Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

psalm

Psalm 22 geschreven op de wijze van Marnix van sint Aldegonde. Een lijdenspsalm in de Kersttijd...

Psalm 22

Mijn God, mijn God, waarom verlaatstu mij?
Waaromme gaat mijn huilen dus voorbij,
Ver van dijn hulp en troost, als ik voor dij
Doe mijne klachten?
De hele dag roep ik uit ganse krachten,
En du, mijn God, en wilst daarop niet achten;
Ik hou niet op van schreien alle nachten,
En zwijge niet.

Daar du nochthans door 's werelds gans gebied
De heilge bist: Ja 't eeuwig lof en lied
Van Israël in alle zijn verdriet
Blijfstu genadig.
Dies hebben ook op dijne macht grootdadig
Ons ouders vrij vertrouwd; en du genadig
Hebs', Heer, verlost, uit alle lasten smadig,
In hare nood.

Als haar geschrei rees tot in dijnen schoot,
Du stondst hen bij, in alle wederstoot:
Zij hoopten vast, en werden niet schaamrood
In hun gebeden.
Maar ik ben slechts een aardworm hier beneden,
En gene man: van ieder man vertreden,
Zo dat het volk met mij, in alle reden,
De spot vast houdt.

 

Geschreven door Dora om 11:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

verzen

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Drie verzen voor een dode I

De avond daalt;
er valt een vage schemer.
ik zoek de vrede die de dag mij nam;
en onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden
naar 't stille kerkhof waar ik na uw sterven
berooid en eenzaam iedre avond kwam.

waarom? ik weet te goed dat ik u niet kan wekken
en dat gij daar zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt;
dat ik aan deze steen niets kan onttrekken
van uwe staat van ongenaakbaarheid.

doden zijn ver en koud, en dichters eenzaam,
maar zij beluisteren elkanders lied; ik zing
en gij en ik worden opnieuw gemeenzaam;
zegen — en vloek der verhovaardiging.

schuw dus dit lied, vergeef het, blijf mij wachten;
bid voor mij al de dagen uwer eeuwigheid,
opdat mijn boot bij 't zwichten mijner krachten
niet nog in 't zicht der kust te pletter splijt.

Porta Nigra (1934)

Geschreven door Dora om 10:03 Reageer op dit bericht

sneeuwman

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

De sneeuwman

Zie zo, mijn kleine sneeuwman,
Nu ben je kant en klaar;
Maar 'k heb nog wat vergeten,
Een kuifje op je haar,
En dan dit korte pijpje....
Kom, open nu je mond,
Kijk, Piet, hij staat er heuzig
Of hij er jaren stond.

Het nachtegaaltje (1851)

Geschreven door Dora om 17:23 Reageer op dit bericht

geloven

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

‘Aan welke god gelooft ge dan toch?’

AAN welke god gelooft ge dan toch?’
Zo vroeg zij op angstige toon.
Aan onze lieve vrouw Venus, mijn kind,
En aan hare zalige zoon.

Vroege gedichten

Geschreven door Dora om 17:20 Reageer op dit bericht

sneeuwvlokjes

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Sneeuwvlokjes zijgen

Sneeuwvlokjes zijgen
rustig neder,
op de daken, op de twijgen,
maken laken en schoon weder.

Ik ging zo geern, heel ver te voete,
wist ik mijn zoete
in sneeuw te ontmoeten.

Het boek der liefde (1921)

Geschreven door Dora om 16:44 Reageer op dit bericht

luchtspiegeling

Een gedicht van B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis

DE LUCHTSPIEGELING

Een avondtoneeltje

Niets verbrak de zwoele stilte dan het nedersijplend nat
Van de vers gevallen regen;
Alle vogelkoren zwegen
In 't zacht druppelende lover langs ons eenzaam avondpad,
En de lijster schudt haar vlerkjes,
Droogt zich op de dorre rank,
Maar weerhoudt alsnog de tonen
Van haar schelle avonddank.

Helder lichtblaauw kleedt de hemel, met een witte glans vermengd.
Alle wolkjes zijn verdwenen;
't Daglicht heeft haast uitgeschenen;
Alles groent met frisse tinten, straks nog door de zon gezengd.
Mina! Mijd de kleine plasjes,
Die er ruisslen voor uw voet!
Zet wat minder wufte stapjes,
Dan gij wel gemeenlijk doet!

En nu sloegen wij de blikken naar 't doorschijnend wolkazuur.
God! Wat wonder! 't land met schoven,
't Groene bos zien wij daar boven,
Heel het landschap afgespiegeld met zijn kwijnend avondvuur.
Rundren weiden aan de hemel,
En langs zijn verlichte tin
Voert het paard de kar met garven
Rustig de open staldeur in.

En, haar blikken zacht beneveld door een wemelende traan,
Staart zij, in de ziel bewogen,
't Wonder aan van 's Hemels bogen.
"Mocht, dus zegt zij, 't heerlijk schouwspel in geen wolkjen ons ontgaan!
Maar al trekt ook 't aardse landschap
Aan des hemels trans voorbij,
Aarde en hemel smolten samen,
En dit smaakte ik aan uw zij."

Lieve! al wijkt in vorm en verwen de aarde van de hemel af,
Ik zie weer de hemel dalen
En in volle reinheid stralen
In de blauwe, smachtende ogen, die de goede God u gaf.
En wij drukten ons de handen,
En, in zoet gepeins verward,
Voerde 't paadje ons spraakloos verder
Met de hemel in het hart.

Winteravondrood, de Lange, Deventer(1877)

 

Geschreven door Dora om 16:50 Reageer op dit bericht

puur

Een hartenkreet van Wauters Kristine

PUUR

Van haar wordt gezegd : ze kneedt mannen als was.
Haar geheimjes te weten komen, dat ware pas kras.

Niet van lelijksten, toch nooit hoogmoedig, eerder lief
Nooit duur gekleed, wel originele combinaties, creatief.

Emancipatie, dat vindt ze maar niets
Met een wagen reed ze nooit, alles met die fijne fiets.

Mogelijk is ze nog een ' echte ' vrouw.
Ze bestaan nog, maar worden zeldzame pareltjes, ik rouw.

Welke oprechte man, zweeft niet bij zulk een hemels creatuur
Ik meen wel hele velen, wat gaat boven puur?

 

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

vogel

Een gedicht van Karel van Woestijne 1878-1929

Wat ben ik, dan een vogel

Wat ben ik, dan een vogel in de schemering?...
Ik ben verliefd, o mijne vrienden, en, wen ik zing,
hoor ik de avond-dauw uit zware beuken leken
en, dof geplets, de rillend-diepe stilte breken;
en - 't is of mijn geluid in mijne kele breekt...
Ben ik bedroefd? - Hoor hoe een nachtegaalke spreekt
mistroostig en gerust, met droeve en staêgen ijver,
gelijk de zang van dwalend-verre schapen-drijver.

De boom-gaard der vogelen en der vruchten (1903-1905)

 

Geschreven door Dora om 12:31 Reageer op dit bericht

mens

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Mephistopheles Epicureus

Ik zie de mens, maar ik begrijp hem niet: –
Hij eet van 't leven al wat lekker smaakt,
En proeft van ál zijn passies: zijn mond raakt
Iedere vrucht, die iedre hand hem biedt.

Hij zoekt in dronkenschap een droom, die vliedt,
In 't leven, – tot hij, moede en koud, ontwaakt,
Naakt en gebroken: op zijn lippen smaakt
Des levens droesem bitter als verdriet.

En dan noemt hij de wijn, die vreugde geeft –
Zijn passie – zonde, en nuchterzijn zijn deugd,
Daar hij zich dwaas dronk in een mooie droom,

En in het leven schijn zocht, die niet leeft.
Hij vleit zich met de erinn'ring zijner vreugd,
Maar durft geen appel proeven zonder schroom.

---------------------------------------------
Mephistopheles Epicureus - symbool voor de mens
met twee contrasterende gevoelswerelden

appel - symbool van kwaad en goed

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

gebroken

Een gedicht over de gebrokenheid van de samenleving!

Gebroken

 

De gebroken wereld

De wereld waar onvrede heerst

Een wereld waar het menselijk leed wordt verzwaard

Omdat men bezig is met dingen vanuit de onderaard

Dingen die niet passen in liefdevolle kringen

Maar het meest worden deze mensen omringd

Met een geest die niet zo is welgezind

Het leven verliest glans

En zo heeft men vaak een gemiste kans

Een kans om oprecht in vrede te kunnen wandelen

Maar de mensen misbruiken het goede handelen

En zo moet de liefde vaak in een hel wandelen

Omdat de leugen zo graag ver van de waarheid wil wandelen!

Zo krijgen we een gebroken bestaan

Dat eenieder verdeeld door het leven doet gaan

Leven met vaak heel veel pijn

Al  lijkt het voor de buitenwereld een schijn

Een schijn van gelukkig zijn

De medemens is soms het ravijn

Het ravijn van de ander

En zo vergaat menige levenswandel!

 

Geschreven door Dora om 13:32 Reageer op dit bericht

ontwaken

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

't Is me of ik uit een lange droom ontwaakte

't Is me of ik uit een lange droom ontwaakte;
weer slaan mij vreugdevlammen in 't gelaat,
en wat ik ál doorstond, in bittre haat,
gaat op in 't hoogtijdsvuur dat groots ontblaakte.
Hoe lang heb ik gedroomd - wie weet? het staat
geboekt op treurge bladen, - sinds daar kraakte
mijn ganse wezen en het leven staakte
zijn wondergang? - o bron van zoveel kwaad!
Maar 't is nog tijd: weer voel ik 't harte zwellen,
dat als een feestklok luidt, met volle klank,
en 't heerlijk lied van bede én hulde én dank,
uit vrije borst mij naar de lippen wellen,
als 't leven zelf, éénklank van smarte en vreugd,
- diepgolvende uiting van dees wondre jeugd!

Van Nu en Straks. Jaargang 2 (1897)

Geschreven door Dora om 11:25 1 reactie Reageer op dit bericht

zegger

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

De zegger van verzen

Luister: het zeggen van dit vers is zo
Dat het door middel van uw oor uw ziel
Moet aandoen met vreugd en zekerheid:
'Dit is voor mij geschreven'. Want ik weet
Dat alle verzen langs uw oor gaan als
Het ruizen van water of ‘t gedruis
Van bomen in de wind: een vaag geluid
Voor niemand in het bizonder en waaraan
Geen luistraar – ’t zij dan dat zijn eigen hart
Toevallig in een eendre toon beweegt -
Een mededeelbre zin ontraadselt. Maar
Juist zo wens ik dat nu uw hart de toon
Vindt van het mijne, zodat woord voor woord
U schijnt gesproken door uzelf. Want heel
Dit spreken volgt het plooien van uw mond,
Het kloppen van uw polsen, het gebeef
Van ‘t bloed in de aren. Dat ge dit verstaat
Is zeker, want het is uw eigen taal
Uw eigen hartklop en uw eigen oog.
En elk die dit verstaat verstaat elk vers.

Geschreven door Dora om 11:09 1 reactie Reageer op dit bericht

maneschijn

Een gedicht van B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis

DE MANESCHIJN IN 'T BOSCH

Daar buiten, waar de herder 't vee
Reeds naar de stal geleidt,
Is aan het effen luchtgewelf
Een grauwend kleed verspreid,
Dat alles, wat het land mocht tooien,
Omwikkelt in zijn brede plooien.

En boven trilt op 't bevend blad
Nog 't stervend avondgoud,
Maar 't rijzend maantje strooit zijn glans
Met handenvol door 't hout,
Dat ons de paden, droef en donker,
Beschildert met zijn lichtgeflonker.

Neen! 't Is geen dwarlende avondwind,
Die door de blaadren streeft,
Waardoor, met teder licht bespat,
En tak en lover beeft;
Gewis! 't zijn wreemlende Elvenscharen,
Die door het dicht geboomte waren.

Zij hipplen, tripplen op en neer,
En schommlen in het blad;
Zij dalen langs de stammen af
En dartlen op mijn pad,
Als of ze in mengeling van lichten,
Hun dartle rondedans verrichten.

Ik dool in een betoverd bos,
Waar een onzichtbre hand
Figuren in verscheiden vorm
Schetst op de loverwand;
'k Zie vooglen door de blaadren dwalen,
Hun vederdos van zilver stralen.

Ver achter gindse donkre stam
Zie ik een hinde staan;
Daar schrikt me een zilverblanke slang,
Die schuifelt op mijn paân;
Er zucht een koeltje om mij henen,
En alle vormen zijn uit énen.

Maar eensklaps straalt het weer in 't bos
Op ieder blad en tak,
Als dwaalden duizend sterren neer
Van 't hoge hemelvlak;
'k Sta in een tempel vol van glanzen,
Die aan de donkre wanden dansen.

Zou hier in 't bos 't betoverd slot
Der schone slaapster zijn,
Er sluimrend op het mollig dons
En kussens van satijn,
Daar honderd luchters om haar blaken,
Tot dat zij blijde zal ontwaken?

Kom, nadere ik met zachte tred,
En wat mij 't toeval biedt,
Het kalme schoon der frisse maagd
In sluimering bespied!
Dat boezemrijzen en weer dalen
Stil op de maat van 't ademhalen!

Een zwarte wolk befloerst de maan;
Met ritselend geruis
Stort ijlings het gebouw in één
Met gevelspits en kruis,
En heel 't begoochlend lichtgetover,
Is in zijn wondre flikkring over.

Winteravondrood, De Lange, Deventer(1877)

Geschreven door Dora om 12:58 Reageer op dit bericht

arbeid adelt

Een hartenkreet van A.v.Eesteren. Commentaar of bevinding een bericht lager!

Arbeid Adelt

Arbeid adelt
Werd mij vroeger verteld
Maar de adel arbeidt niet
Zij hebben het oude geld

Blauw bloed
Stroomt door de aderen
Zij hebben het goed
Dankzij hun voorvaderen

Ik ben niet rancuneus
Jaloers ben in ook niet,
Heus!
Het is hoe men het ziet

Ik wou er alleen maar even
De aandacht op richten
Want over de adel zijn
Niet zoveel gedichten!

 



 

Geschreven door Dora om 13:44 Reageer op dit bericht

arbeid

Een gedicht naar aanleiding van een gelezen gedicht! Het is misschien een gedicht dat sticht!

Arbeid

 

Ben je van adel?

Dan moet je veel werken

Want waar geld is, daar is werk

Of anders gezegd loon voor je werk

De arbeid kwam van hogere wegen

Zo werd aan de gewone mens werk gegeven

Maar heel veel mensen zijn lui

Die geven aan de arbeid de brui

Hoe armer hoe luier

Want je ziet niet waar je het voor doet

Zo gaat het slecht met het gemoed

Arbeid moet dus adelen

Dan adelt de arbeid

Wie werkt met vlijt

Heeft haast geen tijd!

Tijd voor zichzelf

Je bent altijd aan het werk

Ook al zit je even stil

De aarde ontginnen

Het is eigenlijk niet om aan te beginnen

Maar de aarde daar leven we toch op?

Daar hebben we toch alles gedaan

Zodat we verder met bouwen enz. kunnen gaan!

Nee, de aarde is woest en leeg

Omdat mens graag in luiheid leeft!

 

Geschreven door Dora om 13:40 Reageer op dit bericht

schoon

Een gedcht van Guido Gezelle 1830-1899

Hoe schoone

Hoe schone is Moeders tranenlach,
wanneer het kindje teer
haar zoent en stamelt: “Moeder!” ach,
de aldereerste keer!

Kleengedichtjes (1860)

Geschreven door Dora om 11:24 Reageer op dit bericht

koeltje

Een gedicht van B.W.A.E.  Sloet tot Oldhuis

HET KOELTJE

In de lentemorgenzwoelte
Streelt me een labberende koelte,
Luwend, stuwend, loddrend stoeiend,
Zachtkens âmend, floddrend vloeiend,
Kussend voorhoofd mij en konen,
Schuddend tengere anemonen,
Die in duizendtallen beven,
Waar zij langs de grond komt zweven,
Voertuig voor der bijen wieken,
Die met haar de honing rieken.
Op haar golving zweeft de vlinder
Langs de bloemen, hier en ginder
Met de bontgekleurde torren;
Overal is 't gonzen snorren
En geluidjes in de blaadjes,
In het luchtruim, langs de paadjes.
Koeltje, dat, met geur beladen,
Ver me uw aantocht wilt verraden,
Zeg mij, waar zijt gij ontsproten?
Waar de nachtegalen floten
In een geurend bed van rozen;
Voor hun morgenplek gekozen,
Om in minnezang te kwijnen?
Was 't een bosje van jasmijnen,
Dat U 't eerste zag ontluiken,
Weemlend woelend uit die struiken,
Om, waar Gij de grond komt raken,
Tijm en marjolein te smaken?
Hoor 'k een geestenstem hier ruisen
In dat lisplend loverbruisen,
Om mij hoger moed te geven,
Mij met zoete lust te omzweven,
Om te smoren diepe zuchten
In een walm van amberluchten?
Iedre zenuw trilt en beeft mij.
Wat omgeeft mij? wat doorzweeft mij?
Ja! een geest is 't, die me omvademt,
Die mij lieflijk tegenademt!
Ik herken U, Englenbode!
In dit koeltje, dierbre Dode!

Winteravondrood. Deventer(1876)

 

Geschreven door Dora om 10:46 Reageer op dit bericht

lichaam

Een gedicht van Greet Mariën

Lichaam

lichaam
wees lief voor mij
wees bedding voor dit vreemd getwijnde leven

wuif naar mij met armen
vol schaterende bloemen
zodat ik je zonder schroom
een bondgenoot kan noemen

bolster mijn stoutste dromen
in vliezen van handgeschept papier
zodat ik ze kan wegblazen tot in de bomen
als ik de zonnewende vier

doe ook eens iets aan die schrale akkers
waarop mijn doemgedachten grazen
ze houden mijn vechtlust onder de plak
als stormen door mijn aders razen

en wieg mij
wieg mij heen en weer
wuif mij als de grashalmen
in de delta's van de zee

tot ik zo rimpelloos ben als een meer
dat het heelal kan dragen

envoi

en vergeet de wetten van de goede smaak
die je tot corpocide dwingen
ze zijn niet bestemd voor vrouwen in de maak
die door het leven willen swingen

Geschreven door Dora om 11:33 Reageer op dit bericht

ga

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Ga niet voorbij, maar blijf bij mij

Ga niet voorbij, maar blijf bij mij, en voel,
Wat Ik voel in het diepst van dit mijn wezen
Dat niets dan Gij mij nog iets liefs kan wezen
En alles òm u - zonder u - zoo koel,

Zo leeg, zo vreemd dat ik mij-zelf niet voel,
Wen ver van u - en 'k wens om weg te wezen,
Weg van mij-zelf, in 't land des doods, doods vrezen
Vergetend om de vrees voor 't donker koel

En doods gewoel des levens, dat in kringen
Rond-draait geduriglijk, en Ik draai mee,
Ach, ik, een klein arm ding in duizend dingen,
Met u geslingerd in één-zelfde dringen,
Wijl onze klare stemmen kalm als twee
Koralen uit het duister hoog-op zingen.

Verzen (1931)

 

Geschreven door Dora om 15:12 Reageer op dit bericht

dieren

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

De hond en de kat

De hond en de kat.
Wel hoe blaft gij zo, Kardoes?
Ha, 't is tegen onze poes.
Ze is u zeker weer ontlopen
En daar in de boom gekropen.
Nu, 't is goed, dat zij maar vlucht;
Want gij bijt haar soms geducht.

Poes bleef zitten op de tak,
Net als sliep ze op haar gemak;
Maar, toen vriend Kardoes ging lopen,
Deed zij gauw haar ogen open,
Sprong er af en liep naar huis,
Maar ving eerst op weg een muis.

Fabelen en gedichtjes (1873)

Geschreven door Dora om 11:32 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten