alle vogelkoren zwegen
In 't zacht druppelende lover langs ons eenzaam avondpad,
En de lijster schudt haar vlerkjes,
Droogt zich op de dorre rank,
Maar weerhoudt alsnog de tonen
Van haar schelle avonddank.
Helder lichtblaauw kleedt de hemel, met een witte glans vermengd.
Alle wolkjes zijn verdwenen;
't Daglicht heeft haast uitgeschenen;
Alles groent met frisse tinten, straks nog door de zon gezengd.
Mina! Mijd de kleine plasjes,
Die er ruisslen voor uw voet!
Zet wat minder wufte stapjes,
Dan gij wel gemeenlijk doet!
En nu sloegen wij de blikken naar 't doorschijnend wolkazuur.
God! Wat wonder! 't land met schoven,
't Groene bos zien wij daar boven,
Heel het landschap afgespiegeld met zijn kwijnend avondvuur.
Rundren weiden aan de hemel,
En langs zijn verlichte tin
Voert het paard de kar met garven
Rustig de open staldeur in.
En, haar blikken zacht beneveld door een wemelende traan,
Staart zij, in de ziel bewogen,
't Wonder aan van 's Hemels bogen.
"Mocht, dus zegt zij, 't heerlijk schouwspel in geen wolkjen ons ontgaan!
Maar al trekt ook 't aardse landschap
Aan des hemels trans voorbij,
Aarde en hemel smolten samen,
En dit smaakte ik aan uw zij."
Lieve! al wijkt in vorm en verwen de aarde van de hemel af,
Ik zie weer de hemel dalen
En in volle reinheid stralen
In de blauwe, smachtende ogen, die de goede God u gaf.
En wij drukten ons de handen,
En, in zoet gepeins verward,
Voerde 't paadje ons spraakloos verder
Met de hemel in het hart.
Winteravondrood, de Lange, Deventer(1877)
puur

Een hartenkreet van Wauters Kristine
Van haar wordt gezegd : ze kneedt mannen als was.
Haar geheimjes te weten komen, dat ware pas kras.
Niet van lelijksten, toch nooit hoogmoedig, eerder lief
Nooit duur gekleed, wel originele combinaties, creatief.
Emancipatie, dat vindt ze maar niets
Met een wagen reed ze nooit, alles met die fijne fiets.
Mogelijk is ze nog een ' echte ' vrouw.
Ze bestaan nog, maar worden zeldzame pareltjes, ik rouw.
Welke oprechte man, zweeft niet bij zulk een hemels creatuur
Ik meen wel hele velen, wat gaat boven puur?
vogel

Een gedicht van Karel van Woestijne 1878-1929
Wat ben ik, dan een vogel in de schemering?...
Ik ben verliefd, o mijne vrienden, en, wen ik zing,
hoor ik de avond-dauw uit zware beuken leken
en, dof geplets, de rillend-diepe stilte breken;
en - 't is of mijn geluid in mijne kele breekt...
Ben ik bedroefd? - Hoor hoe een nachtegaalke spreekt
mistroostig en gerust, met droeve en staêgen ijver,
gelijk de zang van dwalend-verre schapen-drijver.
De boom-gaard der vogelen en der vruchten (1903-1905)
mens

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936
Ik zie de mens, maar ik begrijp hem niet: –
Hij eet van 't leven al wat lekker smaakt,
En proeft van ál zijn passies: zijn mond raakt
Iedere vrucht, die iedre hand hem biedt.
Hij zoekt in dronkenschap een droom, die vliedt,
In 't leven, – tot hij, moede en koud, ontwaakt,
Naakt en gebroken: op zijn lippen smaakt
Des levens droesem bitter als verdriet.
En dan noemt hij de wijn, die vreugde geeft –
Zijn passie – zonde, en nuchterzijn zijn deugd,
Daar hij zich dwaas dronk in een mooie droom,
En in het leven schijn zocht, die niet leeft.
Hij vleit zich met de erinn'ring zijner vreugd,
Maar durft geen appel proeven zonder schroom.
---------------------------------------------
Mephistopheles Epicureus - symbool voor de mens
met twee contrasterende gevoelswerelden
appel - symbool van kwaad en goed
gebrokenEen gedicht over de gebrokenheid van de samenleving!
Gebroken
De gebroken wereld
De wereld waar onvrede heerst
Een wereld waar het menselijk leed wordt verzwaard
Omdat men bezig is met dingen vanuit de onderaard
Dingen die niet passen in liefdevolle kringen
Maar het meest worden deze mensen omringd
Met een geest die niet zo is welgezind
Het leven verliest glans
En zo heeft men vaak een gemiste kans
Een kans om oprecht in vrede te kunnen wandelen
Maar de mensen misbruiken het goede handelen
En zo moet de liefde vaak in een hel wandelen
Omdat de leugen zo graag ver van de waarheid wil wandelen!
Zo krijgen we een gebroken bestaan
Dat eenieder verdeeld door het leven doet gaan
Leven met vaak heel veel pijn
Al lijkt het voor de buitenwereld een schijn
Een schijn van gelukkig zijn
De medemens is soms het ravijn
Het ravijn van de ander
En zo vergaat menige levenswandel!
ontwaken

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920
't Is me of ik uit een lange droom ontwaakte;
weer slaan mij vreugdevlammen in 't gelaat,
en wat ik ál doorstond, in bittre haat,
gaat op in 't hoogtijdsvuur dat groots ontblaakte.
Hoe lang heb ik gedroomd - wie weet? het staat
geboekt op treurge bladen, - sinds daar kraakte
mijn ganse wezen en het leven staakte
zijn wondergang? - o bron van zoveel kwaad!
Maar 't is nog tijd: weer voel ik 't harte zwellen,
dat als een feestklok luidt, met volle klank,
en 't heerlijk lied van bede én hulde én dank,
uit vrije borst mij naar de lippen wellen,
als 't leven zelf, éénklank van smarte en vreugd,
- diepgolvende uiting van dees wondre jeugd!
Van Nu en Straks. Jaargang 2 (1897)
zegger

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936
Luister: het zeggen van dit vers is zo
Dat het door middel van uw oor uw ziel
Moet aandoen met vreugd en zekerheid:
'Dit is voor mij geschreven'. Want ik weet
Dat alle verzen langs uw oor gaan als
Het ruizen van water of ‘t gedruis
Van bomen in de wind: een vaag geluid
Voor niemand in het bizonder en waaraan
Geen luistraar – ’t zij dan dat zijn eigen hart
Toevallig in een eendre toon beweegt -
Een mededeelbre zin ontraadselt. Maar
Juist zo wens ik dat nu uw hart de toon
Vindt van het mijne, zodat woord voor woord
U schijnt gesproken door uzelf. Want heel
Dit spreken volgt het plooien van uw mond,
Het kloppen van uw polsen, het gebeef
Van ‘t bloed in de aren. Dat ge dit verstaat
Is zeker, want het is uw eigen taal
Uw eigen hartklop en uw eigen oog.
En elk die dit verstaat verstaat elk vers.
maneschijnEen gedicht van B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis
Daar buiten, waar de herder 't vee
Reeds naar de stal geleidt,
Is aan het effen luchtgewelf
Een grauwend kleed verspreid,
Dat alles, wat het land mocht tooien,
Omwikkelt in zijn brede plooien.
En boven trilt op 't bevend blad
Nog 't stervend avondgoud,
Maar 't rijzend maantje strooit zijn glans
Met handenvol door 't hout,
Dat ons de paden, droef en donker,
Beschildert met zijn lichtgeflonker.
Neen! 't Is geen dwarlende avondwind,
Die door de blaadren streeft,
Waardoor, met teder licht bespat,
En tak en lover beeft;
Gewis! 't zijn wreemlende Elvenscharen,
Die door het dicht geboomte waren.
Zij hipplen, tripplen op en neer,
En schommlen in het blad;
Zij dalen langs de stammen af
En dartlen op mijn pad,
Als of ze in mengeling van lichten,
Hun dartle rondedans verrichten.
Ik dool in een betoverd bos,
Waar een onzichtbre hand
Figuren in verscheiden vorm
Schetst op de loverwand;
'k Zie vooglen door de blaadren dwalen,
Hun vederdos van zilver stralen.
Ver achter gindse donkre stam
Zie ik een hinde staan;
Daar schrikt me een zilverblanke slang,
Die schuifelt op mijn paân;
Er zucht een koeltje om mij henen,
En alle vormen zijn uit énen.
Maar eensklaps straalt het weer in 't bos
Op ieder blad en tak,
Als dwaalden duizend sterren neer
Van 't hoge hemelvlak;
'k Sta in een tempel vol van glanzen,
Die aan de donkre wanden dansen.
Zou hier in 't bos 't betoverd slot
Der schone slaapster zijn,
Er sluimrend op het mollig dons
En kussens van satijn,
Daar honderd luchters om haar blaken,
Tot dat zij blijde zal ontwaken?
Kom, nadere ik met zachte tred,
En wat mij 't toeval biedt,
Het kalme schoon der frisse maagd
In sluimering bespied!
Dat boezemrijzen en weer dalen
Stil op de maat van 't ademhalen!
Een zwarte wolk befloerst de maan;
Met ritselend geruis
Stort ijlings het gebouw in één
Met gevelspits en kruis,
En heel 't begoochlend lichtgetover,
Is in zijn wondre flikkring over.
Winteravondrood, De Lange, Deventer(1877)
arbeid adeltEen hartenkreet van A.v.Eesteren. Commentaar of bevinding een bericht lager!
Arbeid adelt
Werd mij vroeger verteld
Maar de adel arbeidt niet
Zij hebben het oude geld
Blauw bloed
Stroomt door de aderen
Zij hebben het goed
Dankzij hun voorvaderen
Ik ben niet rancuneus
Jaloers ben in ook niet,
Heus!
Het is hoe men het ziet
Ik wou er alleen maar even
De aandacht op richten
Want over de adel zijn
Niet zoveel gedichten!
arbeidEen gedicht naar aanleiding van een gelezen gedicht! Het is misschien een gedicht dat sticht!
Arbeid
Ben je van adel?
Dan moet je veel werken
Want waar geld is, daar is werk
Of anders gezegd loon voor je werk
De arbeid kwam van hogere wegen
Zo werd aan de gewone mens werk gegeven
Maar heel veel mensen zijn lui
Die geven aan de arbeid de brui
Hoe armer hoe luier
Want je ziet niet waar je het voor doet
Zo gaat het slecht met het gemoed
Arbeid moet dus adelen
Dan adelt de arbeid
Wie werkt met vlijt
Heeft haast geen tijd!
Tijd voor zichzelf
Je bent altijd aan het werk
Ook al zit je even stil
De aarde ontginnen
Het is eigenlijk niet om aan te beginnen
Maar de aarde daar leven we toch op?
Daar hebben we toch alles gedaan
Zodat we verder met bouwen enz. kunnen gaan!
Nee, de aarde is woest en leeg
Omdat mens graag in luiheid leeft!
schoon

Een gedcht van Guido Gezelle 1830-1899
Hoe schone is Moeders tranenlach,
wanneer het kindje teer
haar zoent en stamelt: “Moeder!” ach,
de aldereerste keer!
Kleengedichtjes (1860)
koeltjeEen gedicht van B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis
In de lentemorgenzwoelte
Streelt me een labberende koelte,
Luwend, stuwend, loddrend stoeiend,
Zachtkens âmend, floddrend vloeiend,
Kussend voorhoofd mij en konen,
Schuddend tengere anemonen,
Die in duizendtallen beven,
Waar zij langs de grond komt zweven,
Voertuig voor der bijen wieken,
Die met haar de honing rieken.
Op haar golving zweeft de vlinder
Langs de bloemen, hier en ginder
Met de bontgekleurde torren;
Overal is 't gonzen snorren
En geluidjes in de blaadjes,
In het luchtruim, langs de paadjes.
Koeltje, dat, met geur beladen,
Ver me uw aantocht wilt verraden,
Zeg mij, waar zijt gij ontsproten?
Waar de nachtegalen floten
In een geurend bed van rozen;
Voor hun morgenplek gekozen,
Om in minnezang te kwijnen?
Was 't een bosje van jasmijnen,
Dat U 't eerste zag ontluiken,
Weemlend woelend uit die struiken,
Om, waar Gij de grond komt raken,
Tijm en marjolein te smaken?
Hoor 'k een geestenstem hier ruisen
In dat lisplend loverbruisen,
Om mij hoger moed te geven,
Mij met zoete lust te omzweven,
Om te smoren diepe zuchten
In een walm van amberluchten?
Iedre zenuw trilt en beeft mij.
Wat omgeeft mij? wat doorzweeft mij?
Ja! een geest is 't, die me omvademt,
Die mij lieflijk tegenademt!
Ik herken U, Englenbode!
In dit koeltje, dierbre Dode!
Winteravondrood. Deventer(1876)
lichaamEen gedicht van Greet Mariën
lichaam
wees lief voor mij
wees bedding voor dit vreemd getwijnde leven
wuif naar mij met armen
vol schaterende bloemen
zodat ik je zonder schroom
een bondgenoot kan noemen
bolster mijn stoutste dromen
in vliezen van handgeschept papier
zodat ik ze kan wegblazen tot in de bomen
als ik de zonnewende vier
doe ook eens iets aan die schrale akkers
waarop mijn doemgedachten grazen
ze houden mijn vechtlust onder de plak
als stormen door mijn aders razen
en wieg mij
wieg mij heen en weer
wuif mij als de grashalmen
in de delta's van de zee
tot ik zo rimpelloos ben als een meer
dat het heelal kan dragen
envoi
en vergeet de wetten van de goede smaak
die je tot corpocide dwingen
ze zijn niet bestemd voor vrouwen in de maak
die door het leven willen swingen
ga

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938
Ga niet voorbij, maar blijf bij mij, en voel,
Wat Ik voel in het diepst van dit mijn wezen
Dat niets dan Gij mij nog iets liefs kan wezen
En alles òm u - zonder u - zoo koel,
Zo leeg, zo vreemd dat ik mij-zelf niet voel,
Wen ver van u - en 'k wens om weg te wezen,
Weg van mij-zelf, in 't land des doods, doods vrezen
Vergetend om de vrees voor 't donker koel
En doods gewoel des levens, dat in kringen
Rond-draait geduriglijk, en Ik draai mee,
Ach, ik, een klein arm ding in duizend dingen,
Met u geslingerd in één-zelfde dringen,
Wijl onze klare stemmen kalm als twee
Koralen uit het duister hoog-op zingen.
Verzen (1931)
dieren

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898
De hond en de kat.
Wel hoe blaft gij zo, Kardoes?
Ha, 't is tegen onze poes.
Ze is u zeker weer ontlopen
En daar in de boom gekropen.
Nu, 't is goed, dat zij maar vlucht;
Want gij bijt haar soms geducht.
Poes bleef zitten op de tak,
Net als sliep ze op haar gemak;
Maar, toen vriend Kardoes ging lopen,
Deed zij gauw haar ogen open,
Sprong er af en liep naar huis,
Maar ving eerst op weg een muis.
Fabelen en gedichtjes (1873)
Maria

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-194
Maria zingt in gouden avondstond
Maria zingt in gouden avondstond
met blanke kele
en rode mond.
De rozen staan op hoge stelen,
een vogel luistert in het riet.
Dan sluimert 't kind in hare schoot,
haar ogen zijn van weelde groot
en in haar mond verzoemt het wiegelied.
De maanschil perelmoert in 't water,
maar in de schaduw sluipt de dood.
Gelukkiglijk, dat ziet ze niet,
dat is voor later.
Adagio
danslied

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931
Zei niet Uw stem: de vogel danst,
Het lover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in die rondegang,
Mijn polsklop, eerst zo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gáns,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan de trans
Dat alles goéd wordt in de dans.
Herscheppingen
bourgeois

Een gedicht van Dirk Jelles Troelstra
Zij schatten honend zijn waarde
Met de maat van het stomme geld,
Naar de factor zijner slijtage,
Naar de jaren die hij telt.
Zij verbruiken de kracht van zijn leven
In hun harde meerwaardefabriek,
En gunnen den rest aan de wormen,
Als een vuile, waardloze kliek.
Zij hebben bittere zorgen
Om zijn godsdienst en zedelijkheid,
Zij volgen hem tot in zijn woning
Met verwaande weldoenerigheid.
Zij willen hem commanderen
In zijn vreugde en zijn smart,
En met hun plompe poten
Trappen ze hem op het hart.
En met hun domme verbazing
Kijken ze in zijn gezicht,
En begrijpen niet de hoogheid,
Die in zijn trekken ligt.