Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

wens

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Ik wense u

Ik wense u een jaar, dat zacht als zijde is ;
Ik wense u een jaar, dat blank en blijde is;
Ik wense u een jaar, dat ver van krank is,
Een deugdelijk jaar zo breed als ’t lang is;
Ik wense u een jaar, dat als ’t voorbij is,
Een zalig jaar voor u en mij is.

Jaarkrans (1893)

Geschreven door Dora om 12:06 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

manteling

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

In de manteling bij Domburg

In de spanne luwe stilte
In de wieg van ’t glooiend mos
Lig ik: boven vaart de zilte
Zeewind over ’t neigend bos.

Al de toppen wuiveblinken
In der zonne gouden lust,
Wijl de dorre bladers zinken
Om mij heen tot rosse rust.

IJle vogelvluchten rissen
Achter weemlend twijgenweb:
’t Zijn de meeuwen die gaan vissen
Met de wederkeer der eb...

Ieder jaar wordt sneller ouder,
Vroeger avondt elke dag,–
Maar mijn hoofd ligt aan uw schouder
En ik hoor uw harteslag.

Boven drijft het leven over,
En geen schijn of schaûw ontgaat:
Elke siddering in ’t lover
Spiegelt over uw gelaat.

Als een god die zou beluistren
Aards gerucht uit hemels vreê,
Hoor ik uwen adem fluistren
Door de stem van wind en zee

Geschreven door Dora om 16:57 Reageer op dit bericht

terreur

Een hartenkreet van An Terlouw. Mijn reactie op dez hartenkreet is dat een mens alleen maar oorlog is, mits de mens de vrede in het hart heeft gevonden bij de kribbe van Bethlehem! Zo'n vrede gaat alle verstand te boven...maar buiten dit alles is er geen ware vrede! We kunnen wel vredelievend van aard zijn! Dat wel! Maar de boze wil altijd zorgen voor een rel!

Terreur van Kerst

Gek eigenlijk dat
er een reden moet zijn,
om vrede te voeren,
gek eigenlijk
dat er maar 2 dagen
sprake is van vrede,
en juist op die dag
zijn er weer
van die rare dingen,
als
‘terreurverdachten
in Rotterdam opgepakt’
zijn vast mensen
die
niks met ‘vrede’ hebben!

Gek toch?


Geschreven door Dora om 10:37 Reageer op dit bericht

wintermorgen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Wintermorgen

De tuin is toegesneeuwd; 't gazon
Ligt onder 't hoge witte duin bedolven.
Maar veilig in hun warme strooien kolven
Wachten de rozen (en mijn hart wacht ook) de Zon!

't Is late nacht, de lamp brandt laag,
De ruiten glinstren van de blauwe koude,
En koel is 't hart, dat gaarne branden zoude
Van ongeduld naar Uwe komst. Vandaag?

O, nacht en morgen vloeien traag tezamen,
Ontberen en genieten smelt ineen,
Maar nòg heerst over ziel en de verbleekte ramen
Het grijzen van de schemering alleen.

Dan doet een licht de schaduw zwarten en versnellen.
Warmer en driftiger golft 't ongeduldig bloed.
Door de gestrekte stilte tinkelen de bellen.
Bij 't ijle dagen ijlt Ge ons tegemoet.

Verzamelde Gedichten, Nalezing VI (25-03-1925)

Geschreven door Dora om 11:30 Reageer op dit bericht

winteravonden

Een gedicht van B.W.A.E Sloet tot Oldhuis

LANGS DE DOORNENHAAG

Ja! ik min u, Doornenhagen!
In uw vrije, wilde groei,
Die wij na de winterdagen
In uw sneeuwwit reine bloei,
't Bruidskleed der natuur zien dragen,
Schoon nog 't woud ontbladerd staat.
Struikjes winnen 't van de bomen,
Immers 't oog reeds langs uw zomen
Groene plekjes gadeslaat.
Daar, in de eerst versierde struiken,
Door de zuiderlucht gekust,
Zien wij ook het eerst ontluiken
Mingekweel en liefdeslust,
Wordt ook 't eerste bruiloftsfeestje
Door de grasmus voorbereid,
En hoe netjes 't lieve beestje
Haartjes door zijn bruidsbed spreidt!
Nog een vrijer en een vrijster
Zitten aan elkaars zij,
Want ook reeds bepraat de lijster,
Waar 't hun veilig wonen zij.
De ekster, op een top verheven,
Waar de haag naar boven schiet,
Laat zijn schalkse blikken zweven,
Of zij hem een schuilplaats biedt,
Om zijn vesting in te bouwen
Met een kleine, open mond,
Waar hij ver in 't rond kan schouwen,
Of me' een aanval onderstond;
Straks vlecht hij een dak van doren,
voor zijn jeugdig broed beducht,
Dat geen havik 't wijfje storen,
't Kroost mocht voeren in de lucht.
Ras bekleedt hij als de wanden
Met een dikke brij van leem,
Wie hem hier durft aan te randen,
Stuit op een versterkte heem.
Snippers, linten gaat hij roven,
Waarom hij een ekster heet;
Om het kale broed te stoven
Wordt de wand er mee bekleed.-
Aan het kirren kan ik horen,
Dat het minziek veldhoen al
't Kuiltjen onder dichte doren
Tot zijn nest bereiden zal;
En nu zal 't niet lang meer duren,
Of het ruist hier in de haag,
In de dauwende ochtenduren,
Melodiën, hoog en laag,
Zachte, zaamgesmolten koren
Met verschil van toon en wijs.
Doe uw best dan! Laat u horen,
Vlasvink! Tukker! Merel! Sijs!
't Zachte rood der wilde rozen
Zien wij, waar de sneeuwbal pronkt,
Door de groene blaadjes blozen,
Van het eerste licht belonkt.
Kamperfoelie kleedt de randen
Langs de hele hage heen;
Winde hangt er in guirlanden;
Paarse wikke wiert dooréén.
Zulke bloemen, zulke zangen,
Stemmen 't hart tot poëzie,
Kweken een geheim verlangen
Naar een hoger harmonie.

Winteravondrood, de Lange, Deventer(1877)

 

Geschreven door Dora om 10:46 Reageer op dit bericht

naalden

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1839

VOL NAALDEN VLIEGT DE LUCHT

Vol naalden vliegt de lucht,
vol priemend ijsgekertel,
dat glinstert in de zon,
en, met de asemtocht
gezwolgen, kilt en kerft
de kele en ‘t haargespertel,
dat in de neuze temt
de toevoer van de lucht.

‘t Is bijtend koud. Een spree
van witheid, ongemeten,
‘t zij waar ge uwe ogen vlucht,
ligt overal gespreid;
‘t is snee tot in uw huis,
‘t komt snee door al de spleten;
‘t is snee, ‘t is immer snee,
en al sneeuwwittigheid.

De wind komt, wild en boos,
gesnoeid uit alle gaten;
geen ruste en wilt hij, eer
hij eenmaal weten zal
dat ‘t volk verdwenen is,
en hem wilt meester laten...
‘t Is bijster, bijtend koud,
en ‘t wintert overal.

-----------------------------------
priemend ijsgekertel - priemvormige ijskristallen
met de asemtocht - met de adem
’t haargespertel - verwarde neushaartjes
temt - hindert
spree - sprei
snee - sneeuw
gesnoeid - snijdend aangewaaid

Tijdkrans

Geschreven door Dora om 20:23 Reageer op dit bericht

vrouwen

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schaik, wel een lang gedicht maar het is wel toepasselijk voor deze goddelozen dagen in een wereld waar het Ware is vergaan!

De vrouwen van Holland klagen aan

De vrouwen van Holland klagen
Onze onderdrukkers aan:
‘Gij harteloze tirannen,
wat hebt ge met onze mannen
en onze zonen gedaan?
Ge haalt ze weg in de nachten
of bij 't eerste begin van de dag;
laadt ze in knarsende treinen,
verbant ze, waar, ver van de zijnen,
elk hunner lijdt bittere pijnen
onder de hakenkruisvlag.’

De meisjes van Holland klagen
de vreemde onderdrukkers aan:
‘Wat hebt ge met onze broeders
en onze verloofden gedaan?
Onze gedachten steig'ren
als we denken aan die laatste blik...
weer zien we al nader komen
als een monster dat aansluipt in angstdromen
dat bitterste ogenblik...’

De vrouwen van Holland klagen
zonder ophouden aan:
‘Wat hebt ge met onze kind'ren
onze meisjes en knapen gedaan?
Hun frisse appelwangen
worden wit, hun armen schraal;
het is of hun schouders hangen,
er klinkt iets schels door hun taal.
Zij schrikken in de voornacht wakker
en angstig hun oogjes staan:
‘Moeder die bom... in de akker.’
God zaaide in hen het leven,
Wij droegen ze in onze schoot;
Gods goedheid had z' ons gegeven
Hij zaaide in hen kiemen van leven;
Gij zaait in hen kiemen van dood.’

De vrouwen van Holland klagen
weder en wederom aan:
‘Hoe waagt aan onze ouden van dagen
g' uw roek'loze handen te slaan?
Ge jaagt z' uit vertrouwde woning
waar heel hun verleden z' omzweeft,
berooft van koest'rende zorgen
de ouderdom die geen morgen,
enkel een gisteren heeft.’

De vrouwen van Holland klagen
gestreng hun verdrukkers aan:
‘Wat hebt ge met onze arme
kranken van geest gedaan?
Kent ge dan zelfs geen erbarmen
met de slachtoffers van de waan?
Wij bouwden hun ruime verblijven
in schaduw van hoog geboomt
waar sterker worden de lijven
en de warre ziel vredig droomt;
wij leerden opnieuw hun de zegen
van d' arbeid, en de muziek
omzweefde hun donkere wegen
met haar milde stralende wiek.
Wat we bouwden in jaren, in dagen
breekt ge kwaadwillig af.
God zal u rekenschap vragen:
uw straf zult ge zekerlijk dragen
in de eeuwigheid van het graf.’

De vrouwen van Holland klagen
opnieuw d' onderdrukkers aan:
‘Wat hebt ge met onze steden,
onze trotse steden gedaan?
Door hun zonnige straten
joeg uw geweld, een orkaan
sloeg in hen kuilen en gaten,
liet armzalige geraamten slechts staan.’

De vrouwen van Holland klagen
de harde geweldenaars aan:
‘Onze bloeiende bloemvelden
zijn door u te niet gedaan.
hyacinten - hun zoetzware geuren
bedwelmen in 't jonge seizoen;
Tulpen, die vlammend beuren
hun kelk uit het zachte groen;
door de straten der volkrijke steden
trok de koopman zijn bonte vracht;
't armste vrouwtje naar huis bracht mede
een bos, waar de zon in lacht.
Ook dat beetje vreugd ging verloren,
heel het leven wordt dor en kaal,
Geef antwoord: wat hebt ge gedaan
met zo menig bossage?
niets dan stronken liet ge staan.
De eiken - der oude Germanen,
hoort ge, - heilige boom;
de statige beukenlanen
rijzend aan der buitens zoom.
De dennen, wier ruisen in de nachten
scheen de vraag van de zee aan het land,
dekkend met hun groene vrachten
het dorre, onvruchtbare zand.
God stuurde zon hun en regen
jaar op jaar dichter werd het net
der wortels langs paden en wegen;
het stuifzand werd vastgezet.
Nu liggen z' als dode dingen
ontzield, naast elkander neer;
nooit zal, wie nu leven, omzingen
het lommer der bossen meer.’

De vrouwen van Holland klagen
de eerloze rovers aan:
‘Wat deed ge met onze torens,
antwoordt: wat deed ge hun aan?
Hun bronzen monden zwijgen...
Waarom werden ze eensklaps stom,
roepen, op Zondagmorgen
ons niet meer naar Gods heiligdom;
troosten niet meer de benauwde
zielen, zingen zo zacht
voor hen, die doorweenden de nacht
hun troostlied, het lang vertrouwde?’

De vrouwen van Holland klagen
met sidderende stemmen aan:
‘Wat hebt ge met onze harten,
onze mensenharten gedaan?
Ge hebt ze doorpriemd en doorstoken,
ge stampt' ze in uw mortels tot gruis,
ge hebt ze geknauwd en gebroken,
ge nagelt ze aan het kruis; -
maar uw geweld kan niet maken
z' uw slaven, niet laf en niet klein,
niet ter aarde hen buigen
noch afhouden te getuigen
“Sursum Corda” - Zo moge het zijn.’

De vrouwen van Holland klagen,
er trilt iets nieuws in hun stem:
‘Hoe kunt ge zo zware schuld dragen?
Is in u dan geen rem
tegen dierlijke driften?
Hebt ge geen moeder, geen zonen;
kent ge geen ander feest
dan los te laten het beest
in u, om te bijten en te honen?
Kwam nooit in u op het verlangen
om, als tussen mensen ge gaat,
in een ander net u gevangen
te voelen, dan dat van de haat?
O, keer toch in tot uzelve
waar het vertwijfeld verstard!
Morgen wordt weder geboren
het Goddelijke Kind.
Ziet ge de ster niet gloren?
Kunt ge 't hemels gezang niet horen
dat zijn weg naar de aarde vindt?’


Wij ook, wij hebben van node
vergeving van zware schuld;
zondigden tegen hoge geboden,
waren van haat - en wrok vervuld.
Zouden we elkaar kunnen vergeven?
Dát voelen als zoete pijn?
O Geest, help dáárnaar ons streven,
heilig onze dood als ons leven,

Amen. - Zó moge het zijn.

24 December 1942.




Geschreven door Dora om 12:29 Reageer op dit bericht

psalm

Psalm 22 geschreven op de wijze van Marnix van sint Aldegonde. Een lijdenspsalm in de Kersttijd...

Psalm 22

Mijn God, mijn God, waarom verlaatstu mij?
Waaromme gaat mijn huilen dus voorbij,
Ver van dijn hulp en troost, als ik voor dij
Doe mijne klachten?
De hele dag roep ik uit ganse krachten,
En du, mijn God, en wilst daarop niet achten;
Ik hou niet op van schreien alle nachten,
En zwijge niet.

Daar du nochthans door 's werelds gans gebied
De heilge bist: Ja 't eeuwig lof en lied
Van Israël in alle zijn verdriet
Blijfstu genadig.
Dies hebben ook op dijne macht grootdadig
Ons ouders vrij vertrouwd; en du genadig
Hebs', Heer, verlost, uit alle lasten smadig,
In hare nood.

Als haar geschrei rees tot in dijnen schoot,
Du stondst hen bij, in alle wederstoot:
Zij hoopten vast, en werden niet schaamrood
In hun gebeden.
Maar ik ben slechts een aardworm hier beneden,
En gene man: van ieder man vertreden,
Zo dat het volk met mij, in alle reden,
De spot vast houdt.

 

Geschreven door Dora om 11:00 Reageer op dit bericht

verzen

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Drie verzen voor een dode I

De avond daalt;
er valt een vage schemer.
ik zoek de vrede die de dag mij nam;
en onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden
naar 't stille kerkhof waar ik na uw sterven
berooid en eenzaam iedre avond kwam.

waarom? ik weet te goed dat ik u niet kan wekken
en dat gij daar zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt;
dat ik aan deze steen niets kan onttrekken
van uwe staat van ongenaakbaarheid.

doden zijn ver en koud, en dichters eenzaam,
maar zij beluisteren elkanders lied; ik zing
en gij en ik worden opnieuw gemeenzaam;
zegen — en vloek der verhovaardiging.

schuw dus dit lied, vergeef het, blijf mij wachten;
bid voor mij al de dagen uwer eeuwigheid,
opdat mijn boot bij 't zwichten mijner krachten
niet nog in 't zicht der kust te pletter splijt.

Porta Nigra (1934)

Geschreven door Dora om 10:03 Reageer op dit bericht

sneeuwman

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

De sneeuwman

Zie zo, mijn kleine sneeuwman,
Nu ben je kant en klaar;
Maar 'k heb nog wat vergeten,
Een kuifje op je haar,
En dan dit korte pijpje....
Kom, open nu je mond,
Kijk, Piet, hij staat er heuzig
Of hij er jaren stond.

Het nachtegaaltje (1851)

Geschreven door Dora om 17:23 Reageer op dit bericht

geloven

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

‘Aan welke god gelooft ge dan toch?’

AAN welke god gelooft ge dan toch?’
Zo vroeg zij op angstige toon.
Aan onze lieve vrouw Venus, mijn kind,
En aan hare zalige zoon.

Vroege gedichten

Geschreven door Dora om 17:20 Reageer op dit bericht

sneeuwvlokjes

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Sneeuwvlokjes zijgen

Sneeuwvlokjes zijgen
rustig neder,
op de daken, op de twijgen,
maken laken en schoon weder.

Ik ging zo geern, heel ver te voete,
wist ik mijn zoete
in sneeuw te ontmoeten.

Het boek der liefde (1921)

Geschreven door Dora om 16:44 Reageer op dit bericht

luchtspiegeling

Een gedicht van B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis

DE LUCHTSPIEGELING

Een avondtoneeltje

Niets verbrak de zwoele stilte dan het nedersijplend nat
Van de vers gevallen regen;
Alle vogelkoren zwegen
In 't zacht druppelende lover langs ons eenzaam avondpad,
En de lijster schudt haar vlerkjes,
Droogt zich op de dorre rank,
Maar weerhoudt alsnog de tonen
Van haar schelle avonddank.

Helder lichtblaauw kleedt de hemel, met een witte glans vermengd.
Alle wolkjes zijn verdwenen;
't Daglicht heeft haast uitgeschenen;
Alles groent met frisse tinten, straks nog door de zon gezengd.
Mina! Mijd de kleine plasjes,
Die er ruisslen voor uw voet!
Zet wat minder wufte stapjes,
Dan gij wel gemeenlijk doet!

En nu sloegen wij de blikken naar 't doorschijnend wolkazuur.
God! Wat wonder! 't land met schoven,
't Groene bos zien wij daar boven,
Heel het landschap afgespiegeld met zijn kwijnend avondvuur.
Rundren weiden aan de hemel,
En langs zijn verlichte tin
Voert het paard de kar met garven
Rustig de open staldeur in.

En, haar blikken zacht beneveld door een wemelende traan,
Staart zij, in de ziel bewogen,
't Wonder aan van 's Hemels bogen.
"Mocht, dus zegt zij, 't heerlijk schouwspel in geen wolkjen ons ontgaan!
Maar al trekt ook 't aardse landschap
Aan des hemels trans voorbij,
Aarde en hemel smolten samen,
En dit smaakte ik aan uw zij."

Lieve! al wijkt in vorm en verwen de aarde van de hemel af,
Ik zie weer de hemel dalen
En in volle reinheid stralen
In de blauwe, smachtende ogen, die de goede God u gaf.
En wij drukten ons de handen,
En, in zoet gepeins verward,
Voerde 't paadje ons spraakloos verder
Met de hemel in het hart.

Winteravondrood, de Lange, Deventer(1877)

 

Geschreven door Dora om 16:50 Reageer op dit bericht

puur

Een hartenkreet van Wauters Kristine

PUUR

Van haar wordt gezegd : ze kneedt mannen als was.
Haar geheimjes te weten komen, dat ware pas kras.

Niet van lelijksten, toch nooit hoogmoedig, eerder lief
Nooit duur gekleed, wel originele combinaties, creatief.

Emancipatie, dat vindt ze maar niets
Met een wagen reed ze nooit, alles met die fijne fiets.

Mogelijk is ze nog een ' echte ' vrouw.
Ze bestaan nog, maar worden zeldzame pareltjes, ik rouw.

Welke oprechte man, zweeft niet bij zulk een hemels creatuur
Ik meen wel hele velen, wat gaat boven puur?

 

Geschreven door Dora om 16:46 Reageer op dit bericht

vogel

Een gedicht van Karel van Woestijne 1878-1929

Wat ben ik, dan een vogel

Wat ben ik, dan een vogel in de schemering?...
Ik ben verliefd, o mijne vrienden, en, wen ik zing,
hoor ik de avond-dauw uit zware beuken leken
en, dof geplets, de rillend-diepe stilte breken;
en - 't is of mijn geluid in mijne kele breekt...
Ben ik bedroefd? - Hoor hoe een nachtegaalke spreekt
mistroostig en gerust, met droeve en staêgen ijver,
gelijk de zang van dwalend-verre schapen-drijver.

De boom-gaard der vogelen en der vruchten (1903-1905)

 

Geschreven door Dora om 12:31 Reageer op dit bericht

mens

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Mephistopheles Epicureus

Ik zie de mens, maar ik begrijp hem niet: –
Hij eet van 't leven al wat lekker smaakt,
En proeft van ál zijn passies: zijn mond raakt
Iedere vrucht, die iedre hand hem biedt.

Hij zoekt in dronkenschap een droom, die vliedt,
In 't leven, – tot hij, moede en koud, ontwaakt,
Naakt en gebroken: op zijn lippen smaakt
Des levens droesem bitter als verdriet.

En dan noemt hij de wijn, die vreugde geeft –
Zijn passie – zonde, en nuchterzijn zijn deugd,
Daar hij zich dwaas dronk in een mooie droom,

En in het leven schijn zocht, die niet leeft.
Hij vleit zich met de erinn'ring zijner vreugd,
Maar durft geen appel proeven zonder schroom.

---------------------------------------------
Mephistopheles Epicureus - symbool voor de mens
met twee contrasterende gevoelswerelden

appel - symbool van kwaad en goed

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

gebroken

Een gedicht over de gebrokenheid van de samenleving!

Gebroken

 

De gebroken wereld

De wereld waar onvrede heerst

Een wereld waar het menselijk leed wordt verzwaard

Omdat men bezig is met dingen vanuit de onderaard

Dingen die niet passen in liefdevolle kringen

Maar het meest worden deze mensen omringd

Met een geest die niet zo is welgezind

Het leven verliest glans

En zo heeft men vaak een gemiste kans

Een kans om oprecht in vrede te kunnen wandelen

Maar de mensen misbruiken het goede handelen

En zo moet de liefde vaak in een hel wandelen

Omdat de leugen zo graag ver van de waarheid wil wandelen!

Zo krijgen we een gebroken bestaan

Dat eenieder verdeeld door het leven doet gaan

Leven met vaak heel veel pijn

Al  lijkt het voor de buitenwereld een schijn

Een schijn van gelukkig zijn

De medemens is soms het ravijn

Het ravijn van de ander

En zo vergaat menige levenswandel!

 

Geschreven door Dora om 13:32 Reageer op dit bericht

ontwaken

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

't Is me of ik uit een lange droom ontwaakte

't Is me of ik uit een lange droom ontwaakte;
weer slaan mij vreugdevlammen in 't gelaat,
en wat ik ál doorstond, in bittre haat,
gaat op in 't hoogtijdsvuur dat groots ontblaakte.
Hoe lang heb ik gedroomd - wie weet? het staat
geboekt op treurge bladen, - sinds daar kraakte
mijn ganse wezen en het leven staakte
zijn wondergang? - o bron van zoveel kwaad!
Maar 't is nog tijd: weer voel ik 't harte zwellen,
dat als een feestklok luidt, met volle klank,
en 't heerlijk lied van bede én hulde én dank,
uit vrije borst mij naar de lippen wellen,
als 't leven zelf, éénklank van smarte en vreugd,
- diepgolvende uiting van dees wondre jeugd!

Van Nu en Straks. Jaargang 2 (1897)

Geschreven door Dora om 11:25 1 reactie Reageer op dit bericht

zegger

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

De zegger van verzen

Luister: het zeggen van dit vers is zo
Dat het door middel van uw oor uw ziel
Moet aandoen met vreugd en zekerheid:
'Dit is voor mij geschreven'. Want ik weet
Dat alle verzen langs uw oor gaan als
Het ruizen van water of ‘t gedruis
Van bomen in de wind: een vaag geluid
Voor niemand in het bizonder en waaraan
Geen luistraar – ’t zij dan dat zijn eigen hart
Toevallig in een eendre toon beweegt -
Een mededeelbre zin ontraadselt. Maar
Juist zo wens ik dat nu uw hart de toon
Vindt van het mijne, zodat woord voor woord
U schijnt gesproken door uzelf. Want heel
Dit spreken volgt het plooien van uw mond,
Het kloppen van uw polsen, het gebeef
Van ‘t bloed in de aren. Dat ge dit verstaat
Is zeker, want het is uw eigen taal
Uw eigen hartklop en uw eigen oog.
En elk die dit verstaat verstaat elk vers.

Geschreven door Dora om 11:09 1 reactie Reageer op dit bericht

maneschijn

Een gedicht van B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis

DE MANESCHIJN IN 'T BOSCH

Daar buiten, waar de herder 't vee
Reeds naar de stal geleidt,
Is aan het effen luchtgewelf
Een grauwend kleed verspreid,
Dat alles, wat het land mocht tooien,
Omwikkelt in zijn brede plooien.

En boven trilt op 't bevend blad
Nog 't stervend avondgoud,
Maar 't rijzend maantje strooit zijn glans
Met handenvol door 't hout,
Dat ons de paden, droef en donker,
Beschildert met zijn lichtgeflonker.

Neen! 't Is geen dwarlende avondwind,
Die door de blaadren streeft,
Waardoor, met teder licht bespat,
En tak en lover beeft;
Gewis! 't zijn wreemlende Elvenscharen,
Die door het dicht geboomte waren.

Zij hipplen, tripplen op en neer,
En schommlen in het blad;
Zij dalen langs de stammen af
En dartlen op mijn pad,
Als of ze in mengeling van lichten,
Hun dartle rondedans verrichten.

Ik dool in een betoverd bos,
Waar een onzichtbre hand
Figuren in verscheiden vorm
Schetst op de loverwand;
'k Zie vooglen door de blaadren dwalen,
Hun vederdos van zilver stralen.

Ver achter gindse donkre stam
Zie ik een hinde staan;
Daar schrikt me een zilverblanke slang,
Die schuifelt op mijn paân;
Er zucht een koeltje om mij henen,
En alle vormen zijn uit énen.

Maar eensklaps straalt het weer in 't bos
Op ieder blad en tak,
Als dwaalden duizend sterren neer
Van 't hoge hemelvlak;
'k Sta in een tempel vol van glanzen,
Die aan de donkre wanden dansen.

Zou hier in 't bos 't betoverd slot
Der schone slaapster zijn,
Er sluimrend op het mollig dons
En kussens van satijn,
Daar honderd luchters om haar blaken,
Tot dat zij blijde zal ontwaken?

Kom, nadere ik met zachte tred,
En wat mij 't toeval biedt,
Het kalme schoon der frisse maagd
In sluimering bespied!
Dat boezemrijzen en weer dalen
Stil op de maat van 't ademhalen!

Een zwarte wolk befloerst de maan;
Met ritselend geruis
Stort ijlings het gebouw in één
Met gevelspits en kruis,
En heel 't begoochlend lichtgetover,
Is in zijn wondre flikkring over.

Winteravondrood, De Lange, Deventer(1877)

Geschreven door Dora om 12:58 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten