Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

keizer

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

DE KEIZER

Hoog en stil, in 't glinsterend ijzer,
Boven volksgril - die hij haat -
Rijdt, als droomde hij, de Keizer
Dwars de davering door der straat.

Maar de spotschelm, eng ter slinker,
Schampert: "ken uw waarheid, dwaas!
Dood, die bittere verminker,
Schendt ook u tot, aanstonds, aas."

Smaad, als roem, maakt wijzen wijzer, -
Baat de schelm zijn hete spot?
De een blijft, onverlet, de Keizer,
De andere een naamloze onder 't rot.

Herwaarts(1920 - 1945)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:12 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

lied

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Het eigen lied

Ik was een knaap, die alle Joodse dagen
Van vasten en van vreugd eerbiedig hield.
Zijn dagen veilig voor angstige vragen,
Al zijn verlangen door vroomheid bezield.

Ik werd een man. Wie kent het zalig dwalen
Langs vrije wegen als ik heb gekend?
Van des ochtends vóór de open uren stralen,
Tot de zon zich naar 't weemlend Westen wendt.

Ik was een man, Ik heb het lied gezongen,
Waar de weg rust, dat het rusten verblijdt,
Meer dan één heb ik mijn makkers gedwongen
Met de macht van het lied tot heerlijkheid.

Tot ik bezon van al mijn machtig dwalen,
En keerde, een zware en diep-wroegende keer.
Maar zó vertrouwd als 't eigen ademhalen
Bleef mij mijn lied, niet luid, maar stil en teer.

En 't eigen land herdacht ik met verlangen,
Terwijl mijn lied sterk en bezonnen zwol.
Als de druiven, die in zijn gaarden hangen,
En zetten zich aan al hun ranken vol.

Tot ik keerde en onze eindlijke overwinning,
In onze Stad hier elke dag verwacht.
't Lied van verlangen, het lied van bezinning,
Maar 't overwinnend lied wint meest aan macht.

Zeg alles, wat gij weet aan innigheid,
Liefde, vriendschap, een moeder met haar kind,
Het is alles toch niets bij de innigheid,
Die een Dichter in het eigen lied vindt.

Want het eigen lied is de Dichter nader
Dan het eigen bloed in het bonzend hart.
Het leven voert langs vriend en langs verrader,
Het lied verlaat niet in vreugden en smart.

O, lied, dat mij langs verlangen geleidde,
Dat mij geleidde langs boetende keer,
Zult gij tot mijne Dood mijn hart verblijden,
Met een vroom spel en een bezonnen leer?

Het eigen lied in 't eigen land te zingen,
En zalig drinken van zijn volle lust.
Eén is het lied van de herinneringen,
Van verlangen, van bezinning en rust.

Het Joodsche Lied, Boek 2 (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

oogst

Een gedicht van Rosalie Loveling 1836-1923

In de oogst

Zij stonden op het akkerland
Zij maaiden in de zonnebrand
En zongen bij het werk
De lastige arbeid wordt een feest
Voor hen die jong en licht van geest
En moedig zijn en sterk

Daar kwam de landheer langs de beek
De schouders hoog de wangen bleek:
Hij zocht de schaduw daar.
Hij groette licht en ging voorbij
Gezang en arbeid staakten zij
En wezen hem elkaar.

Die man gevoelde zich zo fier
Hij dacht „dat zijn mijn velden hier
En ginder rijst mijn slot.
Wis knaagt de nijd u in 't gemoed
Gij die op aarde zwoegen moet
Gij vloekt gewis uw lot."

Toen zei er een met stille stem
„Wie ruilde zegt van ons met hem?"
En allen lachten. Geen
Aan wie zo 'n leven zonder vreugd
Aan wie de rijkdom zonder jeugd
Benijdenswaardig scheen.

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

Illustratie: De korenoogst (1565) door Pieter Bruegel

schrijver

Geschreven door Dora om 09:55 Reageer op dit bericht

winternacht

Een gedicht van Frederik Hemkes 1854-1887

IN ENE WINTERNACHT

Op bergen had de winter hoog
Zijn witte vaan geplant,
En zag met koud en glinsterend oog
Omlaag op 't groene land.

Dáár rustte gouden zonnegloed
Op 't langgepluimde gras;
Dáár toefden warmte en overvloed,
Alsof het zomer was.

Of was de lucht niet blauw en klaar,
Al kromp de blijde dag?
Geen bloempje nam de vijand waar,
Die op de hoogten lag, -

Eer, in het grauwe nevelkleed,
Dat kilheid met zich droeg,
De berggeest van zijn sterkte gleed,
En kleur en geur verjoeg.

Wat lente koesterde in haar schoot,
Wat heel een zomer bracht,
En herfstmaand spaarde, werd gedood
In éne winternacht.

Astrea, 1(1881)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:50 Reageer op dit bericht

omgang

Een gedicht van W.L. Penning 1841-1924

Onzichtbare omgang

Heen zonder afscheid en nooit weer te vinden —
'Dood' heet men u, mij eenzaam jaren reeds;
Blijde onafscheid'lijk trouwe vrinden —
Heet ons mijn eigen hart, zo zonnig leeft ge er steeds!

Levensavond (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 09:52 Reageer op dit bericht

woestijn

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

HOE LOOPT DE WEG DOOR DE WOESTIJN ?

Hoe loopt de weg door de woestijn
naar Uw Beloofde Landen?
Er is veel dorst, er is veel pijn,
maar weinig troost voorhanden.
Wij kwamen in 't begin der wegen
de kloeke druivendragers tegen,
en vroegen toen reeds: Is 't nog ver ?
Zij wezen met kort duimgebaar,
alsof het nog een boogscheut waar,
naar d' Avondster.
En 't land werd niet gevonden.
Maar 't heimwee blijft, spijts twijfel, nood
en ijdelheid en zonde.
Begint het soms in 't aanschijn van de dood?
Men zegt: Wie God wil zien moet sterven...
Of loopt de weg doorheen de grot
van onze ziel, waarin Gij waakt, mijn God?
Dan valt de schone hoop in scherven,
want dan begint de weg van her...
Dan was het nooit zo na, mijn God,
maar ach, ook nooit zo ver!

schrijver

Geschreven door Dora om 09:59 Reageer op dit bericht

vlam

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Vlam

Schuimende morgen

en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
de opale dag.

Verzamelde gedichten (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:30 Reageer op dit bericht

taal

Een gedicht van Hajaw Spandaw 1777-1855

De Nederlandse taal.

Neen! Neêrland staat zijn taal niet af!
Wie God een Neêrlands harte gaf,
En zuiver Neêrlands bloed in de ad'ren,
Dat bruist voor de eer van 't vaderland,
Die zal dit erfgoed van zijn vad'ren
Waarderen als een heilig pand.

Ja, Neêrlands taal is een trezoor,
Welks schatten, met ondoofb're gloor,
De nagebuur in de ogen stralen;
Waarin de deugden, moed en kracht,
De blanke trouw en de eenvoud pralen
Van 't onverbasterd voorgeslacht.

Dit heiligdom van 't vaderland
Werd door uw zegenrijke hand,
o Hoofden! Vondels! ons ontsloten;
En heel een goudstroom, schitt'rend rijk,
Hebt gij voor Holland uitgegoten,
o Onnavolgb're Bilderdijk!

De glorie onzer heldeneeuw,
De moed van Neêrlands waterleeuw,
De glans van Neêrlands krijgsbanieren, -
't Blinkt all' voor ons, in volle praal;
Nog kraken Neêrlands eerlaurieren
In Neêrlands grootse heldentaal.

Zelfs in de zwarte gruwelnacht
Van schande, en vloek, en jammerklacht,
Vlood, voor een poos, het schriklijk duister:
Ja, Helmers zong... er rees een straal,
Een volle dag van licht en luister -
Dat was de zon van Neêrlands taal!

En nu - nu nacht en schand verdween;
Nu Neêrlands schildleeuw, als voorheen,
Met fierheid schudt de gouden manen;
Nu 's ad'laars klauw hem niet weerstaat,
En voor de glans van Neêrlands vanen
De maan van Mekka ondergaat;

Nu Neêrlands onbesmette Maagd
Weer schatting van de volken vraagt,
De zege aan onze standers snoerend';
Nu Neêrlands rijke en stoute taal,
Haar eigen glans ter tinne voerend',
Doet schitt'ren Neêrlands wapenpraal;

Nu zouden we, als een slavenstoet,
Versmadende eigen overvloed,
Ons met geleende lompen tooien?
En, op uitheemse klank verzot,
De mond naar vreemde tongval plooien?
En zijn der volken schimp en spot?

Neen! Neêrland staat zijn taal niet af!
Vloek tref' hem, die, verwijfd en laf,
Nog in het Frans gareel blijft stappen!
Wat bralt hij op de naam van VRIJ?
Wie vreemden slaafs poogt na te klappen,
Is rijp voor vreemde slavernij.

Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1817.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:43 1 reactie Reageer op dit bericht

roerganger

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

DE ROERGANGER

Zal ik zijn als gij mij wenst,
Varend tussen weerzijds banken,
Als een schok de schuit doet wanken
En het schuim de plecht beplenst,

Leer mij dan altijd uw oog
Boven mij te zien en onder,
Als een weerzijds lokkend wonder,
Afgronddiep en hemelhoog.

Want de dreiging om en om
Kan ik dan getroost verduren,
Als door rechts of links te sturen
Ik bij u te lande kom.

Het zichtbaar geheim, W. Versluys, Amsterdam.(1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:51 1 reactie Reageer op dit bericht

vaarwel

Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923

Vaarwel en wederzien

Vaarwel!- dat woord ligt op de lippen,
Vaarwel!- dat is zo licht gezeid.
Dat kan in stille treurigheid,
Bij kus en handdruk ons ontglippen.
Dat ligt in 't hart en op de lippen,
Wanneer men van elkander scheidt.

De tijd vervliegt, de jaren snellen,
't Verandert alles om ons heen,
Wat eenmaal eeuwigdurend scheen;
Maar wie toch kan de dromen tellen,
Gedachten, die ons harte kwellen
Met al 't verlangen naar 't verleên.

Vaarwel!- dat woord is onder vrinden
Zo vaak, zo onbedacht gezeid,
Wanneer men van elkander scheidt;
Maar 't wederzien, het wedervinden
Der diepbetreurden, die wij minden
Hoe lang soms en vergeefs verbeid!

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:10 Reageer op dit bericht

de mens

Een gedicht van Hajo Spandaw 1777-1855

De mens

Wat is de mens? Zie hem in volle overvloed
Van aards geluk: zijn borst zal steeds onrustig zwoegen;
De toekomst, die hem vleit en zijn verbeelding voedt,
Vertoont nog hoger heil, belooft hem meer genoegen.
Zijn aanzien stijgt in top - zijn wens blijft onvoldaan;
Zijn roem, luidklinkend, heeft zijn eerzucht niet bevredigd;
Hij hijgt naar zinvermaak - de wellust lacht hem aan ...
En met een enkle teug heeft hij de kelk geledigd.
Hij streeft naar nieuw genot - en walgt, als hij 't ontvangt;
Hij dorst naar schatten - geeuwt, wanneer ze 't oog verblinden;
Hij hoopt en droomt en zwoegt en reikhalst en verlangt ...
Totdat hij in een groeve in 't einde de rust mag vinden.
Ontneem hem hoop en droom, begoocheling en schijn,
En hij houdt op een mens te zijn!

Geschreven door Dora om 11:07 Reageer op dit bericht

ijdelheid

Een gedicht van Karel van den Oever 1879-1926

IJdelheid

Wij wandlen een poos over de aarde,
een ogenblik slechts, een kleine stond;
we gaan door de "levensgaarde"
en blijven een korte tijd ,"gezond",

we slapen, we praten en eten,
och, alles slechts een kleine wijl;
't is gauw weer verdwenen, vergeten...
Is 't leven geen snellende pijl?

Ei, straks was het klein knaapje jarig :
't was de tuinman die bloemen gaf .
Helaas, hoe is die vreugd voorbarig:
't zijn bloemen op het jonge graf...

Hoor onder die bomen de zuchten
en zoenen van 't jonge,lieve paar;
helaas, in het leven zijn kluchten!
Zij stierven vóór 't einde nog van 't jaar...

We leven op aard slechts een schijntje.
Weet gij wie het beteren zal?
God houdt ons aan 't eeuwige lijntje.
Zo raken de paarden op stal.

Verzen uit de oorlogstijd (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:01 1 reactie Reageer op dit bericht

kerk

Een gedicht van Antony Winkler Prins 1849-1904

De kerk in 't bos.

(Canon)


Kling - klang! Kling - klang!

O - ver het woud
gal - men de klok-ken als Eng'-len - ge - zang,
Vlei - end met to nen van zil-ver en goud:

Kling- klang, kling - klang, kling - klang, klang!

Kling - klang! Kling - klang!
Sta - tig van stem roe - pen de klok-ken met stre-len - de drang:

Na - der, o na - der, o na-der tot Hem!

Kling- klang, kling - klang, kling - klang, klang!

schrijver

Geschreven door Dora om 10:06 1 reactie Reageer op dit bericht

zinspreuk

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Zinspreuk

Ik bid alleen om licht....
Licht dat geen zwaarte heeft,
Licht aan het zwart ontzweefd,
Licht dat mijn kennis wijdt
Met zijn doorschijnendheid,
't Rijm en mijn maten draagt,
Dat wie ze leest zich vraagt,
's Avonds bij lampenschijn:
„Kan dit de dag al zijn?"
's Morgens bij zonnegloor:
„Volg ik een leeuwrikspoor?
Want 't wordt verblindend Licht
Voor mijn gezicht."

Herscheppingen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:25 Reageer op dit bericht

voltaire

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940
Neem even de tijd want het is heel veel waars wat hier voorbij glijdt!

Als geen drift of blind begeren...

Qui n'a pas l'esprit de son âge
De son âge a tout le malheur.

Voltaire.


Uit vaal bevachte hemel
dalen, dralen
lokken, vlokken in gewemel,
uit de grijs vervaalde hemel
glijen, vlijen
zachte vachten pluizen neer,
op de aarde, op de huizen,
op de bomen stil en meer...
zilvren bellen, die vertellen, zonder klank,
hermelijnen blank, rein en teer
wit geveer.

'k Ben gezeten voor mijn raam,
veilig in mijn stille woning
en mijn woning staat alleen;
'k ging van alle mensen heen
en mijn heengaan vond beloning;
met mijn dromen bleef ik saam.

'k Ben gezeten voor mijn raam
bij het sneeuwe-stille dalen,
'k zie, hoe kinderhanden halen
schuim van witte vacht bijeen,
om te bouwen met vertrouwen
hun kastelen
met kantelen en portalen,
'k zie in 't zilverbleke licht,
hoe het bouwen wordt verricht.

'k Wil verlaten nu de schouw en
zijn gouden lippenbrand,
fluisterend van het verleden,
zacht vergleden,
als een zeil aan kimmewand,
om hun vreugd van meer nabij,
om hun blijde klare lach,
'k wil hun licht geluid om mij
in de zilverwitte dag.

Uit egale vale hemel
dralen
vlokken, in gewemel,
om van sproken te verhalen.

Kindren, bouwers van paleizen,
hebt gij wel geteld,
dat wat smetloos nu verrijze
spoedig smelt?

Het verblindend blank der aarde
gaat in zonnebrand teloor,
kus, die kuislijk gij aanvaardde,
schroeit eenmaal der zinnen gloor.
Dan zult bevend gij aanschouwen
's werelds staat,
en de handen zult gij vouwen
voor 't beschroomd gelaat.
Kindren, broer en zusje hoor!
Eens krijgt 't woord zijn zin:
dat de mens te veel verloor
op het uur der eerste min! -
Zie, uit toegeschoven hemel,
't zachte donzen vacht gewemel
rond u stuiven,
als der veren val van onbesmette duiven.

Zie elkaar, Uzelve aan,
zie U staan,
rein van 't leven onverricht
in de zachte glans van 't ongekleurde licht.
Als het uur gekomen
is, dat de dag vernacht,
vindt d' herinn'ring Uwer dromen
dan op wacht:
hoe gij hier tezamen stond,
naast Uw sneeuwewit paleis,
met een glimlach op de mond, -
en aanvaardt de prijs,
als gij 't wereldhe wilt vloeken,
om de wereld, die gij vond,
om de mensen en hun boeken,

die, voor wie een uitkomst zoeken,
dan slechts zwijgen in verbond.

Stijgt met mij tot mijne woning,
ben ik beedlaar of een koning?
'k weet het niet;
't schoonste lied
vloeiend, als der bijen honing,
sla ik aan
sinds mijn stem is heengegaan,
en de mensheid leerd' ik minnen
toen mijn zinnen
donk're drangen
zich ontdeden van 't verlangen
en zich legden tot de rust.

Veel moet gij bij mij niet zoeken
'k heb wat trouwe oude boeken
en een tafel met wat brood,
'k heb de klare waterdrank
en een brede eiken bank;
mijn bezit is haast te groot
want nog warmer dan dees pij
is het machtig medelij
dat verglanst tot schone dingen
levens droefst' herinneringen.

'k Ben getreden tot de poort,
die mijn leven sluit
en ik spreek het laatste woord
met gerust geluid.

Grijsheid brengt de vrucht van 't leven,
als de tocht door donkre dreven
is volbracht;
als geen drift of blind begeren
waarheids heilig licht kan keren,

overstralend werelds nacht.

Mocht als leidstar op Uw wegen
't woord om U mijn mond ontstegen
vroom U blijven als gebed:
dat bezit wordt 't gulle geven
zo voor elke klop van 't leven
heel Uw hart zich openzet.

Ook voor U zal eens dan komen
schemer die U zacht omhangt
uur, waarin gij niets verlangt
dan het leven na te dromen.

De Gids (1919)


 
Geschreven door Dora om 11:32 Reageer op dit bericht

pubermeisje

Een hartenkreet van Ton Rijkers

PUBERMEISJE

Betoverend schoon leek haar lach
als ze opgeruimd de wereld inkeek
In haar hart hing halfstok een vlag
uiterlijk een blos en innerlijk bleek

Vrolijk lachend, zowat heel de dag
in die zo heerlijk warme zomerzon
Ze weende waar niemand haar zag
’s nachts in bed, in haar nachtpon

’s Morgens, weer als bij toverslag
ging ze giechelend op naar school
Eens alleen stierf dadelijk die lach
en stroomde schreiend in het riool

Ze was ‘t mooiste meisje overdag
zij danste als een prachtige godin
Iemand die goed in haar ogen zag
zag haar eenzaam verdriet daarin

Verborgen achter een schaterlach
kermde haar hart van onzekerheid
Ook zonder regen viel er neerslag
bij ‘t mooie meisje in de puberteit

schrijver

Geschreven door Dora om 10:11 2 reacties Reageer op dit bericht

eigendom

Een gedicht van Roselie Loveling 1836-1923

Het eigendom

De koning spreekt: „Dat zijn mijn landen
Ik ben de Heer, ik draag de kroon
Dat zijn mijn bergen en mijn stromen
Dat is het erfdeel van mijn zoon"

De landheer zegt: „Deze velden waren
Ons eigendom van overoud
Mijn vader erfde van zijn moeder
Die weiden en dat donker woud"

Het knaapje toont de vogelkopjes
Half weggedoken onder 't mos
En zegt: „Dat nestje is het mijne
Ik heb 't gevonden in het bos"

Als moest de mens alleen bezitten,
Om eigenaar en Heer te zijn;
Als moest steeds de een aan de andren zeggen:
„Dit is het uwe en dat het mijn!

Aan wie behoort de sterrenhemel,
Aan wie behoort het ruim der zee?
Het morgenrood, de regenbogen
Een beeld van hoop, en heil, en vreé?

Aan wie de warme zonnestralen,
De wind, de wolken ginds omhoog?
Al wat de hand niet kan bereiken,
Wat wij bewondren met het oog?

Aan wie behoort 't geronk van 't vliegje,
Aan wie behoort des leeuwriks lied?
Het stil geritsel van de blaadren,
Of 't zachte murmlen van de vliet?

Aan hen, die in hun harte koestren
Een sprankje van het heilig vuur,
En die de stemmen horen kunnen,
De duizend stemmen der natuur.

Zij is 't die soms met vurige tinten,
Bij windrig weer het westen verft,
En die de pareldauw doet beven,
Aan 't spinnewebje in de herfst.

Aan hen behoort ze, die haar minnen
In 't dauwdropje en in 't avondrood,
Dit eigendom is zonder palen,
In 't eindloos klein en 't eindloos groot.

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:12 Reageer op dit bericht

vlinder en mier

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

De vlinder en de mier.

Bij het lachend morgenkrieken
Zeide een vlinder, hups en fier
Aangesneld op bonte wieken,
Aan een arbeidzame mier:
‘Zie mijn vlerken!
Blijf maar werken;
Nergens zijt ge wellekom.
Waar ik vliege,
En mij wiege,
Volgen de ogen mij alom.’

't Miertje zweeg; maar, toegesprongen,
Greep, met rapgesloten hand,
Naar de vlinder reeds een jongen,
Roepend: ‘Ha, ik ving u, kwant.
O, hoe vonkelen
En hoe kronkelen
Al die kleuren onder een!
Welk een buitje!
Aardig guitje,
Gij ontvlucht me niet, o neen!’

't Miertje, onder 't kruid verdoken,
Sprak, wanneer 't de vlinder zag
Met een spelde 't lijf doorstoken:
‘Kan een kind zo wreed zijn, ach!
Wie zijn schoonheid
Zo ten toon spreidt,
Vaart ellendig menig keer.
Ik leef rustig,
Ik werk lustig;
Wat verlange een miertje meer?’

Gedichtjes voor kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:14 Reageer op dit bericht

de zee

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

De zee

De zee, het enige leven dat strekt
Van begin tot einde
- Terwijl alle andre, voor kort gewekt,
Gedwee en weerloos verdwijnen -
Geeft in eeuwige breking
De grote, zachte verzekering
Dat, wanneer allen versterven, verstijven,
Zij bevallig zal blijven.

En als ik ga gehaast,
Genaderd en genaast
Door de jagende dood,
Hoor ik de troost
Van 't eendre golfgeruis,
Dat is als het vermengd gejuich
Van al haar schipbreuklingen, al haar meeuwen,
Aanbreken over de eeuwen,
Die mij verzwijgen en verteren.

Zij heeft geen andre vormen
Dan de borsten van haar golven,
En geen andre woorden dan de volle
Koren van haar branding en haar stormen.
Maar sidderend belijdt
Elk leven, hoe verfijnd
En schoon 't in 't licht verschijnt,
De wankele kortstondigheid
Van zijn bekoorlijkheid
Voor de geweldige eentonigheid van 't grootse
En de onsterflijke lieflijkheid van 't doodse.

Eerste verzen IV

schrijver

Geschreven door Dora om 09:34 Reageer op dit bericht

terzinen

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Terzinen

Er zijn veel dingen, die wij niet begrijpen,
het avond-rood en 't zingen van de wind,
het vreemd geluk, dat stil in mij gaat rijpen

als ik de spiegels van lief's ogen vind,
en uit de lage tuin de geur der rozen
door de verrukte nacht, waarin 'k haar heb bemind,

waarvan niets blijft dan dit éne, broze,
het weten dat we voor elkaar verloren gaan
en tot een korte poos geluk maar zijn verkozen,

zolang als wast de jonge zomer-maan,
tot als de ochtend schuchtert over landen
we als bleke vreemden naast elkander staan,

en tevergeefs het machteloos gebaar der handen
nog wat te redden van wat is geweest,
dat het door laat're dagen zacht mag branden,

een lichte lamp voor wie het duister vreest,
moed, die de kracht ons geeft te weren,
een troost en deernis allermeest -

maar alle uren brengen niet haar keren,
wij moeten verder met de roekeloze wind,
en schuilen nimmer veilig voor zijn deren,

voordat gij, God, Uw leen weer int!


Mei '24.

De Gids (1924)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:22 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten