Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Archief

verjaardag

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Voor mijn 63ste verjaardag - 2 dec. 1924

Geen klacht om 't vlieden van de snelle jaren
Noch zelfs om 't naderen van de zwarte dood.
Zo min als, stralend goud door gouden blaêren,
De zon treurt, daar zij zinkt in 't gloeiend rood.

Slechts Éne weet, daar andren op mij staren,
Meelijdend, met mijn eenzaamheid en nood,
Slechts Éne weet wat heuchnis ik mocht garen,
Wat gouden oogst dit gouden jaar mij bood.

't Verga me als hem, die op de zwarte zee
De ganse nacht gekampt heeft met de golven,
Dan wetend 't eindlijk naderen van 't land,

Bij 't eerste licht, dat over zee-vlak gleê
De schuimpracht ziet, waaronder hij bedolven
Dra vredig aanspoelt aan 't gewenste strand.

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

oud liedje

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Oud liedje

Het licht is bleek en traag,
De dag is arm en kort.
Wat leeft beweegt zo vaag…
‘t Is of geleefd niet wordt.

Een ondoorzicht’ge hang…
Een leeftijd arm en kort…
Maar ‘t ogenbliks-leven is lang
En stilkens eindeloos wordt.


December 1900

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

huis

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

In 't huis van Smart

In 't huis van Smart, waar ik belandde
Bij 't jammerlijkste dansjolijt,
Zag 'k Zorg en Ouderdom en Spijt
Dansen of zij 't van buiten kenden.

De Tamboerijn, bij naam Ellende,
Gaf, hoog bevel, de stok respijt
In 't huis van Smart, waar ik belandde
Bij 't jammerlijkste dansjolijt.

In huilgezangen brak de bende
Buiten muziek en maat en tijd -
Verveeld, van angst mijzelve kwijt,
Sliep 'k in, vóór het nog erger endde,
In 't huis van Smart, waar ik belandde.

Tusschenspelen

Geschreven door Dora om 18:07 Reageer op dit bericht

illusies

Een gedicht van Frederik Schmidt-Degener 1881-1941

Illusies

De zelf-beloofde wonderen van uw jeugd
zijn weggedoezeld tot een schamelheid;
en weggedwerreld is in daaglijksheid,
de tuin vol wilde geur, die niet meer heugt.

Uw jaren vonden banen vast omlijnd.
Het liep als ’t lopen moest en zelden spaak.
Iets anders deed gij dan uw diepste taak –
en nu ontwaakt gij even voor het eind.

Het binnenspel van uw verbeelding bant
de nutteloze zwaarte van ’t verstand,
in welks omkluistering gij doods moest leven.

Droom weer, droom nog, droom over zee en land,
droom los u uit de dag en droom nog even
een glimp van schoonheid in de droom hergeven.

----------------------------------------------
uit: 55 variaties op een bekend thema (1937)

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Een meisje

's Morgens op het witte laken
doet er een gelaat ontwaken -
dat ligt daar als een waterlelie
op een golf water, op de peluw.

's Middags loopt ze in het bos te schijnen,
haar ogen tussen bladen als twee kleine
vuurjuwelen, kijkend in een laan -
bladen ruisen weer dicht, ze is gegaan.

's Avonds lacht ze in een stille
kamer, zonder 't zelf te willen
wordt ze weer dromerig en lacht
minder en minder - zegt goênacht.

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

voetbal

Een gedicht van Cahrivarius 1870-1946

Voetbal-hymne

O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult,
Die dagelijks 't gedaas der krant verslinden,
In hartstocht, die geen smaak voor 't hogere duldt,
Dat mensen beesten maakt, en zienden blinden -

Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult,
Terwijl het aan 't afzichtlijk schouwspel smult,
Als daar een horde woestaards en ontzinden
In 't schunnig schop-werk vuile vreugde vinden ...

Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt,
De pees zich opbolt als een boos gezwel,
Wijl 't oog van een onheil'gen vuurgloed fonkelt ...

Ja, duizendwerf vervloekt zij 't voetbalspel,
Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld ...
Voort! vuige voetbalbende - vaar ter hel!

Ruize-rijmen (1922)

Geschreven door Dora om 22:21 Reageer op dit bericht

ontevreden

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Ontevredenen

"Het bulder vrij op 't woeste meer
Ik kijk eens buiten naar 't weer  
En ga dan thuis wat slapen "

Tollens 'Tevredenheid'



Ach! waartoe dat eeuwig klagen,
  Ontevreden, onvernoegd;
God geeft niemand meer te dragen,
Dan juist voor zijn krachten voegt.

Wangunst zie 'k elks hart verteren,
  Woekrend als een fel venijn,
Schooiers vragen mooie kleren,
  Knechten willen bazen zijn.

O, als elk maar wilde leren,
Dat de Heer geeft kracht naar kruis,
De arme zou geen goud begeren,
  Beedlaars bleven in hun kluis.

Zoekt de Zorg niet naar der rijken
  Warm en weeldrig ledikant,
Om het harde bed te ontwijken
  Van de mingegoede stand?

Zorg heeft ieder - maar op aarde
  Is 't geluk steeds weggelegd
Voor wie dankbaar wil aanvaarden,
  Wat hem God heeft toegezegd.

Ook mijzelf, naast veel verblijden
  Viel veel bittere smart ten deel,
Veel miskenning, lichaamslijden,
  Klappen in mijn financieel,

Zou ik daarom morren, klagen?
  Neen! - bestendig dank ik God
Wachtend op de beetre dagen,
  'k Zoek de lichtzij van mijn lot.

's Zomers als de bloemen bloeien
  Ga ik wandlen met mijn vrouw,
Waar de koeien vreedzaam loeien
  In de groenende landsdouw.

't Zie de noeste landman ploegen,
  Hijgend, zwetend, blij te moe,
't Vogeltje vol vergenoegen
  Kweelt de Heer een loflied toe.

Door de lachend malse beemden
  Blinkt de lieve zonneschijn,
O, wie zou 't dan niet bevreemden
  Dat er ontevreednen zijn!

Vrolijk als de visjes spartlen
  In de zilverblanke vliet,
Zie 'k mijn zeven kleintjes dartlen,
  (De allerjongste loopt nog niet).

'k Zoek dan bloempjes in de weide,
  Zelf in Gods natuur een kind,
't Ga dan met een krans verblijden
  De egâ die mijn hart bemint.

Neem, zeg ik, 't eenvoudig kleinood,
  Kroon-door menig vorst benijd,
Schoon een koning u het zijn' bood,
  Gij hebt meer: `tevredenheid!'

Deze krans zal nooit verdorren,
  Vlecht hem in uw lokken, Trui!
Kom! wij lachen met het morren
  Van die ontevreden lui!

Mengelpoëzie onder pseudoniem Cornelis Paradijs

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

vervreemd

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Ik raak vervreemd van alles en van allen

Ik raak vervreemd van alles en van allen,
van dingen die voor mij van waarde zijn geweest,
van vrienden en van vrouwen wel het allermeest;
zij duiken weg onder de duizendtallen.

Soms komen 's avonds zij mij overvallen.
Hij zegt: ga mee naar die of die, er is een feest;
zij klaagt: waar ben je al die weken toch geweest?
Ik wacht tot ik de deur weer dicht hoor vallen.

Ik neem het boek, waarin ik zat te lezen,
maar weet de zin niet meer van wat ik las;
ik sluit mijn ogen om anders niet te wezen
als een vergeten woord, een ledig glas,
een ouder wordend man, die merkt nu pas
dat van eenzelvigheid hij niet is te genezen.

Het onontkoombaar lied (1985)

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

visioen

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907

VISIOEN

't Strand loopt onder water, langzaam onder...
Links het duin: er langs een rose rand
Rul doortrappeld, ondoorwaadbaar zand:
Rechts de zee: een altijd ruisend wonder.

En als eens Joannes, de verkonder
Jesu Christi, zie 'k een muur, een wand,
Opgebouwd door 's krijgsmans stalen hand,
Onder roff'len en kanongedonder.

Wees nabij mij, Gij, die storm gebieden
En kunt stillen, 't scherp van 't zwaard niet vreest...
Plots een licht... Wat zou die glans bedieden ?...

Over 't water wandelt weer een geest:
En ik zie de golven westwaarts vlieden,
Als voor 't oog des temmers 't wilde beest.

Geschreven door Dora om 23:30 1 reactie Reageer op dit bericht

late herfst

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Late herfst

Geel is het blad, geel zijn de lichte bladeren,
Ver is de lucht, - 'k durf haast niet dat ik 't zeg -
Niet blauw, niet wit, wèl licht, - het snelle raderen
Van waagnen hoor 'k op blad-bestrooide weg.

Maar angstig is mijn hart, want in mijn aderen
Voel 'k 't leven leven, wetend dat ik weg
Eens moet, en dat ik mee-weg-dorrend leg
Onder de grond, - weg, al die lichte bladeren.

O blaadren die zo schoon zijt in uw dunheid,
Schoonst nu gij dun zijt, schoner dan de zomer,
Al-licht, dóór-licht, gans ín-schijn van de zon,

Gij sterft, de zon blijft - durf ik zo, ik dromer?
Ik die niet weet dan licht-, dan fijn-, dan dun-heid,
En dat ik loop in 't wondre licht der zon.

De Nieuwe Gids. Jaargang 8 (1893)

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten