vlam

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940
Vlam
Schuimende morgen
en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
de opale dag.
Verzamelde gedichten (1941)

vlam
Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940
Schuimende morgen
en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
de opale dag.
Verzamelde gedichten (1941)

taal
Een gedicht van Hajaw Spandaw 1777-1855
Neen! Neêrland staat zijn taal niet af!
Wie God een Neêrlands harte gaf,
En zuiver Neêrlands bloed in de ad'ren,
Dat bruist voor de eer van 't vaderland,
Die zal dit erfgoed van zijn vad'ren
Waarderen als een heilig pand.
Ja, Neêrlands taal is een trezoor,
Welks schatten, met ondoofb're gloor,
De nagebuur in de ogen stralen;
Waarin de deugden, moed en kracht,
De blanke trouw en de eenvoud pralen
Van 't onverbasterd voorgeslacht.
Dit heiligdom van 't vaderland
Werd door uw zegenrijke hand,
o Hoofden! Vondels! ons ontsloten;
En heel een goudstroom, schitt'rend rijk,
Hebt gij voor Holland uitgegoten,
o Onnavolgb're Bilderdijk!
De glorie onzer heldeneeuw,
De moed van Neêrlands waterleeuw,
De glans van Neêrlands krijgsbanieren, -
't Blinkt all' voor ons, in volle praal;
Nog kraken Neêrlands eerlaurieren
In Neêrlands grootse heldentaal.
Zelfs in de zwarte gruwelnacht
Van schande, en vloek, en jammerklacht,
Vlood, voor een poos, het schriklijk duister:
Ja, Helmers zong... er rees een straal,
Een volle dag van licht en luister -
Dat was de zon van Neêrlands taal!
En nu - nu nacht en schand verdween;
Nu Neêrlands schildleeuw, als voorheen,
Met fierheid schudt de gouden manen;
Nu 's ad'laars klauw hem niet weerstaat,
En voor de glans van Neêrlands vanen
De maan van Mekka ondergaat;
Nu Neêrlands onbesmette Maagd
Weer schatting van de volken vraagt,
De zege aan onze standers snoerend';
Nu Neêrlands rijke en stoute taal,
Haar eigen glans ter tinne voerend',
Doet schitt'ren Neêrlands wapenpraal;
Nu zouden we, als een slavenstoet,
Versmadende eigen overvloed,
Ons met geleende lompen tooien?
En, op uitheemse klank verzot,
De mond naar vreemde tongval plooien?
En zijn der volken schimp en spot?
Neen! Neêrland staat zijn taal niet af!
Vloek tref' hem, die, verwijfd en laf,
Nog in het Frans gareel blijft stappen!
Wat bralt hij op de naam van VRIJ?
Wie vreemden slaafs poogt na te klappen,
Is rijp voor vreemde slavernij.
Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1817.

roerganger
Zal ik zijn als gij mij wenst,
Varend tussen weerzijds banken,
Als een schok de schuit doet wanken
En het schuim de plecht beplenst,
Leer mij dan altijd uw oog
Boven mij te zien en onder,
Als een weerzijds lokkend wonder,
Afgronddiep en hemelhoog.
Want de dreiging om en om
Kan ik dan getroost verduren,
Als door rechts of links te sturen
Ik bij u te lande kom.
Het zichtbaar geheim, W. Versluys, Amsterdam.(1915)

vaarwel
Vaarwel!- dat woord ligt op de lippen,
Vaarwel!- dat is zo licht gezeid.
Dat kan in stille treurigheid,
Bij kus en handdruk ons ontglippen.
Dat ligt in 't hart en op de lippen,
Wanneer men van elkander scheidt.
De tijd vervliegt, de jaren snellen,
't Verandert alles om ons heen,
Wat eenmaal eeuwigdurend scheen;
Maar wie toch kan de dromen tellen,
Gedachten, die ons harte kwellen
Met al 't verlangen naar 't verleên.
Vaarwel!- dat woord is onder vrinden
Zo vaak, zo onbedacht gezeid,
Wanneer men van elkander scheidt;
Maar 't wederzien, het wedervinden
Der diepbetreurden, die wij minden
Hoe lang soms en vergeefs verbeid!
Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

de mensWat is de mens? Zie hem in volle overvloed
Van aards geluk: zijn borst zal steeds onrustig zwoegen;
De toekomst, die hem vleit en zijn verbeelding voedt,
Vertoont nog hoger heil, belooft hem meer genoegen.
Zijn aanzien stijgt in top - zijn wens blijft onvoldaan;
Zijn roem, luidklinkend, heeft zijn eerzucht niet bevredigd;
Hij hijgt naar zinvermaak - de wellust lacht hem aan ...
En met een enkle teug heeft hij de kelk geledigd.
Hij streeft naar nieuw genot - en walgt, als hij 't ontvangt;
Hij dorst naar schatten - geeuwt, wanneer ze 't oog verblinden;
Hij hoopt en droomt en zwoegt en reikhalst en verlangt ...
Totdat hij in een groeve in 't einde de rust mag vinden.
Ontneem hem hoop en droom, begoocheling en schijn,
En hij houdt op een mens te zijn!
ijdelheid
Wij wandlen een poos over de aarde,
een ogenblik slechts, een kleine stond;
we gaan door de "levensgaarde"
en blijven een korte tijd ,"gezond",
we slapen, we praten en eten,
och, alles slechts een kleine wijl;
't is gauw weer verdwenen, vergeten...
Is 't leven geen snellende pijl?
Ei, straks was het klein knaapje jarig :
't was de tuinman die bloemen gaf .
Helaas, hoe is die vreugd voorbarig:
't zijn bloemen op het jonge graf...
Hoor onder die bomen de zuchten
en zoenen van 't jonge,lieve paar;
helaas, in het leven zijn kluchten!
Zij stierven vóór 't einde nog van 't jaar...
We leven op aard slechts een schijntje.
Weet gij wie het beteren zal?
God houdt ons aan 't eeuwige lijntje.
Zo raken de paarden op stal.
Verzen uit de oorlogstijd (1919)

kerk
(Canon)
Kling - klang! Kling - klang!
O - ver het woud
gal - men de klok-ken als Eng'-len - ge - zang,
Vlei - end met to nen van zil-ver en goud:
Kling- klang, kling - klang, kling - klang, klang!
Kling - klang! Kling - klang!
Sta - tig van stem roe - pen de klok-ken met stre-len - de drang:
Na - der, o na - der, o na-der tot Hem!
Kling- klang, kling - klang, kling - klang, klang!

zinspreuk
Ik bid alleen om licht....
Licht dat geen zwaarte heeft,
Licht aan het zwart ontzweefd,
Licht dat mijn kennis wijdt
Met zijn doorschijnendheid,
't Rijm en mijn maten draagt,
Dat wie ze leest zich vraagt,
's Avonds bij lampenschijn:
„Kan dit de dag al zijn?"
's Morgens bij zonnegloor:
„Volg ik een leeuwrikspoor?
Want 't wordt verblindend Licht
Voor mijn gezicht."
Herscheppingen (1916)

voltaireQui n'a pas l'esprit de son âge
De son âge a tout le malheur.
Voltaire.
Uit vaal bevachte hemel
dalen, dralen
lokken, vlokken in gewemel,
uit de grijs vervaalde hemel
glijen, vlijen
zachte vachten pluizen neer,
op de aarde, op de huizen,
op de bomen stil en meer...
zilvren bellen, die vertellen, zonder klank,
hermelijnen blank, rein en teer
wit geveer.
'k Ben gezeten voor mijn raam,
veilig in mijn stille woning
en mijn woning staat alleen;
'k ging van alle mensen heen
en mijn heengaan vond beloning;
met mijn dromen bleef ik saam.
'k Ben gezeten voor mijn raam
bij het sneeuwe-stille dalen,
'k zie, hoe kinderhanden halen
schuim van witte vacht bijeen,
om te bouwen met vertrouwen
hun kastelen
met kantelen en portalen,
'k zie in 't zilverbleke licht,
hoe het bouwen wordt verricht.
'k Wil verlaten nu de schouw en
zijn gouden lippenbrand,
fluisterend van het verleden,
zacht vergleden,
als een zeil aan kimmewand,
om hun vreugd van meer nabij,
om hun blijde klare lach,
'k wil hun licht geluid om mij
in de zilverwitte dag.
Uit egale vale hemel
dralen
vlokken, in gewemel,
om van sproken te verhalen.
Kindren, bouwers van paleizen,
hebt gij wel geteld,
dat wat smetloos nu verrijze
spoedig smelt?
Het verblindend blank der aarde
gaat in zonnebrand teloor,
kus, die kuislijk gij aanvaardde,
schroeit eenmaal der zinnen gloor.
Dan zult bevend gij aanschouwen
's werelds staat,
en de handen zult gij vouwen
voor 't beschroomd gelaat.
Kindren, broer en zusje hoor!
Eens krijgt 't woord zijn zin:
dat de mens te veel verloor
op het uur der eerste min! -
Zie, uit toegeschoven hemel,
't zachte donzen vacht gewemel
rond u stuiven,
als der veren val van onbesmette duiven.
Zie elkaar, Uzelve aan,
zie U staan,
rein van 't leven onverricht
in de zachte glans van 't ongekleurde licht.
Als het uur gekomen
is, dat de dag vernacht,
vindt d' herinn'ring Uwer dromen
dan op wacht:
hoe gij hier tezamen stond,
naast Uw sneeuwewit paleis,
met een glimlach op de mond, -
en aanvaardt de prijs,
als gij 't wereldhe wilt vloeken,
om de wereld, die gij vond,
om de mensen en hun boeken,
die, voor wie een uitkomst zoeken,
dan slechts zwijgen in verbond.
Stijgt met mij tot mijne woning,
ben ik beedlaar of een koning?
'k weet het niet;
't schoonste lied
vloeiend, als der bijen honing,
sla ik aan
sinds mijn stem is heengegaan,
en de mensheid leerd' ik minnen
toen mijn zinnen
donk're drangen
zich ontdeden van 't verlangen
en zich legden tot de rust.
Veel moet gij bij mij niet zoeken
'k heb wat trouwe oude boeken
en een tafel met wat brood,
'k heb de klare waterdrank
en een brede eiken bank;
mijn bezit is haast te groot
want nog warmer dan dees pij
is het machtig medelij
dat verglanst tot schone dingen
levens droefst' herinneringen.
'k Ben getreden tot de poort,
die mijn leven sluit
en ik spreek het laatste woord
met gerust geluid.
Grijsheid brengt de vrucht van 't leven,
als de tocht door donkre dreven
is volbracht;
als geen drift of blind begeren
waarheids heilig licht kan keren,
overstralend werelds nacht.
Mocht als leidstar op Uw wegen
't woord om U mijn mond ontstegen
vroom U blijven als gebed:
dat bezit wordt 't gulle geven
zo voor elke klop van 't leven
heel Uw hart zich openzet.
Ook voor U zal eens dan komen
schemer die U zacht omhangt
uur, waarin gij niets verlangt
dan het leven na te dromen.
De Gids (1919)
pubermeisje
Betoverend schoon leek haar lach
als ze opgeruimd de wereld inkeek
In haar hart hing halfstok een vlag
uiterlijk een blos en innerlijk bleek
Vrolijk lachend, zowat heel de dag
in die zo heerlijk warme zomerzon
Ze weende waar niemand haar zag
’s nachts in bed, in haar nachtpon
’s Morgens, weer als bij toverslag
ging ze giechelend op naar school
Eens alleen stierf dadelijk die lach
en stroomde schreiend in het riool
Ze was ‘t mooiste meisje overdag
zij danste als een prachtige godin
Iemand die goed in haar ogen zag
zag haar eenzaam verdriet daarin
Verborgen achter een schaterlach
kermde haar hart van onzekerheid
Ook zonder regen viel er neerslag
bij ‘t mooie meisje in de puberteit

eigendom
De koning spreekt: „Dat zijn mijn landen
Ik ben de Heer, ik draag de kroon
Dat zijn mijn bergen en mijn stromen
Dat is het erfdeel van mijn zoon"
De landheer zegt: „Deze velden waren
Ons eigendom van overoud
Mijn vader erfde van zijn moeder
Die weiden en dat donker woud"
Het knaapje toont de vogelkopjes
Half weggedoken onder 't mos
En zegt: „Dat nestje is het mijne
Ik heb 't gevonden in het bos"
Als moest de mens alleen bezitten,
Om eigenaar en Heer te zijn;
Als moest steeds de een aan de andren zeggen:
„Dit is het uwe en dat het mijn!
Aan wie behoort de sterrenhemel,
Aan wie behoort het ruim der zee?
Het morgenrood, de regenbogen
Een beeld van hoop, en heil, en vreé?
Aan wie de warme zonnestralen,
De wind, de wolken ginds omhoog?
Al wat de hand niet kan bereiken,
Wat wij bewondren met het oog?
Aan wie behoort 't geronk van 't vliegje,
Aan wie behoort des leeuwriks lied?
Het stil geritsel van de blaadren,
Of 't zachte murmlen van de vliet?
Aan hen, die in hun harte koestren
Een sprankje van het heilig vuur,
En die de stemmen horen kunnen,
De duizend stemmen der natuur.
Zij is 't die soms met vurige tinten,
Bij windrig weer het westen verft,
En die de pareldauw doet beven,
Aan 't spinnewebje in de herfst.
Aan hen behoort ze, die haar minnen
In 't dauwdropje en in 't avondrood,
Dit eigendom is zonder palen,
In 't eindloos klein en 't eindloos groot.
Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

vlinder en mier
Bij het lachend morgenkrieken
Zeide een vlinder, hups en fier
Aangesneld op bonte wieken,
Aan een arbeidzame mier:
‘Zie mijn vlerken!
Blijf maar werken;
Nergens zijt ge wellekom.
Waar ik vliege,
En mij wiege,
Volgen de ogen mij alom.’
't Miertje zweeg; maar, toegesprongen,
Greep, met rapgesloten hand,
Naar de vlinder reeds een jongen,
Roepend: ‘Ha, ik ving u, kwant.
O, hoe vonkelen
En hoe kronkelen
Al die kleuren onder een!
Welk een buitje!
Aardig guitje,
Gij ontvlucht me niet, o neen!’
't Miertje, onder 't kruid verdoken,
Sprak, wanneer 't de vlinder zag
Met een spelde 't lijf doorstoken:
‘Kan een kind zo wreed zijn, ach!
Wie zijn schoonheid
Zo ten toon spreidt,
Vaart ellendig menig keer.
Ik leef rustig,
Ik werk lustig;
Wat verlange een miertje meer?’
Gedichtjes voor kinderen (1849)

de zee
De zee, het enige leven dat strekt
Van begin tot einde
- Terwijl alle andre, voor kort gewekt,
Gedwee en weerloos verdwijnen -
Geeft in eeuwige breking
De grote, zachte verzekering
Dat, wanneer allen versterven, verstijven,
Zij bevallig zal blijven.
En als ik ga gehaast,
Genaderd en genaast
Door de jagende dood,
Hoor ik de troost
Van 't eendre golfgeruis,
Dat is als het vermengd gejuich
Van al haar schipbreuklingen, al haar meeuwen,
Aanbreken over de eeuwen,
Die mij verzwijgen en verteren.
Zij heeft geen andre vormen
Dan de borsten van haar golven,
En geen andre woorden dan de volle
Koren van haar branding en haar stormen.
Maar sidderend belijdt
Elk leven, hoe verfijnd
En schoon 't in 't licht verschijnt,
De wankele kortstondigheid
Van zijn bekoorlijkheid
Voor de geweldige eentonigheid van 't grootse
En de onsterflijke lieflijkheid van 't doodse.
Eerste verzen IV

terzinen
Er zijn veel dingen, die wij niet begrijpen,
het avond-rood en 't zingen van de wind,
het vreemd geluk, dat stil in mij gaat rijpen
als ik de spiegels van lief's ogen vind,
en uit de lage tuin de geur der rozen
door de verrukte nacht, waarin 'k haar heb bemind,
waarvan niets blijft dan dit éne, broze,
het weten dat we voor elkaar verloren gaan
en tot een korte poos geluk maar zijn verkozen,
zolang als wast de jonge zomer-maan,
tot als de ochtend schuchtert over landen
we als bleke vreemden naast elkander staan,
en tevergeefs het machteloos gebaar der handen
nog wat te redden van wat is geweest,
dat het door laat're dagen zacht mag branden,
een lichte lamp voor wie het duister vreest,
moed, die de kracht ons geeft te weren,
een troost en deernis allermeest -
maar alle uren brengen niet haar keren,
wij moeten verder met de roekeloze wind,
en schuilen nimmer veilig voor zijn deren,
voordat gij, God, Uw leen weer int!
Mei '24.
De Gids (1924)

verten
Met U zijn er geen verten meer
en alles is nabij.
Des levens aanvang glinstert weer,
geen gisteren en geen morgen meer,
geen tijd meer en geen uren,
geen grenzen en geen muren;
en alle angst voorbij,
verlost van schaduw en van schijn,
wordt pijn en smart tot vreugd verheven!
Hoe kan het zo eenvoudig zijn!
Hoe kan het leven Hemel zijn,
met U, o kern van alle leven!
Adagio

de dokter
God is de medicijn
Voor doodlijk hels venijn.
Is 't leven machteloos en krank
Men neemt een vieze of bit're drank,
Of 't lichaam weder mocht genezen:
Waarom dan voor een korte tijd,
Niet aangevaard wat bitterheid,
Om eeuwiglijk gezond te wezen.
Het menselyk bedryf (1694)

sotto voce
Zoveel soorten van verdriet
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.

gebed
O Heer, hoe vreeslijk zijn de dagen,
Nu heel de wereld schreeuwt van nood,
Naar uwen hemel waaien vlagen
Kreten om bloed, klachten om brood.
Gij geeft, en men verdelgt uw spijze,
Verwekt kunstmatig hongersnood,
En stilt op uitgezochte wijze
Wanhopigen met lust en dood.
De vlakten liggen braak en bloedig,
't Zaad en de zaaier sloeg terneér.
Boven de hitte van dit woedig
Geweld troont Gij in stilte, Heer.
Aan uwen voetschabel vergalmen
't Lawaai der stad, de eenzame kreet
Van hen, die met hun hulproep talmen,
Tot hen de dood opschreeuwen deed.
Slechts dit wekt uw genegen oren,
(Woordloos of stil, 't is eenerlei,)
't Uit ootmoed moeielijk geboren
Gebed : o Heer, gedenk aan mij!
Gij zult aan al uw volk gedenken,
Want één is wat uw Naam erkent.
O Wereldheer ! wie zal ons krenken
Als Gij de dood ten dode zendt?
Gij laat aards heerlijkheid tot scherven
Door aards opstandelingen slaan,
En moeten wij ook met hen sterven,
Wij zullen niet met hen vergaan.
Heer, hoor ! sta op ! en kom ter neder !
En uit 't verstuivend wereldpuin
Vorm ons als nieuwe mensen weder,
En laat ons leven in uw tuin.
-----------------------------
voetschabel: voetbankje
De stille tuin (1933)

gelatenheid
Gelatenheid in 't lot
Toont eerbied voor een God,
Die alles, wat Hij geeft,
Zo wijs berekend heeft.
Ziet zich de onnoozle mens
Gedwarsboomd in zijn wens,
Zijn wrevel stort zich luid
In zucht en weeklacht uit.
Grimt hem de rampspoed aan,
Hij krimpt reeds vóór het slaan,
En kermt zelfs de echo moe
Bij d' eerste slag der roe,
Alsof hem 't lot te wreed,
Te ondraaglijk lijden deed.
Slaat hem het ongeluk
De stugge nek in 't juk,
Zijn knieën knakken neer;
Geen adem rest hem meer.
Gesmaald door maag* en vrind,
Schreit hij zich de ogen blind,
En bidt het dove graf
Een haastige uitkomst af.
Kortzichtig schepsel! zwijg,
En voer geen dwaze krijg*
Met de onnaspeurbre Macht,
Die kruis bedeelt naar kracht,
Die kommer en ellend'
Uit hoge ontferming zendt,
Opdat de kroes der smart
Tot loutring strekk' van 't hart.
De straal vervaar' u niet,
Die de onweerswolk ontschiet;
En beef niet voor 't gerucht,
Dat klatert door de lucht;
Maar zie, hoe 't hemelnat
Weer bloesem, kelk en blad
Verfrist, verkwikt en drenkt,
En kracht en leven schenkt.
Zie, hoe de lucht reeds dunt,
En weer de doortocht gunt
Aan 't licht, dat goudstof strooit
En om de wolkrand plooit,
En, na de donder zwijgt,
Opnieuw ten wagen stijgt.
Houd tegen alle leed
Het hart ten kamp gereed!
Al, wat ooit de aarde gaf,
Verslenste en viel weer af.
De bloem, die 't meest verrukt,
Wordt dikwijls 't eerst geplukt;
De plant, die 't weligst groeit,
Is meest het eerst verbloeid;
De boom, die 't vruchtbaarst tiert,
Wordt door het ongediert'
De vruchten 't eerst ontroofd,
Die 't bloesemblad belooft.
Ook zo is 't met uw lot,
Ook zo met elk genot,
Dat ge u geschonken ziet:
Gij smaakt het, en het vliedt:
Gij zijt geen dag, geen uur
Gewaarborgd voor zijn duur;
Daar meest het eerst verdwijnt,
Wat u 't bekoorlijkst schijnt.
Houd tegen alle leed
Dan 't hart ten kamp gereed!
En treft u 't ongeval,
Sta als de steenrots pal,
Die tot in 't hart der aard'
Met d' ijzren wortel vaart,
En 't hoofd biedt aan d' orkaan,
Hoe fors zijn vlerk moog slaan.
Beur ongeschokt het oog
Vanuit de ramp omhoog,
En verg in 't smartlijk lot
Nooit rekenschap van God.
Let minder op 't gemis,
Dan 't geen u over is.
Wees dankbaar! want hoe veel
Blijft nog op aarde uw deel!
Hoe veel voor u ten baat,
Dat anderen ontstaat!
Hoe veel nog lacht u aan,
Voor andren lang vergaan!
En is uw droef gekwel
Niet vatbaar voor herstel?
Almachtig is de hand,
Die 't wentlend lot omspant,
En zoet en zuur bedeelt,
En, wat zij wondt, weer heelt!
Vertwijfel in 't verdriet,
Kortzichtig schepsel, niet!
Gelatenheid in 't lot
Toont eerbied voor een God,
Die alles, wat Hij geeft,
Zo wijs berekend heeft.
Rotterdam, mei 1819.
----------------------
maag - familie
krijg - oorlog, strijd

aarde
Aarde is zo schoon.
Eeuwige frisheid waait uit gras en dauw en lover.
Elke vogel slaat een eigen toon
door 't zwellend ruim.
De leeuwerik spant de kroon.
Aarde is zo schoon, zo schoon.
De hemel ziet haar aan
en buigt met wolken er over.
Van vreugde alle harten slaan
een juichgeluid.
De dichter spant de kroon.
Aarde is zo schoon, zo schoon, zo schoon!
Nagelaten gedichten (1937)
