Archief
sukkel
zomertijd
wereld

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936
De schone wereld
Iedre morgen na het nachtlijk slapen
Ligt mijn wereld nieuw door mij geschapen.
Iedere dag heb ik haar weggegeven,
Telkens één dag meer van 't eigen leven.
Telkens een kortstondiger bewoner
Zie ik haar belanglozer, dus schoner.
Schoonst zal ze eenmaal zijn als ik ga scheiden
En de grenslijn wegvalt van ons beiden.
De weg van het licht (1922)

al

Een gedicht van Jan Krul 1602-1644
Al zijt Gij vert, Nooit uit het hart.
Lief! al zijt gij vert gescheiden;
Liefde zal mijn hert geleiden:
Liefde (Lief) die drijft mij voort;
Liefde komt u Liefd' aan boord:
Lief is liefde, zoet is minne:
Liefde doet mij dit beginnen:
't Is al Liefde, Liefd' is ‘t al,
Die ik u betonen zal.
Door de Liefde lijd ik vrese:
Liefde zoekt uit vrees te wezen,
Even als de Schipper doet,
Als hem treft een tegenspoed,
Van de woeste storm Winde,
Tracht hij goede ree te vinden:
Veile Haven, anker-strandt,
Daar hij schadeloos belandt:
Even gaat het mij in 't minne,
Ik zoek uwe gonst te winnen.
Die mij van de bitse nijdt,
In mijn Liefdens vrees bevrijd.
Eerlycke tytkorting (1634)

vriendschap

Een gedicht van Lucas Pater 1707-1781
DE VRIENDSCHAP
Hoe zoet is 't, waar de Vriendschap woont!
Zij is oprecht van aard.
Zij word met mirt en palm bekroond.
Haar glans is prijzenswaard'.
Zij spoort het al tot blijdschap aan.
Wie kan haar invloed wederstaan?
Geen mens. Geen mens. Geen mens.
De Vriendschap neemt de harten in:
Nooit toont ze een stuurs gelaat.
Zij is de Zuster van de Min.
Zij schuwt de twist en haat.
Ze is altoos vergenoegd van geest.
Men roem' haar op dit vrolijk Feest
Met Zang! Met Zang! Met Zang!
De Vriendschap mint gezelligheid:
Nooit vindt men haar alleen.
Zij-zelf heeft deze dis bereid:
Zij bracht ons hier bijeen.
Elk roep' dan vrij met hart en mond:
'k Verzoek uw vriendschap, in het rond.
Hoezee! Hoezee! Hoezee!

trouw

Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660
Eerste Trouw
Als van twee gepaarde schelpen
D’ene breekt, of wel verliest,
Niemand zal u kunnen helpen —
Hoe men zoekt, hoe nauw men kiest
Aan een, die met effen randen
Juist op d’ ander passen zou.
D’oudste zijn de beste panden,
Niets en gaat voor d’ eerste trouw;
D’eerste trouw, die leert het minnen,
D’eerste trouw is enkel vreugd,
D’eerste trouw, die bindt de zinnen,
Zij is ’t bloempje van de jeugd.
Naar mijn oordeel: twee-maal trouwen
Dat is veel niet zonder pijn;
Drie-maal kan niet als berouwen,
Want hoe kan der liefde zijn?
Houd uw eerste lief in waarden,
Eertse met een vollen zin;
’t Is een hemel opter aarden,
Zo je paart uit rechte min.

schoon

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658
Schoon is het goud
Schoon is het goud, het schoonste der metalen,
Schoon 't alebast, en 't luchtige kristal,
Schoon is het licht wanneer de zon gaat dalen,
Schoon 't elpenbeen, en 't rozenrood koral,
Schoon is de mei met bloemen zonder tal,
Schoon is de zeeg' met haar bekranste zweerden,
Maar, die de kroon moet dragen bovenal,
Schoon is de vreê, de schoonste op der eerden!
Over-Ysselsche sangen en dichten

sneeuw

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932
De witte sneeuw
De witte sneeuw, waarmee de vlakten pronken,
Boelt met de zonne tot haar schade en schand.
Ze ligt en lacht en tintelt, wonnedronken,
Totdat ze smelt en slijk maakt op het land.
De witte sneeuw, waarvan de bergen vonken,
Wanneer de hemel stooft en staat in brand,
Die zonnelach weerkaatst, en zonnelonken,
Blijft eeuwig hoog en eeuwig diamant.
Al eveneens, vergaat of staat de Minne:
Die niets beoogt dan 't laag genot der zinnen,
Ziet zijn geluk verslijkt eer hij 't vermoedt;
Veel hoger wil ik mijne liefde plaatsen,
Waar ze ongedeerd het zonlicht kan weerkaatsen,
En rein blijft in des hemels hoogste gloed.
Echo's (1900)


