Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

drie

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Drie verzen voor een dode II

Een middag blind van zon. bloemen en dieren
rekken en wentlen zich in het verblindend licht.
over de heuvelen aan d'einder der rivieren
koepelt en straalt een blinkend vergezicht.

maar hier, achter een koel en lieflijk glinstrend water,
waaraan het middaglicht een groene schaduw gaf
liggen de doden zij aan zij in de geschroeide aarde:
een dezer steenen dekt uw jonge graf.

misschien — denk ik — misschien zullen wij later
als engelen met heerlijkheid bekleed
te samen klinken, in hetzelfde water
twee golven klinkend tot in eeuwigheid.

wij zullen vredig dwalen door de bloemen
ontdaan van hartstocht en van schuld bevrijd
in argeloosheid en een niet te noemen
zwevende, zwevende gelukzaligheid ...

maar waartoe vóór mijn dood dit heil te roemen?
ik ben een prooi der wisselvalligheid:
soms zoek ik vrede, soms is het zwartst verdoemen
mij liever dan uw blanke zaligheid. —

zo nu. — waarom verrijst gij niet? ik kan
bij zulk een zon de dood niet lang gedenken;
sta op; opdat ik u een heerlijkheid kan schenken
heller en lieflijker dan uw onsterflijkheid!

Porta Nigra (1934)

 

Geschreven door Dora om 10:35 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

kwatrijnen

Een gedicht van Erich Wichmann 1890-1929

KWATRIJNEN

Een vroege herfst blaast door het dunne lover,
alweer een jaar is bijna zinloos over.
De schemer valt, ’t al om ons heen vervalt,
wij werden zwakker, suffer, blinder, dover...

Wij sterven, en ons Land sterft om ons henen...
Niets bleef dan regen, dorre bladen, dode stenen,
de wind rukt aan de bladen en de bomen…
Kilte en mist, ons eigen eenzaam wenen.

Geschreven door Dora om 12:22 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Aan mijne moeder

Wat ik in 't diepst der ziel gevoelde,
Wat mij verkwikt heeft of gedrukt,
Wat zorg en vrees mijn hart doorwoelde,
Wat vreugd en hoop mij heeft verrukt,

Mijn denken, doen, geheel mijn leven,
Heb 'k aan deez' blaadjes toevertrouwd,
Ze spreken van mijn geest en leven,
En zijn met tranen soms bedauwd.

'k Leg, moeder! in uw handen neder
Wat 'k heb gedacht, wat 'k heb gedicht,
En 't is me nu, of nog eens weder
Mijn hoofd aan uwen boezem ligt.

En is het u misschien bij 't lezen,
Als voelt ge iets , u van ouds bekend,
Denk dan: de kussen zullen 't wezen,
Die, met dit boek, mijn kind mij zendt.

Voorwoord bij 'Lessen en liederen eener moeder' (1882)

 

Geschreven door Dora om 11:35 Reageer op dit bericht

zonden

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Ik drink mijn zonden op als rijpe wijn

Ik drink mijn zonden op als rijpe wijn
Waar een kap'laan zich heim'lijk aan bedrinkt: –
Hij feest zijn oog aan 't glas, dat halfvol blinkt
Binnen de lichtkring van de lamp, wier schijn

Wemelt rondom en scheem'ring wordt in 't klein
Vertrek, waar vóor hem zich een heir verdringt
Van dromen, tot zijn hoofd halfdromend zinkt:
Hij prevelt stukjes van een vroom refrein:

Hij droomt zich Kardinaal of Paus, maar houdt
De grendel op de deur – zijn pausschap komt
Niet verder dan de drempel van zijn cel:

De andre dag treedt need'rig en devoot
De priester, die in 't oud gewaad zich kromt,
Voor 't altaar en hij leidt de ritus wèl...

Mephistopheles Epicureus, II

Geschreven door Dora om 16:41 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Johannes Reddingius 1873-1944

Avond

Daar branden lichten in duister -
de gouden-gele,
die lichtlijk dansen vol luister
door 't windespelen.

Door straten rammelen nog karren,
waar hoeven klinken ;
aan hoge hemel de starren
zo stille blinken.

Goud-licht aan alle de zijden,
omhoog, beneden -
het doet mij leven in tijden,
lang, lang geleden.

 

Geschreven door Dora om 12:09 Reageer op dit bericht

januari

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

JANUARI

Dik ligt de sneeuw in veld en woud
En 't Noorden huilt zijn somber lied:
't Is alles doods en vaal en koud
En levensteek'nen zijn er niet.

Geen levensteek'nen? Richt uw oog
Naar 't klein vertrek daar ginds, bestraald
Door zachte glans, die van omhoog
Rooskleurig door de venst'ren daalt.

Nieuwsgierig staat een kinderpaar
Dicht bij de wieg; ze tillen 't kleed
En zien op 't wicht, dat, - wonderbaar! -
Bij hen in huis zijn intree deed.

Dus mocht dan toch bij 't stormgegier,
Zo koud, als de adem van de Dood,
Een levensknop zich oop'nen hier,
Tot vreugde en wee, tot lust en nood.

Geschreven door Dora om 11:37 Reageer op dit bericht

vogels

Een gedicht van Anton L. de Rop 1837-1895

Mooie vogels

Kalkoenen en fazanten,
Maar pauwen nog het meest,
Zijn steeds zo mooi, als moesten
Zij daaglijks naar een feest.

Geen kleur is te bedenken,
Geen glans heeft schoner gloed
Dan die van deze vogels
De veêren schittren doet.

Roodgoud met groene weerschijn,
Azuur en hemelblauw,
Paars, violet en purper,
Die kleuren draagt de pauw.

Bloedrood van hals, de snavel
Lichtgeel als een citroen,
Sneeuwwit geschulpt de slagpen,
Zo tooit zich de kalkoen.

En als een kleed, vervaardigd
Uit paarlemoer en kant,
Zo is de dos der pluimen
Van d'edele goudfazant.

Geen wonder dat die vogels
De hof tot sieraad zijn,
Waar ze op het grasperk wandlen
In zomer-zonneschijn.

Geen wonder dat hun veêren,
En 't eerst die van de pauw,
Zeer dikwijls moeten dienen
Tot waaier voor mevrouw.

Maar ook dat men ze sierlijk
Naast pluimen steekt van 't riet,
Tot pronk der schoorsteenvazen;
Want rijker kan het niet

Wol en dons (1885)

Geschreven door Dora om 11:10 Reageer op dit bericht

dauwdrop

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

De dauwdrop

God rolt de zonnen door Zijn handen
zoals de boer het zaad.
De ruimte kent geen randen
en eindloos staat
de sterrentuin te branden.

Als dauwdrop aan der aarde bloeme
weerspiegel ik het Al.
Ik hoor de sferen zoemen.
Gans 't sterrendal
probeert Uw naam te noemen.

't Geheim blijft tot de nacht behoren,
waarin ik ben ontstaan,
tot, opgeslorpt, in schijn verloren,
in 't licht vergaan,
in U ik word herboren!

Geschreven door Dora om 13:14 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Dood

En statig dalen, slank in blank gewaad,
Maagdengestalten, in de maneschijn,
Van brede marmertreden, tot waar staat
Een blanke baar, - in 't kistje een kindekijn.

't Ligt wit en weerloos op het wit satijn,
Een sneeuwwit rozenkransje om 't lokkenblond.
De stille glimlach van wie zalig zijn
Trilt, als een vlinder, om zijn vredemond.

De blanke maagden naadren, éen voor éen,
En kussen 't kindje en geven 't elk een palm
En gaan dan heen, met klacht en zacht geween,
Achter een zwarte voorhang. - Nu is 't kalm...

En zeven kaarsen branden in de zaal
En zeven lelieën bloeien om de baar.
En ver, in 't woud, weeklaagt een nachtegaal
En weent een vedel: ze antwoorden elkaar.

De Gids jaargang 1892

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht

denken

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

IK DENK AAN U

Ik denk aan u zoals gij waart, toen de eerste maal
ik uw gestalte donker op zag komen tegen
het licht gewemel in de feestelijke zaal,
en ik van uw gelaat mijn welkom heb gekregen.

‘k Hoor van uw woorden nog ’t beminnelijk onthaal,
ik zie, bij ‘t golvend gaan, de ranke leest bewegen,
en dat gebeiteld schoon, dat in ’t rijk gestraal
der luchters blonk, de rand van uw gewaad ontstegen.

De schouders glooien op. De hals, een blanke zuil,
gaat in ’t gedreven licht der tedere lokken schuil
die, fel doorschitterd, er de matte glans van doven:

Zo smelt voor ’t middagvuur de witte wolk. Zo laat,
wanneer de morgenbleekte in ’t eerste goud vergaat,
de lucht haar vochtig waas zich van de zon ontroven.

Tochten (1911)

Geschreven door Dora om 21:47 1 reactie Reageer op dit bericht

afgeluisterd

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Een afgeluisterd gesprek

In de tram wordt plaats genomen
Door een man, die hijgt naar lucht,
En wiens ademen 't geluid maakt
Van een diep en zwaar gezucht.

In haar Amsterdamse taaltje
Zegt alras een burgervrouw:
"Uwé schijnt benauwd te weize!"
En de man zegt: "Ja, juffrouw."

"Jonges, jonges", spreekt ze verder:
Wat 'n mins wel geife sou,
Om van sou ies of te komme!"
En de man zegt: "Net, juffrouw."

"Maar der is niet heil feul baat vour",
Zegt ze; "Sou gefatte kou
De oorzaak zijn? Je kan niet weiten."
En de man zegt: "Nee, juffrouw."

"'k Heb 'n swager, net as uwé,
Die s'n borst is ook sou rouw;
En wat heb die al verdokterd!"
En de man zegt: "Zo, juffrouw."

"Onlangs had ie nog so'n vleuchie,
Dat j'ies beiters wachte sou;
Maar 't is nou al weir feul slimmer."
En de man zegt: "Toch, juffrouw?"

"Sie je, ik denk, de doud is 't endje,
Wat je ook al prebeiren wou!"
En de man stapt uit de wagen,
Met de groetenis: "Dag, juffrouw !"

 

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

duinen

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

In de duinen

Daar is het blanke zonlicht overal
en vult de dag zijn beker tot de rand .
Hij spiedt de kleuren, die in 't fijn kristal
spelen, als in een kelk van diamant .
Lichtdruppen storten in een parelval ;
hij ziet niet, hoe zijn achteloze hand
de blanke lichtdauw spilt, een zilverval
van zon op witgrijs zilvermos en zand .
Stil ligt hij in de diepe duinendel
- een krekel sjirpt, blank zaagje, fijn getand -
Hij ligt te turen naar het kleurenspel
en 't dof oud-zilver van de schaduwkant

Geschreven door Dora om 15:37 Reageer op dit bericht

jaren

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1937

Na Jaren

Hij toog naar vreemde landen
Met groene wandelstaf;
Na jaren kwam hij weder;
Toen viel het herfstloof af.

Aan 't huisje van zijn moeder
Daar bleef de zwerver staan staan;
De kinderen weken bange,
De heemhond gromde 'm aan.

Hij keek naar 't oude venster,
Hij keek naar 't oude dak:
Hij hoorde een vreemde spreken,
Waar eens zijn moeder sprak.

En ogen spiedden, vragend,
En schuw, door 't vensterglas;
't Leek alles hem zo vreemd nu
Wat eens zo innig was.

De gele linde glimlachte
In 't avondrood zo moe,
En stak de vriend van vroeger
Trouwhartig de armen toe.

En zij sprak nog haar tale
Met de eigen innigheid,
En neurde op de oude wijze
Een lied uit vroeger tijd.

Geschreven door Dora om 10:51 Reageer op dit bericht

eenzaamheid

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

Eenzaamheid

De mens is eenzaam tot en met zijn dood.
Nooit is één liefde, nooit één vriendschap klaar,
En, zelfs geboren uit dezelfde schoot,
Zijn wij nog vreemden voor elkaar.

Wat weet ik van mijn zuster en mijn vader,
Wat van mijn moeder en mijn eigen kind?
En is mijn vrouw mij altijd zoveel nader
Dan de arme meid voor 't eerst bemind?

Nooit kan een hart een ander overwinnen;
Van lief tot minnaar en van mens tot mens
Kunnen wij nooit geheel volmaakt beminnen;
Er is altijd een kloof, een grens.

't Is niet eens zeker dat de dood verenen
Kan wat het leven onmeedogend scheidt,
En er bestaat niet, van Parijs tot Wenen,
Een koffiehuis 'In de Eenzaamheid'!

Geschreven door Dora om 10:50 Reageer op dit bericht

de mama

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

De mama

Het meisje dat mij goed wou maken is verloofd,
en haar verloofde een méér dan nette jongen,
maar de mama weet wat een zoen kan doen.
Pas op! daar komt veel niet te pas,
al is een zoen
een zoen.

Mevrouwtje, wil niet denken
van uwe dochter kwaad.
Wie kwaad denkt van uw dochter,
die is een onverlaat.
Daar 's boosheid in de klok die tikt,
want klok die tikt is klok die pikt,
voor 't schuldige geweten.

Wat kwaad heeft toch deze dame gebrouwen,
dat zij haar dochtertje niet kan vertrouwen?
Zo kuis?
Zó kuis?
Daar is iets met deze dame
NIET pluis.

Parlando (1930)

Geschreven door Dora om 11:13 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Winter

De fijne rijm bedekt nu boom en plant
En ’t stijf-gestolde water, spiegelglad,
Kaatst hel de zon terug van ’t glanzig pad,
De blanke sneeuw ligt blinkend op het land.

En aan de langzaam-glooiende oeverkant
Steekt nederig een klokje ’t groen blad
Naar boven, koest’rend zich in ’t zonnebad,
Een dun, groen lintje op hermelijnen rand.

De lucht is fijn en helder, diafaan,
En trilt van ’t zuiver-schitt’rend zonnevuur,
Der blauwe heem’len stralend-gouden vaan.

De lieve blankheid maakt de held’re dag,
En tooit met klare schoonheid de natuur,
Die lange tijd in doodse misten lag.

Eerste gedichten

Geschreven door Dora om 16:38 Reageer op dit bericht

ogenblik

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

Een ogenblik

'k Heb mijn oor tegen zoveel stemklokken geleend,
mijn mond is door zoveel winden gegaan,
ik heb toch zoveel lachen meegemeend,
bij toch zo heel veel dingen heb ik stilgestaan

-

tot ik bij u kwam, o mijn schitterlief,
mijn edelsteenhand, u mijn oogelief,
mijn vonkend rad, mijn vogel vliegend vuur,
mijn schitterlief van altijddoore duur -
en tot de wereld die zo in mij was
verzameld vroeger als in spiegelglas,
werd gij - ik heb het alles opgehoopt
tot u, het is in u gedoopt
als brandend hout in vuur,
o mijn licht schitterlief van altijdduur -
zijt gij daardoor misschien zo opgeblonken,
liefdesherinnering tesaam gezonken? -
ik sta rondom u als een vaste muur,
en samen spelen uw licht en mijn getuur.

Verzen (1890)

Geschreven door Dora om 14:19 Reageer op dit bericht

doodsbed

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Ik lig op mijn stil-doodbed

Ik lig op mijn stil dood-bed, heel alleen,
ik weet het wel: - nu zal het hart gaan breken;
uit mijn onheelbre, wijde wonde leken
de trage, donkre droppen, één voor één.

In drop bij drop vloeit mijn rijk leven heen,
ik wacht het stil, - zie naar het staag verbleken
der kleuren mijner wereld, - zij geleken
zó onverganklijk, - nog zó kort geleên.

Daarbuiten wachten dorre bomen, zwart
in schitterkou der wijde winternacht,
hoe nu mijn grote Smart verstenen gaat,

en in een akelige lach verstard,
houdt aan de sterrenloze Hemel wacht,
dood-koud en steen-bleek, 't ronde maan-gelaat.

Ellen, een lied van smart (1891)

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

De winter is nu eindelijk gekomen

De winter is nu eindelijk gekomen,
En beemd’ en woud zijn wit van sneeuw en rijp,
Bevroren zijn de vlieten en de stromen,
Verdord is al wat vruchtbaar was en rijp.

Een loden hemel drukt thans op het land,
Nu sluimert Moeder Aarde haar lichte sluimer,
Dra komt de tijd waarin de zon weer brandt,
De dagen lengen, ook het zicht wordt ruimer.

Straks bloeien weer jasmijnen en seringen,
O hof, waarnaar ik zo lang heb gesmacht,
O tijd van tranen, kreten, handen wringen,
Verstomd is eens voor al uw lange klacht.

Najaarsvruchten (1936)

 

Geschreven door Dora om 14:21 Reageer op dit bericht

berijmd

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Voor een berijmd verhaal

Wilt gij een berijmd verhaal?
Neem een Ridder in het staal
En een Jonkvrouw in 't scharlaken.
Laat hen in een lange smart
Op een ijzren vaderhart
Langzaam trekken tot ze blaken.

Neem een heks of anderhalf
Met een dosis toverzalf
En een paddestoel of veertien.
Smeer ze op Hem en 't Maagdelijn,
Tot ze broer en zuster zijn,
En malkaêr niet willen weerzien.

Scheid ze dan in tranen af,
Giet een helft op 't Heilig graf,
De andere in een kloostercelletje.
Laat ze dampen tot een spook;
Dood daarna de vader ook:
En vouw ze om een ulevelletje!

Geschreven door Dora om 16:14 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten