Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

maart

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Maart. –  Dondermaand

Blaast het maartse hels gewaai
Van de bomen ’t nest der kraai,
Nimmer laat de kraai de moed,
Maar herbouwt het nest met spoed.
Wakkert de gespelen aan,
Die elkander goed verstaan.
Moedig zijn is liefde en troost.

’t Haasje schuw verkeert in nood:
Overal, ai, loert de dood.
Jager, strop en snuffelhond
Drijven het zo aaklig rond...
Doch het haasje knap en rap,
Loopt totdat het hen ontsnapp’...
Rap zijn is, ja, levenswinst.

Door de sterbeglansde nacht,
Wem de melkweg weemlend lacht,
Vliegen wilde ganzen heen,
Als een zwerm, gesplitst in tweên;
Vluchtend ons moerassig land,
Zoeken zij een ander strand.
Waar de plicht dwingt, zoek, ge vindt.

Zie hoe ’t elzenboomke zacht
Ginds beschermt de groene gracht;
’t Spiegelt zich in ’t water...ziet
Naar het spichtig schuiflend riet...
Elzen-slingerkatjes  ruw
Hangen neerwaarts droef en schuw ...
Waar gevoel is, daar is ziel.

Liederen voor groote en kleine kinderen (1879)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van V. de Meyere 1873-1938

 

Ik voel het leven in een vloed van zangen

Ik voel het leven in een vloed van zangen
met wanhoopswieken om mij henenslaan,
'k voel 't wilde leven mij het harte prangen
en rozedromen in dat hart vergaan.

Arm kinderhart! bang-turend in 't verlangen,
smart-glinstrend ziet het levenslicht u aan;
laat mij in eenzaamheid uw schoon erlangen
opdat ik moge in bloesems openslaan.

Een duistre nacht die wuift de ziel mij open
en moe-gepeinsde dromen balsmen zacht
dit willend hart, stervend in willoos hopen.

Dood staart mijn blik in schitter-starrenogen...
Ach! zoveel licht heb 'k dronken ingezogen
dat 'k lichtend sterf, in schaduwrijke nacht!

Van Nu en Straks. Jrg 2 (1894)  

schrijver

Geschreven door Dora om 22:48 Reageer op dit bericht

slapen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Hoe kunt ge slapen?

De nachtwind huppelt langs de vloed
En draagt mijn groet
Naar 't huis der Allerliefste mijn:
Hoe kunt ge slapen, maagdelijn?

Een parelwitte maneschijn
Spreidt op het meer zijn zilvren gloed,
Spreidt schaduw op uw blank gordijn; -
De schaduw van het breed geboomt
Waaronder 't oog geen spieders schroomt...
Hoe kunt ge slapen, maagdelijn?

Of is het dat ge van mij droomt?
Dan zou het u vergeven zijn!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:17 Reageer op dit bericht

op de roos

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Op de roos

Mij lust de Lent', die bloemgewassen draagt,
De Lenteroos, die Goôn en mens behaagt;
't Aanminnigste versiersel voor een Maagd,
Ter eer' te zingen.
Het is de Roos, de malse Roos-alleen,
Met welker blaân de drie Bevalligheên,
Als 't Minnewicht met haar ten rei' zal treên,
Haar hoofd omringen.
Zing, Disgenoot! zing vrolijk met mij mee!
De Roos, de lust van gulden Cythereê:
De schone Roos, 't bemind gewas der ne-
gen Zanggodinnen!
Schoon zij de hand met spitse doornen drukt,
Wanneer men haar de groene steel ontrukt;
Wie is er, die geen lieflijk Roosje plukt
Met blijde zinnen?
Hoe aangenaam zijn haar satijnen blaân!
Men brengt de Roos op blijde tafels aan,
En Bacchus feest. Wat wordt er toch gedaan,
Wat zonder Rozen?
Haar purper doet de schone Dageraad,
Die 's Hemels poort in 't Oost ontsluiten gaat,
En 't Wagenspan van Titan binnen laat,
De vingers blozen:
Zelf Cypris wordt, van die haar schoonheid roemt,
In heilig Dicht, na deze blos genoemd.
Der Helden graf versiert men door 't gebloemt
Van Rozelaren.
Niet minder is haar frisse reuk geacht:
Vergeefs beproeft de tijd daar op zijn macht;
Haar geur houdt stand, hoewel haar tooi en pracht
Zijn weggevaren.
Doch melden wij, hoe ze eerst haar oorsprong kreeg!
Als Venus uit de azuren golven steeg
Der zee, die voor haar oog zich stilde, en zweeg,
En scheen te slapen;
Wanneer Minerve uit 's Vaders edel hoofd,
Door 't diamant van Mulciber gekloofd,
Met speer en schild, wier glans de glans verdooft
Van Mavors wapen,
Te voorschijn kwam; toen is de nieuwe plant
Der Roos, gevormd door de alleswijze hand
Van Vrouw Natuur, uit 's aardrijks ingewand
Eerst voortgesproten.
Het Godendom zag 't Roosje pas volbloeid,
Of heeft het met zijn nectar mild besproeid;
En uit haar' struik is de eedle druif gegroeid,
Die sedert wortel heeft geschoten.

1781.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:58 Reageer op dit bericht

seizoenen

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

DE SEIZOENEN

Najaar, vluchtend langs de wegen,
Bijna hebt gij afgelegd
't Rode kleed, dat losgeregen
Enkel aan één gesp nog hecht.

Langs de zoom der bruine heide
Zweef zo ijlings niet voorbij,
Zet Uw ben met fruit terzijde,
En tot afscheid zegen mij.

Ook Uw beide zusters duldden
Bij het afgaan van dit pad,
Dat mijn gul gebrachte hulde
Om een gunst, een weergroet, bad;

Zomer heeft haar doek verschoven,
En haar boezem bloot gemaakt,
Zacht heb ik die bron der hoven
Met de lippen aangeraakt;

En dat kind, wier lieflijk Leven
Duurt zolang de koekoek lacht,
Heeft mij hier een bloem gegeven,
Dat ik altijd aan haar dacht.

Kom dus tot mij, herfst, want ginter,
Laatste leidsvrouw van het jaar,
Nadert reeds de bleke winter
Met een maretak in 't haar.

Het aardsche paradijs (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

gave

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1864-1926

De volmaakte gave.

Wie arbeidt werkt aan zich en wie de kunst
Ziet als zijn arbeid werkt zich op tot God.
Zijn leven wordt een eng en streng gebod;
Een strevend geven zonder éne gunst.

In zijn gedachten, in zijn daden, streeft
Hij steeds gedreven door dezelfde trouw,
Gelijk in liefde streeft de reine vrouw,
In vol geloof aan hem wie zij zich geeft.

In hem ziet zij de goddelijke Vlam
Die tot een offer heel haar zijn begeert;
Die als zijn recht haar ganse zijn verteert
Wijl hij van god tot haar op aarde kwam.

Zij offert hem haar schoonheid en haar jeugd;
Zij leeft alleen, wanneer zijn liefde spreekt;
Zij lijkt alleen, wanneer zijn liefde ontbreekt
En zelfs dit lijden is haar als een vreugd.

Zo is de kunstenaar; en zó, gewijd
In toegewijde liefde wordt hij groot.
Zo overwint hij 't leven en de dood
En heft zijn arbeid op tot eeuwigheid.

Wie arbeidt werkt aan zich; en wie de kunst
Kent als zijn arbeid nagelt zich aan 't kruis.
Hij spreekt ‘Vergeef het hun’, als het gespuis
Hem hoont, en neemt hun ‘edik’ als een gunst.

Als de Volmaakte Gave, die niets wacht
Dan Zelf-verlossing door Volmaakte Daad
Sterft hij en Zege is op zijn laatst' gelaat
Wanneer hij spreken kan ‘Het is volbracht’.

Onze Eeuw. Jaargang 23. 1923

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

margrieten

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

Margrieten

’t Is of die bloemen het weten:
Ze buigen beurt om beurt  
uit eerbied voor de stilte   
die aan mijn hart is gebeurd.

En reder dan aan mensen   
doe ik die elfen in ’t gras  
het effen verhaal dat hij heenging 
om ’t heimwee dat ik was.  

Ze neigen  bevreemd naar elkander 
’t naïeve margrietenhoofd:  
dàt hadden ze van de mensen 
toch nooit geloofd.   

Nu staan ze zonder vragen,  
een bleke sterrenstoet,  
een goedheid zonder woorden,
te bloeien aan mijn voet.

Een kommer te raden, te helen,   
en te doen of men weet het niet,  
dat moeten de mensen nog leren  
van de hoge stille margriet.

Verzamelde gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

grootvader

Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1875

DE GROOTVADER.

Gij spreekt wel soms van al zijn lijden,
Die oude man met sneeuwwit haar;
Maar meest zit hij in zich verzonken,
En stil en zwijgend nevens haar.

Zij wordt wel groot, maar is zo tenger;
Hij legt de hand soms op haar hoofd :
Zo ze eenmaal in mijne oude dagen
Door vroege dood mij werd ontroofd!

Dan lacht ze op hem met stille weemoed,
Terwijl ze zwijgend hem aanschouwt,
En denkt: ‘hij zal niet lang meer leven,
Hij wordt zo stram, hij is zo oud!’

Wie zal het eerst van beiden sterven,
Zo diep beducht thans voor elkaar —
Het meisje in de bloei van 't leven,
Of de oude man van tachtig jaar?

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

zonsondergang

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

NA ZONSONDERGANG AAN ZEE.

Zonne stervend zonk in zee,
en een wijde wade spreidde
op de brede kimme neer
't wolkenheer.
Eenzaam ruist de duistre zee,
langs der duinen ruigje kruinen,
als met droeve dodenklacht
zucht de nacht.
Eenzaam.,eenzaam ruist de zee,
slaat de kuste zonder ruste,
moeder aarde ligt alom
doods en stom.
Op het woelend vlak der zee
wislend dansen kille glanzen
starre lach der dode maan
staart mij aan.
Dreigend, dreigend druist de zee!
'k zie een grijzen nevel rijzen
komt uit 't grote zonnegraf
op mij af!
Red
mij,
red mij van de zee!
Red mij, aarde, die mij baarde!
Vaal-gewiekte oneindigheid
naderschrijdt !

1883

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 1 reactie Reageer op dit bericht

jonathan

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

JONATHAN

Zijn kleren had hij niet alleen geruild
en kostbaar wapentuig, maar ook zijn leven.
Hij had zijn wijsheid en zijn kracht gegeven
en wat in harts verholen diepten schuilt.

Voor simpele eenvoud, sterke aanhanklijkheên,
bood hij het de gebronsde jonge herder.
Die nam, en streed, en slingerde het verder
en trof Saul met de scherpgekante steen.

En Jonathan duldde het dubbel leed.
Hij dacht zijn vader hard en David wreed,
en kampte om ’t arm geluk van dood te zijn.

Bij ’t rijzen van de grijze schemervloed
gruwt David van de lauwe smaak van bloed,
en staart vol afschuw naar de rode wijn.

Illustratie: David en Jonathan

schrijver

Geschreven door Dora om 22:53 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten