Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

wit

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

Wit hing en stil...

Wit hing en stil de dauw over de weiden. –
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,
Stond, hoog, in ’t west wit licht boven de kim. –
Niets werk’lijks was er meer, niets dan wij beiden.

En op die heuvel, op die bank van ons,
Boven de dauw, zaten we als op een eiland;
En ’t wit doorschijnend licht, het witte weiland
Leek stilte; en de stilte was als dons.

Boven de wereld zaten we; en we schrokken,
Als om ons in besliste vaart een tor
Een kromme draad trok van donker gesnor,
Wegbuigend in dempende nevelvlokken.

Jouw haar, rood in de schem’ring, aaide ik glad:
Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,
En deed mijn handen en mijn lippen branden
Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

laat me

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Laat me, vijver, waar ge ontwaakt

Laat me, vijver, waar ge ontwaakt,
- daar, ten dagerade aan 't rozen,
naar uw nacht de morgen naakt, -
laat mijn aanzicht, week en naakt,
eigen bleekheid tegen blozen.

o, 't En is een scheemlen maar;
maar, in 't stijgend morgen-scheemlen,
zie 'k ten vijver, minder klaar
maar te dieper naar ik staar,
schoonre hemel dan ten heemle...

- Nog van nachtlijk aarzlen bleek,
maar gerézen uit de nachten;
blozend naar 'k me schóner bleek,
- vóor de glore om zelf-betrachten:
laat me staren thans, gedachte,
waar ten vijver, naakt en week,
diepre schoonheids-weelden wachten...

II De gloeiende asch (Boschvoorde 1907 - 1908)

Geschreven door Dora om 22:33 Reageer op dit bericht

huis

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Het verlaten huis

Als in een huis in de onderwereld, waar
De stille vader en het stomme kind
Elkander aanzien - zó zit ik gebukt
Over mijn boeken in dit donk're huis.
En tegenover me aan de tafel zit
Dat stomme kind der sombere gedachte,
Mijn stille weemoed met het bleek gelaat,
Mijn stomme weemoed met het donker oog,
Die niemand ziet dan ik, - maar áls ik opzie,
Dan voel ik dat zij mij heeft aangezien,
Maar 't niet wil weten om die grote smart; -
En als verschrikt buig ik dan weer het hoofd
Achter mijn boeken en ik durf niet spreken
Tot haar, schoon ik gedenk aan vroeg're vreugd.
En als gevoelloos, werk ik al de dag
En zie niet op noch om, omdat ik vrees
De grote smart, die 'k zien zal in dat oog.
Want zij was éens zo schoon, mijn jonge weemoed,
Toen alle bloemen blij ons tegenbloeiden
En vogels spotten met ons jeugdig leed.
Maar weggedoken zit de laatste vogel
Thans in de takken en door de enge spleet
Der halfgesloten blinden valt het licht
Op ons, die treuren in 't verlaten huis. –

Persephone en andere gedichten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

meizang

Een gedicht van Jan van Droogenbroeck 1835-1902

Meizang

Daar komt de blijde lente weer,
Met jong en jeugdig kruid!
Geen ruwe vorst, geen koude meer
De nachtegaal reeds fluit.
De zonne schijnt, het beekje vliet,
De bloemen komen uit,
Het windje wiegelt in het riet
Met aangenaam geluid.

Een aangenaam en zoet geluid
Door gans de velde zwiert;
De leeuwrik spreidt zijn vlerkjes uit
En stijgt en tiereliert;
Het bieken zingt in 't rond en bromt
Dat het de lente viert;
De zwaluw, die van elders komt,
Hier weder ommezwiert.

Nu weer de zwaluw ommezwiert
Waar onze wonen zijn.
Nu weer de schepping hoogtijd viert
In helle zonneschijn.
Hoe blauwe verft de hemel schoon,
Zo blauw als blauw satijn!
Hoe rood de morgenzon haar woon,
Zo rood als karmozijn.

Bij dageraad, als karmozijn,
Druppelt de dauwe neer.
Daar plooit de grijze mistgordijn;
Ontwaakt is 't vooglenheer.
En als daarna het klokje luidt,
Dan kniel ik biddend neer,
En 'k juich: daar is met bloemenkruid
De blijde lente weer.

Makamen en Ghazelen (1866) onder het pseudoniem Jan Ferguut

 

 

Geschreven door Dora om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

vrij

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

SPAARBANK: VRIJ WIJN.

Waar men Gode een tempel wrocht,
Sticht, (het is een vond der helle!)
Sticht de duivel een kapelle,
Of hij zieltjes vangen mocht:
Hier een Spaarbank... daar, Vrij Wijn!
Mannen! zeg: waar moet ge zijn?

Dáar is 't alles pret vandaag,
Hier is 't vreugd van daag en morgen; —
Hier heeft vrouw noch kind zorgen,
Dáar krijgt vrouw en kinderen slaag!
Hier een Spaarbank... dáar, Vrij Wijn!
Vrouwtjes! waar zou 't beste zijn?

Zeven centen borrelgeld,
Als gij 't dagelijks wilt sparen,
Maakt, in vijf en twintig jaren,
Duizend Gulden: wel geteld!
Hier een Spaarbank... daar, vrij Wijn!
Mensen! zeg: waar moet ge zijn?

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:23 Reageer op dit bericht

ontmoeting

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Ontmoeting

Onder lichtend vonkgedierte
Komen algen tot bezinking.
Diep is 't stil; langs lange slierten
Wier trekt walm op van ontbinding.

Plots doortrekken van de polen
Alle kringen huiveringen;
Reeds gezonken drenkelingen
Drijven uit hun onderholen

Los en zij bewilligen
In een doodse farandole,
Tot het schip moet stilliggen
Op hun saamgedrongen scholen.

Daar schokt mij herinnrings schrik!
Gij, gehate, kunt hier dolen:
Voor een maand verging uw brik.
'n Kleine golf grijnslacht verholen

Waar uw gelaat verrees.
't Schip kreunt. Ik ril van afschuw.

De spaak waarmee ik afduw
Boort in 't vermolmde vlees,
En 't schip zinkt aan een schaduw
Naar verrotting onderzees.

Eldorado (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

schilderen

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907

SCHILDEREN AAN HET STRAND

Zwart en wit, de tuben uitgeknepen,
Mengt de schilder op het bruin palet;
Voor de jeugd wat ongewone pret,
Nu ze toekijkt, de ogen half genepen!

Ach, dat schilderen heeft men ras begrepen ....
Hier een veegje en ginds een pik, een spet,
Hoedjes, die hij vlug op hoofdjes zet,
Boven boezelaars: witte kronkelstrepen.

Toch, de pink heeft, meent men, groene boorden,
Hij maakt grijze; dan in strik en lis
Hangen kabeltouwen: — hier zijn 't koorden.

Ook de kleur der starren vindt men mis...
Maar het blijven woorden, woorden, woorden
Voor de schilder, die een vreemdeling is!

Gedichten (1910)

schrijver

  

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

het geld

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

Het geld is louter slijk

De leerspreuk zegt: het geld is louter slijk;
Maar de praktijk: 't brengt zoden aan de dijk.
De leerspreuk zegt: de wijze alleen is rijk;
De rijke alleen is wijs, zegt de praktijk.
Wie heeft gelijk?

Pepermuntjes (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:03 Reageer op dit bericht

de haan

Een gedicht van Jan van Droogenbroeck  1835-1902

DE HAAN

Ziet gij hem op den mesthoop staan
De fiere haan? 
Zijn staart, - hij schittert als een vlam;
En rood als bloed, - zo is zijn kam.
De lange sporen 
Zijn scherper dan een doren;
Zijne ogen branden in de kop,
Hij zet een krop, 
Als wou hij zeggen: "Pas hier op,
Of: klop!"

Dit zijn zonnestralen (1873)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:39 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten