Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

dood

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Dood

En statig dalen, slank in blank gewaad,
Maagdengestalten, in de maneschijn,
Van brede marmertreden, tot waar staat
Een blanke baar, - in 't kistje een kindekijn.

't Ligt wit en weerloos op het wit satijn,
Een sneeuwwit rozenkransje om 't lokkenblond.
De stille glimlach van wie zalig zijn
Trilt, als een vlinder, om zijn vredemond.

De blanke maagden naadren, éen voor éen,
En kussen 't kindje en geven 't elk een palm
En gaan dan heen, met klacht en zacht geween,
Achter een zwarte voorhang. - Nu is 't kalm...

En zeven kaarsen branden in de zaal
En zeven lelieën bloeien om de baar.
En ver, in 't woud, weeklaagt een nachtegaal
En weent een vedel: ze antwoorden elkaar.

De Gids jaargang 1892

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

denken

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

IK DENK AAN U

Ik denk aan u zoals gij waart, toen de eerste maal
ik uw gestalte donker op zag komen tegen
het licht gewemel in de feestelijke zaal,
en ik van uw gelaat mijn welkom heb gekregen.

‘k Hoor van uw woorden nog ’t beminnelijk onthaal,
ik zie, bij ‘t golvend gaan, de ranke leest bewegen,
en dat gebeiteld schoon, dat in ’t rijk gestraal
der luchters blonk, de rand van uw gewaad ontstegen.

De schouders glooien op. De hals, een blanke zuil,
gaat in ’t gedreven licht der tedere lokken schuil
die, fel doorschitterd, er de matte glans van doven:

Zo smelt voor ’t middagvuur de witte wolk. Zo laat,
wanneer de morgenbleekte in ’t eerste goud vergaat,
de lucht haar vochtig waas zich van de zon ontroven.

Tochten (1911)

Geschreven door Dora om 21:47 1 reactie Reageer op dit bericht

afgeluisterd

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Een afgeluisterd gesprek

In de tram wordt plaats genomen
Door een man, die hijgt naar lucht,
En wiens ademen 't geluid maakt
Van een diep en zwaar gezucht.

In haar Amsterdamse taaltje
Zegt alras een burgervrouw:
"Uwé schijnt benauwd te weize!"
En de man zegt: "Ja, juffrouw."

"Jonges, jonges", spreekt ze verder:
Wat 'n mins wel geife sou,
Om van sou ies of te komme!"
En de man zegt: "Net, juffrouw."

"Maar der is niet heil feul baat vour",
Zegt ze; "Sou gefatte kou
De oorzaak zijn? Je kan niet weiten."
En de man zegt: "Nee, juffrouw."

"'k Heb 'n swager, net as uwé,
Die s'n borst is ook sou rouw;
En wat heb die al verdokterd!"
En de man zegt: "Zo, juffrouw."

"Onlangs had ie nog so'n vleuchie,
Dat j'ies beiters wachte sou;
Maar 't is nou al weir feul slimmer."
En de man zegt: "Toch, juffrouw?"

"Sie je, ik denk, de doud is 't endje,
Wat je ook al prebeiren wou!"
En de man stapt uit de wagen,
Met de groetenis: "Dag, juffrouw !"

 

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

duinen

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

In de duinen

Daar is het blanke zonlicht overal
en vult de dag zijn beker tot de rand .
Hij spiedt de kleuren, die in 't fijn kristal
spelen, als in een kelk van diamant .
Lichtdruppen storten in een parelval ;
hij ziet niet, hoe zijn achteloze hand
de blanke lichtdauw spilt, een zilverval
van zon op witgrijs zilvermos en zand .
Stil ligt hij in de diepe duinendel
- een krekel sjirpt, blank zaagje, fijn getand -
Hij ligt te turen naar het kleurenspel
en 't dof oud-zilver van de schaduwkant

Geschreven door Dora om 15:37 Reageer op dit bericht

jaren

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1937

Na Jaren

Hij toog naar vreemde landen
Met groene wandelstaf;
Na jaren kwam hij weder;
Toen viel het herfstloof af.

Aan 't huisje van zijn moeder
Daar bleef de zwerver staan staan;
De kinderen weken bange,
De heemhond gromde 'm aan.

Hij keek naar 't oude venster,
Hij keek naar 't oude dak:
Hij hoorde een vreemde spreken,
Waar eens zijn moeder sprak.

En ogen spiedden, vragend,
En schuw, door 't vensterglas;
't Leek alles hem zo vreemd nu
Wat eens zo innig was.

De gele linde glimlachte
In 't avondrood zo moe,
En stak de vriend van vroeger
Trouwhartig de armen toe.

En zij sprak nog haar tale
Met de eigen innigheid,
En neurde op de oude wijze
Een lied uit vroeger tijd.

Geschreven door Dora om 10:51 Reageer op dit bericht

eenzaamheid

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

Eenzaamheid

De mens is eenzaam tot en met zijn dood.
Nooit is één liefde, nooit één vriendschap klaar,
En, zelfs geboren uit dezelfde schoot,
Zijn wij nog vreemden voor elkaar.

Wat weet ik van mijn zuster en mijn vader,
Wat van mijn moeder en mijn eigen kind?
En is mijn vrouw mij altijd zoveel nader
Dan de arme meid voor 't eerst bemind?

Nooit kan een hart een ander overwinnen;
Van lief tot minnaar en van mens tot mens
Kunnen wij nooit geheel volmaakt beminnen;
Er is altijd een kloof, een grens.

't Is niet eens zeker dat de dood verenen
Kan wat het leven onmeedogend scheidt,
En er bestaat niet, van Parijs tot Wenen,
Een koffiehuis 'In de Eenzaamheid'!

Geschreven door Dora om 10:50 Reageer op dit bericht

de mama

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

De mama

Het meisje dat mij goed wou maken is verloofd,
en haar verloofde een méér dan nette jongen,
maar de mama weet wat een zoen kan doen.
Pas op! daar komt veel niet te pas,
al is een zoen
een zoen.

Mevrouwtje, wil niet denken
van uwe dochter kwaad.
Wie kwaad denkt van uw dochter,
die is een onverlaat.
Daar 's boosheid in de klok die tikt,
want klok die tikt is klok die pikt,
voor 't schuldige geweten.

Wat kwaad heeft toch deze dame gebrouwen,
dat zij haar dochtertje niet kan vertrouwen?
Zo kuis?
Zó kuis?
Daar is iets met deze dame
NIET pluis.

Parlando (1930)

Geschreven door Dora om 11:13 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Winter

De fijne rijm bedekt nu boom en plant
En ’t stijf-gestolde water, spiegelglad,
Kaatst hel de zon terug van ’t glanzig pad,
De blanke sneeuw ligt blinkend op het land.

En aan de langzaam-glooiende oeverkant
Steekt nederig een klokje ’t groen blad
Naar boven, koest’rend zich in ’t zonnebad,
Een dun, groen lintje op hermelijnen rand.

De lucht is fijn en helder, diafaan,
En trilt van ’t zuiver-schitt’rend zonnevuur,
Der blauwe heem’len stralend-gouden vaan.

De lieve blankheid maakt de held’re dag,
En tooit met klare schoonheid de natuur,
Die lange tijd in doodse misten lag.

Eerste gedichten

Geschreven door Dora om 16:38 Reageer op dit bericht

ogenblik

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

Een ogenblik

'k Heb mijn oor tegen zoveel stemklokken geleend,
mijn mond is door zoveel winden gegaan,
ik heb toch zoveel lachen meegemeend,
bij toch zo heel veel dingen heb ik stilgestaan

-

tot ik bij u kwam, o mijn schitterlief,
mijn edelsteenhand, u mijn oogelief,
mijn vonkend rad, mijn vogel vliegend vuur,
mijn schitterlief van altijddoore duur -
en tot de wereld die zo in mij was
verzameld vroeger als in spiegelglas,
werd gij - ik heb het alles opgehoopt
tot u, het is in u gedoopt
als brandend hout in vuur,
o mijn licht schitterlief van altijdduur -
zijt gij daardoor misschien zo opgeblonken,
liefdesherinnering tesaam gezonken? -
ik sta rondom u als een vaste muur,
en samen spelen uw licht en mijn getuur.

Verzen (1890)

Geschreven door Dora om 14:19 Reageer op dit bericht

doodsbed

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Ik lig op mijn stil-doodbed

Ik lig op mijn stil dood-bed, heel alleen,
ik weet het wel: - nu zal het hart gaan breken;
uit mijn onheelbre, wijde wonde leken
de trage, donkre droppen, één voor één.

In drop bij drop vloeit mijn rijk leven heen,
ik wacht het stil, - zie naar het staag verbleken
der kleuren mijner wereld, - zij geleken
zó onverganklijk, - nog zó kort geleên.

Daarbuiten wachten dorre bomen, zwart
in schitterkou der wijde winternacht,
hoe nu mijn grote Smart verstenen gaat,

en in een akelige lach verstard,
houdt aan de sterrenloze Hemel wacht,
dood-koud en steen-bleek, 't ronde maan-gelaat.

Ellen, een lied van smart (1891)

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

De winter is nu eindelijk gekomen

De winter is nu eindelijk gekomen,
En beemd’ en woud zijn wit van sneeuw en rijp,
Bevroren zijn de vlieten en de stromen,
Verdord is al wat vruchtbaar was en rijp.

Een loden hemel drukt thans op het land,
Nu sluimert Moeder Aarde haar lichte sluimer,
Dra komt de tijd waarin de zon weer brandt,
De dagen lengen, ook het zicht wordt ruimer.

Straks bloeien weer jasmijnen en seringen,
O hof, waarnaar ik zo lang heb gesmacht,
O tijd van tranen, kreten, handen wringen,
Verstomd is eens voor al uw lange klacht.

Najaarsvruchten (1936)

 

Geschreven door Dora om 14:21 Reageer op dit bericht

berijmd

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Voor een berijmd verhaal

Wilt gij een berijmd verhaal?
Neem een Ridder in het staal
En een Jonkvrouw in 't scharlaken.
Laat hen in een lange smart
Op een ijzren vaderhart
Langzaam trekken tot ze blaken.

Neem een heks of anderhalf
Met een dosis toverzalf
En een paddestoel of veertien.
Smeer ze op Hem en 't Maagdelijn,
Tot ze broer en zuster zijn,
En malkaêr niet willen weerzien.

Scheid ze dan in tranen af,
Giet een helft op 't Heilig graf,
De andere in een kloostercelletje.
Laat ze dampen tot een spook;
Dood daarna de vader ook:
En vouw ze om een ulevelletje!

Geschreven door Dora om 16:14 Reageer op dit bericht

O dood

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

O, dood geheime nachtegaal

O dood, geheime nachtegaal
Die in de donkre hagen zingt
Uw nooit ontraadselbaar verhaal
Dat tot in ‘t diepst der harten dringt,

En lokt ons beiderzijds van ‘t pad
Over het dompe dove mos
Voort van de wemellichte stad
Naar ‘t ver en stil en duister bos, —

Ik volg u, dood, zing gij mij voor,
Ik zal niet talmen aan de zoom,
Dat ik de laatste sterrengloor
Ontvinge voor mijn laatste droom.

Wat is herinnering van licht?
Ik ben tot duisternis bereid.
Onhoorbaar sluit de nacht zich dicht...
Mijn ziel wordt vol van eeuwigheid.

 

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

wens

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Ik wense u

Ik wense u een jaar, dat zacht als zijde is ;
Ik wense u een jaar, dat blank en blijde is;
Ik wense u een jaar, dat ver van krank is,
Een deugdelijk jaar zo breed als ’t lang is;
Ik wense u een jaar, dat als ’t voorbij is,
Een zalig jaar voor u en mij is.

Jaarkrans (1893)

Geschreven door Dora om 12:06 Reageer op dit bericht

manteling

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

In de manteling bij Domburg

In de spanne luwe stilte
In de wieg van ’t glooiend mos
Lig ik: boven vaart de zilte
Zeewind over ’t neigend bos.

Al de toppen wuiveblinken
In der zonne gouden lust,
Wijl de dorre bladers zinken
Om mij heen tot rosse rust.

IJle vogelvluchten rissen
Achter weemlend twijgenweb:
’t Zijn de meeuwen die gaan vissen
Met de wederkeer der eb...

Ieder jaar wordt sneller ouder,
Vroeger avondt elke dag,–
Maar mijn hoofd ligt aan uw schouder
En ik hoor uw harteslag.

Boven drijft het leven over,
En geen schijn of schaûw ontgaat:
Elke siddering in ’t lover
Spiegelt over uw gelaat.

Als een god die zou beluistren
Aards gerucht uit hemels vreê,
Hoor ik uwen adem fluistren
Door de stem van wind en zee

Geschreven door Dora om 16:57 Reageer op dit bericht

terreur

Een hartenkreet van An Terlouw. Mijn reactie op dez hartenkreet is dat een mens alleen maar oorlog is, mits de mens de vrede in het hart heeft gevonden bij de kribbe van Bethlehem! Zo'n vrede gaat alle verstand te boven...maar buiten dit alles is er geen ware vrede! We kunnen wel vredelievend van aard zijn! Dat wel! Maar de boze wil altijd zorgen voor een rel!

Terreur van Kerst

Gek eigenlijk dat
er een reden moet zijn,
om vrede te voeren,
gek eigenlijk
dat er maar 2 dagen
sprake is van vrede,
en juist op die dag
zijn er weer
van die rare dingen,
als
‘terreurverdachten
in Rotterdam opgepakt’
zijn vast mensen
die
niks met ‘vrede’ hebben!

Gek toch?


Geschreven door Dora om 10:37 Reageer op dit bericht

wintermorgen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Wintermorgen

De tuin is toegesneeuwd; 't gazon
Ligt onder 't hoge witte duin bedolven.
Maar veilig in hun warme strooien kolven
Wachten de rozen (en mijn hart wacht ook) de Zon!

't Is late nacht, de lamp brandt laag,
De ruiten glinstren van de blauwe koude,
En koel is 't hart, dat gaarne branden zoude
Van ongeduld naar Uwe komst. Vandaag?

O, nacht en morgen vloeien traag tezamen,
Ontberen en genieten smelt ineen,
Maar nòg heerst over ziel en de verbleekte ramen
Het grijzen van de schemering alleen.

Dan doet een licht de schaduw zwarten en versnellen.
Warmer en driftiger golft 't ongeduldig bloed.
Door de gestrekte stilte tinkelen de bellen.
Bij 't ijle dagen ijlt Ge ons tegemoet.

Verzamelde Gedichten, Nalezing VI (25-03-1925)

Geschreven door Dora om 11:30 Reageer op dit bericht

winteravonden

Een gedicht van B.W.A.E Sloet tot Oldhuis

LANGS DE DOORNENHAAG

Ja! ik min u, Doornenhagen!
In uw vrije, wilde groei,
Die wij na de winterdagen
In uw sneeuwwit reine bloei,
't Bruidskleed der natuur zien dragen,
Schoon nog 't woud ontbladerd staat.
Struikjes winnen 't van de bomen,
Immers 't oog reeds langs uw zomen
Groene plekjes gadeslaat.
Daar, in de eerst versierde struiken,
Door de zuiderlucht gekust,
Zien wij ook het eerst ontluiken
Mingekweel en liefdeslust,
Wordt ook 't eerste bruiloftsfeestje
Door de grasmus voorbereid,
En hoe netjes 't lieve beestje
Haartjes door zijn bruidsbed spreidt!
Nog een vrijer en een vrijster
Zitten aan elkaars zij,
Want ook reeds bepraat de lijster,
Waar 't hun veilig wonen zij.
De ekster, op een top verheven,
Waar de haag naar boven schiet,
Laat zijn schalkse blikken zweven,
Of zij hem een schuilplaats biedt,
Om zijn vesting in te bouwen
Met een kleine, open mond,
Waar hij ver in 't rond kan schouwen,
Of me' een aanval onderstond;
Straks vlecht hij een dak van doren,
voor zijn jeugdig broed beducht,
Dat geen havik 't wijfje storen,
't Kroost mocht voeren in de lucht.
Ras bekleedt hij als de wanden
Met een dikke brij van leem,
Wie hem hier durft aan te randen,
Stuit op een versterkte heem.
Snippers, linten gaat hij roven,
Waarom hij een ekster heet;
Om het kale broed te stoven
Wordt de wand er mee bekleed.-
Aan het kirren kan ik horen,
Dat het minziek veldhoen al
't Kuiltjen onder dichte doren
Tot zijn nest bereiden zal;
En nu zal 't niet lang meer duren,
Of het ruist hier in de haag,
In de dauwende ochtenduren,
Melodiën, hoog en laag,
Zachte, zaamgesmolten koren
Met verschil van toon en wijs.
Doe uw best dan! Laat u horen,
Vlasvink! Tukker! Merel! Sijs!
't Zachte rood der wilde rozen
Zien wij, waar de sneeuwbal pronkt,
Door de groene blaadjes blozen,
Van het eerste licht belonkt.
Kamperfoelie kleedt de randen
Langs de hele hage heen;
Winde hangt er in guirlanden;
Paarse wikke wiert dooréén.
Zulke bloemen, zulke zangen,
Stemmen 't hart tot poëzie,
Kweken een geheim verlangen
Naar een hoger harmonie.

Winteravondrood, de Lange, Deventer(1877)

 

Geschreven door Dora om 10:46 Reageer op dit bericht

naalden

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1839

VOL NAALDEN VLIEGT DE LUCHT

Vol naalden vliegt de lucht,
vol priemend ijsgekertel,
dat glinstert in de zon,
en, met de asemtocht
gezwolgen, kilt en kerft
de kele en ‘t haargespertel,
dat in de neuze temt
de toevoer van de lucht.

‘t Is bijtend koud. Een spree
van witheid, ongemeten,
‘t zij waar ge uwe ogen vlucht,
ligt overal gespreid;
‘t is snee tot in uw huis,
‘t komt snee door al de spleten;
‘t is snee, ‘t is immer snee,
en al sneeuwwittigheid.

De wind komt, wild en boos,
gesnoeid uit alle gaten;
geen ruste en wilt hij, eer
hij eenmaal weten zal
dat ‘t volk verdwenen is,
en hem wilt meester laten...
‘t Is bijster, bijtend koud,
en ‘t wintert overal.

-----------------------------------
priemend ijsgekertel - priemvormige ijskristallen
met de asemtocht - met de adem
’t haargespertel - verwarde neushaartjes
temt - hindert
spree - sprei
snee - sneeuw
gesnoeid - snijdend aangewaaid

Tijdkrans

Geschreven door Dora om 20:23 Reageer op dit bericht

vrouwen

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schaik, wel een lang gedicht maar het is wel toepasselijk voor deze goddelozen dagen in een wereld waar het Ware is vergaan!

De vrouwen van Holland klagen aan

De vrouwen van Holland klagen
Onze onderdrukkers aan:
‘Gij harteloze tirannen,
wat hebt ge met onze mannen
en onze zonen gedaan?
Ge haalt ze weg in de nachten
of bij 't eerste begin van de dag;
laadt ze in knarsende treinen,
verbant ze, waar, ver van de zijnen,
elk hunner lijdt bittere pijnen
onder de hakenkruisvlag.’

De meisjes van Holland klagen
de vreemde onderdrukkers aan:
‘Wat hebt ge met onze broeders
en onze verloofden gedaan?
Onze gedachten steig'ren
als we denken aan die laatste blik...
weer zien we al nader komen
als een monster dat aansluipt in angstdromen
dat bitterste ogenblik...’

De vrouwen van Holland klagen
zonder ophouden aan:
‘Wat hebt ge met onze kind'ren
onze meisjes en knapen gedaan?
Hun frisse appelwangen
worden wit, hun armen schraal;
het is of hun schouders hangen,
er klinkt iets schels door hun taal.
Zij schrikken in de voornacht wakker
en angstig hun oogjes staan:
‘Moeder die bom... in de akker.’
God zaaide in hen het leven,
Wij droegen ze in onze schoot;
Gods goedheid had z' ons gegeven
Hij zaaide in hen kiemen van leven;
Gij zaait in hen kiemen van dood.’

De vrouwen van Holland klagen
weder en wederom aan:
‘Hoe waagt aan onze ouden van dagen
g' uw roek'loze handen te slaan?
Ge jaagt z' uit vertrouwde woning
waar heel hun verleden z' omzweeft,
berooft van koest'rende zorgen
de ouderdom die geen morgen,
enkel een gisteren heeft.’

De vrouwen van Holland klagen
gestreng hun verdrukkers aan:
‘Wat hebt ge met onze arme
kranken van geest gedaan?
Kent ge dan zelfs geen erbarmen
met de slachtoffers van de waan?
Wij bouwden hun ruime verblijven
in schaduw van hoog geboomt
waar sterker worden de lijven
en de warre ziel vredig droomt;
wij leerden opnieuw hun de zegen
van d' arbeid, en de muziek
omzweefde hun donkere wegen
met haar milde stralende wiek.
Wat we bouwden in jaren, in dagen
breekt ge kwaadwillig af.
God zal u rekenschap vragen:
uw straf zult ge zekerlijk dragen
in de eeuwigheid van het graf.’

De vrouwen van Holland klagen
opnieuw d' onderdrukkers aan:
‘Wat hebt ge met onze steden,
onze trotse steden gedaan?
Door hun zonnige straten
joeg uw geweld, een orkaan
sloeg in hen kuilen en gaten,
liet armzalige geraamten slechts staan.’

De vrouwen van Holland klagen
de harde geweldenaars aan:
‘Onze bloeiende bloemvelden
zijn door u te niet gedaan.
hyacinten - hun zoetzware geuren
bedwelmen in 't jonge seizoen;
Tulpen, die vlammend beuren
hun kelk uit het zachte groen;
door de straten der volkrijke steden
trok de koopman zijn bonte vracht;
't armste vrouwtje naar huis bracht mede
een bos, waar de zon in lacht.
Ook dat beetje vreugd ging verloren,
heel het leven wordt dor en kaal,
Geef antwoord: wat hebt ge gedaan
met zo menig bossage?
niets dan stronken liet ge staan.
De eiken - der oude Germanen,
hoort ge, - heilige boom;
de statige beukenlanen
rijzend aan der buitens zoom.
De dennen, wier ruisen in de nachten
scheen de vraag van de zee aan het land,
dekkend met hun groene vrachten
het dorre, onvruchtbare zand.
God stuurde zon hun en regen
jaar op jaar dichter werd het net
der wortels langs paden en wegen;
het stuifzand werd vastgezet.
Nu liggen z' als dode dingen
ontzield, naast elkander neer;
nooit zal, wie nu leven, omzingen
het lommer der bossen meer.’

De vrouwen van Holland klagen
de eerloze rovers aan:
‘Wat deed ge met onze torens,
antwoordt: wat deed ge hun aan?
Hun bronzen monden zwijgen...
Waarom werden ze eensklaps stom,
roepen, op Zondagmorgen
ons niet meer naar Gods heiligdom;
troosten niet meer de benauwde
zielen, zingen zo zacht
voor hen, die doorweenden de nacht
hun troostlied, het lang vertrouwde?’

De vrouwen van Holland klagen
met sidderende stemmen aan:
‘Wat hebt ge met onze harten,
onze mensenharten gedaan?
Ge hebt ze doorpriemd en doorstoken,
ge stampt' ze in uw mortels tot gruis,
ge hebt ze geknauwd en gebroken,
ge nagelt ze aan het kruis; -
maar uw geweld kan niet maken
z' uw slaven, niet laf en niet klein,
niet ter aarde hen buigen
noch afhouden te getuigen
“Sursum Corda” - Zo moge het zijn.’

De vrouwen van Holland klagen,
er trilt iets nieuws in hun stem:
‘Hoe kunt ge zo zware schuld dragen?
Is in u dan geen rem
tegen dierlijke driften?
Hebt ge geen moeder, geen zonen;
kent ge geen ander feest
dan los te laten het beest
in u, om te bijten en te honen?
Kwam nooit in u op het verlangen
om, als tussen mensen ge gaat,
in een ander net u gevangen
te voelen, dan dat van de haat?
O, keer toch in tot uzelve
waar het vertwijfeld verstard!
Morgen wordt weder geboren
het Goddelijke Kind.
Ziet ge de ster niet gloren?
Kunt ge 't hemels gezang niet horen
dat zijn weg naar de aarde vindt?’


Wij ook, wij hebben van node
vergeving van zware schuld;
zondigden tegen hoge geboden,
waren van haat - en wrok vervuld.
Zouden we elkaar kunnen vergeven?
Dát voelen als zoete pijn?
O Geest, help dáárnaar ons streven,
heilig onze dood als ons leven,

Amen. - Zó moge het zijn.

24 December 1942.




Geschreven door Dora om 12:29 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten