Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

bui

Een gedicht van Jacob Winkler Prins

Bui

Grimmig snellen rondgerolde wolken,
Eindeloos grote kluwens, aan door 't blauw.
Doodse stilte! Toch, ze naadren gauw,
Scherp weerspiegeld in de molenkolken.

Schelle fonkling van miljoenen dolken;
Dan de donder; en, van regen lauw,
Schudt de wind de hechte molenbouw,
Loeit het rund, dat wegvlucht, ongemolken.

Zuiver, als geslepen edelstenen
In een rand van donker goud gevat,
Spiedt de klaproos door de halmen henen,

Glanst de koornbloem helder na het bad;
En het paard, met glimmend stijve benen,
Scheert de klaver, koel en druipend nat.

Sonnetten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:27 Reageer op dit bericht

pietje

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Pietje Weetal.

‘o, Jongens, weet jelui er van? -’
Neen, Piet. Zeg op, wat is het dan?
‘Straks was er brand bij ons in huis.’
Waardoor kwam 't aan? - ‘Ja, 't zit niet pluis:
Met opzet heeft de meid 't gedaan.’
o Foei, dat zal haar slecht vergaan.
En was 't verbrande heel veel waard?
‘o, 't Was maar brandhout op de haard.’
Och kom, als jij niets beters weet,
Neem in 't vervolg dan and'ren beet.

‘Nu ja, dit was een grapje maar,
Doch wat ik nu vertel, is waar.
Ik hoorde, als Vader 't krantje las,
Dat gistren Spanje in opstand was.’ -
Verschriklijk! Waarom is 't gedaan?
‘Daar 's morgens elk toch op moest staan.’
Loop heen. - ‘Neen, nu geen gekkernij,
‘Maar weet je al van de kloppartij?’
Ja, slaag kreeg jij van Vaders stok.
‘Neen, 't was, toen 't acht sloeg op de klok.’

Dat is voor 't laatst. ‘Eén nieuwtje nog.’
Vertel 't maar niet, je fopt ons toch.
‘'t Is heus.’ Wat heb je dan gehoord?
‘Van morgen is er één vermoord.’
En wie? - ‘Een, die met borstels liep.’
Waarom? - ‘Ja, of hij aaklig riep,
‘Een vent, die hem de doodsteek gaf,
Nam hem toen al zijn borstels af
En smeet - de bloed was toen al stijf -
Eerst kokend water hem op 't lijf.’

Foei, kippenvel krijg ik er van,
‘Ja, erger nog deed toen die man,
Hij hing de dode aan een leer,
Het hoofd hing naar beneden neer.’
Houd op. - ‘En, wat er nu geschiedt,
‘Vertellen kan ik 't bijna niet.
Aan stukken wordt het lijf gehakt,
En in de pekelton gepakt.’
Verschriklijk, eten zij er van?
‘Lust jij dan niet van 't varken, Jan?’

Kijkjes in 't rond (1881)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

schilderkunst

Een gedicht van Hubert Poot 1689-1733

Schilderkunst.

O Lente, buig uw hooft, bekranst met schone bloemen,
Als gij de Schilderkunst ziet pralen of hoort noemen:
Uw kleuren, met de dauw des dageraads belaên,
Bezwijken voor de gloed der zomerzonneraên,
Daar in het tegendeel de glans der schilderverven
Onsterflijk is van aard, en alles hoedt voor sterven.
Hoe geestig wordt de zin betoverd en verlet
Als ons Apel onthaalt op heilig oogbanket!
Natuur verwondert zich, en toont beschaamde kaken
Omdat het kunstpenseel in allerhande zaken
Haar volgt of overwint. O wonderbare Kunst,
Blijf groeien, en verdien der Vorsten milde gunst.

-------------------------------------------
Apel = Apollo,  god van schoonheid en orde

Vervolg der gedichten (1735)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

alaba

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Alaba.

Alaba!
alaba!
Blesse, Blare,
kalf en koe,
voort, te gare,
toe!

Alaba!
alaba!
warme wachten
stal en stro.
Van de grachten,
roô!

Alaba!
alaba!
braver, braver,...
rep-je nu,
uit de klaver,
hu!

Alaba!
alaba!
Sterre, u slaat er
't kalf te zwaar;
'k zie 't, ge gaat er
naar.

Alaba!
alaba!
Lies wacht Deesten
aan de poort....
Toe, mijn beesten,
voort!

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:13 1 reactie Reageer op dit bericht

lege verte

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925
Uit lege verte toegeroep

Uit lege verte toegeroep
men weet niet waar vandaan
maar al aan
blaren groen
jongvochtig

wat is des harten koekoekroep
naar ene die begrijpt
die eender is
hoe is het leeg

Schetsen en fragmenten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:28 Reageer op dit bericht

gasthuis

Een gedicht van Aagje Deken 1741-1804

Het Gasthuis.

de b r o e d e r.

'k Weet niet, wat wij hier toch doen?
Foei, het strijdt met ons fatsoen,
In een Gasthuis rond te dwalen.
Nauwlijks kan ik adem halen!
Hemel! welk een nare lucht!
Wat voor genoegen,
Geeft u dat zwoegen
Dat gekerm, geklaag, gezucht?

de z u s t e r.

Broeder, kent gij 't heil nog niet
Dat ons 't mededogen biedt?
Dan moet gij hier veel verkeren,
En aldus ontferming leren.
De mensen, die gij veracht,
Al zijn 't geen rijken,
Zijn ons gelijken,
En met ons van één geslacht.

Betje Wolff en Aagje Deken, Economische liedjes (1781)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

doodsgebed

Een gedicht van Karel van der Oever 1879-1026

DOODSGEBED

Heer, als ik sterf
op een december-dag;
in het ziek laken dat ruikt!
En mijn gezicht: geel als een raap,
mijn baard verwoest door het zweet,
terwijl mijn hand vol angst in het kussen plukt,
Heer, houd dan voor mij, arm schaap,
houd uw barmhartigheid gereed.

Want gedurig was ik lui en dom,
onkuis, hovaardig en zot,
ik was gulzig aan bier- en wijnpot
en mijn tanden bruin van de pijp.

Heer, als ik sterf
en mijn voeten zijn koud als glas,
de kaars druipt op mijn hand
en de dokter zegt: "'t Is gedaan",
als bij de kamer-wand
de priester bidt: "Heer, laat hem gaan",
dat ik dan bidde:
"Heer, neem mij in uw ontferming aan."

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

ruth

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

RUTH

De lieve Ruth, de lieve Ruth!
De dochter Moabs, de getrouwe!
Die, zelve een droeve weduwvrouwe,
Een weduw was tot steun en stut;
Gezegend zij de stroom van smarte,
Die toen haar minlijk oog vergoot,
Toen uit Naomi’s brekend harte
De zegen op haar nedervloot:
„Gods liefde zij als de uwe groot!”

Zij hief haar stemme op en zij schreide,
En Orpa schreide en snikte als zij.
„Nu, dochterkijns! verlaat mij beide,
Des Heeren hand is tegen mij.”
Als Orpa nu haar moeder kuste,
Zo kleefde Ruth de moedloze aan:
„Hoe zou de ik van u henengaan?
Voor Ruth is zonder u geen ruste!
Uw droefheid deelt zij en uw lot;
Zij zal u sterken met haar krachten;
Waar gij vernacht, zal zij vernachten;
Uw volk is ’t hare, uw God haar God
Zo iets, tenzij de dood, ons scheide,
Zo straffe mij die God en Heer!
Waar gij sterft legg’ men mij terneer”
— Dus sprak de lieve Ruth, en schreide.

In Bethlems akkers kwam zij aan;
Zij zamelde de gerstenaren,
Die aan de hand ontvallen waren
Des maaiers, met haar lot begaan
Daar vond ze in Boaz oog genade,
Als ze aan zijn voeten rust genoot;
Daar vond ze een Losser en een Gade;
Daar opende haar moederschoot,
Des Heeren liefde en zorg zijn groot.

De naam der bitterheid van smarte
Moest smelten in de zoete klank
Der vreugde, bij Naomi’s dank,
Toen zij een kleinzoon drukte aan ’t harte!
En ’t huis van Ruth, tot heil der aard
Moest Isrels hope zijn na dezen,
En als van Perez vruchtbaar wezen,
Die Thamar Juda had gebaard.
Een Vorstenteelt sproot uit die bloede,
Totdat, van schijnbre glans beroofd,
Haar stam in ’t eind de Silo voedde,
Die God de Vaadren had beloofd!
Geloofd, verheerlijkt zij de Algoede.

Oosterlingen, nummer VI

 

schrijver

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

in

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

IN HOLLAND.

Waar is de deur die openslaat
en welkom wacht in stemgeruis? -
waar is het hart dat opengaat?
het was zo vroeg, het is zo laat!
....een eigen haard, een eigen huis....         
In Holland staat een huis.

In Holland staat een huis!
Ik was een kind
zo welgezind,
een kind, dat alle dingen mint:
een broze vaas vol wensen,
ik wilde minnen mensen....
de mensen bleven thuis
in huis...
In Holland staat een huis.

In Holland staat een huis
met vensteren en deuren
in stille smalle straten,
ga vrij er langs, maar klop niet aan,
want kloppen zou niet baten.
Dat zij, die hongeren en treuren
stil gaan en heel gelaten
voorbij de dichte deuren,
waar keukens zijn, die geuren...
en dromen van een eigen thuis:
In Holland staat een huis.

Waar is de deur die openslaat
en welkom wacht in stemgeruis? -
waar is het hart dat opengaat?
- het was te vroeg, het is te laat!       
Klop en men geve....: niemand thuis!
Klop en men geve....: niemand thuis!
In Holland, in Holland,
In Holland staat een huis.

Parijsche verzen (1923) Kinderliedjes

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

regennacht

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

REGENNACHT.

Al is er maan-vermoeden,
De lucht is leeg,
Des hemels baan bevloeden
Veel wolken veeg.

De droppen komen zijgen
In zachte val,
De blaân der bomen nijgen
In regenhal.

't Is alles mat en eenzaam,
In vree gesust,
En alles wat gemeenzaam
Met licht is, rust.

Gedichten (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten