Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Archief

meisje

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Het meisje

Egyptische grafschildering

Zij is een nauw ontloken lotos,
Maar veel hulplozer en droever.
Zij is als een smalle boot, los
Van de nog nabije oever.
Zij is niets dan een kleine leegte
In dit boordevol heelal,
Want zij smachtte, maar verzweeg te
Zeggen, wat haar vullen zal.

Spiegelbeelden (1937-1938)

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Jacques Perk 1859- 1881

De purpren avond

De purpren avond was in 't west verdwenen
En glanzend zilver droomde op donkere aarde,
Toen is de blonde Muze mij verschenen ...
Mijn ziel werd vuur, toen haar mijn oog ontwaarde.

Geknield strekte ik mijn armen naar haar henen,
'k Omhelsde louter lucht - ik viel aan 't wenen:
Haar blik was eindloos-teer, toen ze op mij staarde,
'k Gevoelde een kus op 't voorhoofd, - ze openbaarde:

'Een hoge liefde zal uw hart doordringen:
Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,
Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,

En peinzend zult gij 't wederzien verbeiden,
En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,
En mijmrend leven van herinneringen.'

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Dien Avond en die Rooze

'k Heb menig uur bij u
   gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
   me een enklen stond verdroten.
'k Heb menig menig blom voor u
   gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
   er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zoo droef om u,
   wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
   dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
   wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zoo schoon, van u
   gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
   en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
   – wie zal dit kwaad genezen? –
een uur bij mij, een uur bij u
   niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
   zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was 't een roos van u,
   niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart; dit zeg ik u,
   't en ware ik 't al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden, u,
   dien avond – en – die rooze!

Geschreven door Dora om 22:24 Reageer op dit bericht

duiven

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DUIVEN

Klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
slaan hun vlerken, de ene op de aâr;
klap-klap-klap,
en henenschuiven
doen ze, van mijn dak mij daar.

Klap-klap-klap,
ze spelevaren,
rinkelroeiende, altemaal;
klap-klap-klap,
van harentaren,
ommenton, in énen haal.

Klap-klap-klap,
zij zijn daar weder;
hoort ge vlug hun vlerken slaan?
klap-klap-klap,
ze vallen neder,
betende op mijn dak, voortaan.

Klap-klap-klap,
de veren stuiven,
want hun baaike, groef en fijn,
klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
boetende, in de zonne, zijn.

Geschreven door Dora om 17:29 Reageer op dit bericht

tijd

Een gedicht Michel van der Plas 1927-2013

Tijd

Tijd die verdwijnt, zomaar, uren en dagen
onachterhaalbaar, wegvallend voorgoed,
zand door mijn vingers, het niets tegemoet;
tijd van leven die ik niets meer kan vragen;

kostbare tijd, die er niets meer toe doet
zonder verwachting; tijd van nederlagen
werktuigelijk doorleefd en stom verdragen;
verloren tijd, uitgebrand, uitgewoed;

tijd die nooit meer terugkeert; tijd van hoop,
van dromen, plannen, vriend van wie weet mogen;
tijd met beloftevolle regenbogen;
rots met vanwaar opeens de waterloop
over mijn hoofd, steeds mogelijke doop;
tijd opgegeven, tranend uit mijn ogen.

Geschreven door Dora om 23:06 Reageer op dit bericht

wooningloze

Een gedicht van J. Slauerhoff  1898-1936

Wooningloze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ‘k weleer kon bouwen en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

zandloper

Een kwatrijn van Constantijn Huygens 1596-1687

Zandloper

De tijden waren boos, en zijn ‘t, en zullen ‘t wezen;
‘k zie geen verandering ter wereld voor de hand.
Keer om uw tijd-gelas, het schijnt wat een nieuw wezen;
maar ‘t loopt gelijk het liep, en ‘t is al ‘tzelfde zand.

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

gewoon

Gewoon
 
Hoe gaat het?
Oh…gewoon
Ja, want ik ben gewoon
En waar ik in woon
Dat is een huis
En in dat huis is het pluis
Pas was er zomaar een muis
Maar die is gevangen
Ik was niet bange
Maar hou niet van die kleine griezels
Ze plassen en poepen overal
Dus dan maar een harde knal
De muizenvanger sloeg dicht
Dat was wel een naar gezicht
Zijn kopje hing
Maar toch handig zo´n ding!
Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

zusje

Een gedicht van Hyronymus van Alphen 1746-1803

 Ach! mijn zusjen is gestorven,
   nog maar veertien maanden oud.
‘k Zag haar dood in ’t kisje liggen:
   ach wat was mijn zusje koud!
‘k Riep haar toe: mijn lieve Mietje!
   Mietje! Mietje! maar voor niet.
Ach! haar oogjes zijn gesloten;
   schreien moet ik van verdriet.
Altoos wil ik om haar treuren,
   bloempjes strooien op haar graf:
Weenend aan de kusjes denken,
   die mij ’t lieve meisje gaf.
Morgen zal ik – maar voor mij ook
   is ’t gevaar van sterven groot.
Gistren liep zij met mij speelen;
   gistren nog! en nu – reeds dood!

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

schrijverke

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

HET SCHRIJVERKE
(gyrinus natans)

O krinklende winklende waterding
met 't zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op 't waterke gaan!

Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie 'k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwe weg zo wel,
al zie 'k u geen oge, geen één.

Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?

Gij loopt over 't spegelend water klaar,
en 't water niet méér en verroert
dan of het een gladdige windje waar,
dat stille over 't waterke voert.

O Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die 't mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?

Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,
gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!

Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn 't keikes of bladjes of blomkes zoet,
of 't water, waarop dat ge drijft?

Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is 'et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zo diep,
of is het u, schrijverken zelf?

En 't krinklende winklende waterding,
met 't zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en 't bleef daar een stondeke staan:

"Wij schrijven," zo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en lerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;

wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,
de heilige Name van God!"

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten