Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

top

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Op de top

Lig daar, mijn wandelstaf! Hier is de top,
En met de blauwe wolkjes, die er krullen
Rijst uit het dal de rust naar boven op,
Waar zich het wolkloos ruim mee schijnt te vullen;

De bergen wijken, breed van rug en kop,
Die ze in een waas van matte nevel hullen. -
Uit d' afgrond lacht gezang en steengeklop...
Of dan die mensen nimmer rusten zullen?

Daar zwoegen ossen voor hun zware vracht,
Ginds lijmt de bij haar zoete raten dicht,
En kraait een haan zijn liedje van victorie:

't Juicht alles in 't bestaan, en heeft de plicht
Van vrolijk-zijn nog nooit zo blij betracht....
En 't ontevreden stadskind droomt van glorie?

Gedichten  (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

klink-gedicht

Een gedicht van Jacob Westerbaen 1599-1670

Klink-dicht

Al is de zwarte nacht met wolken overtogen,
En zon, noch maan, noch ster aan ’t blauwe welfsel staat,
Toch weet de stuurman wel waar ’t scheepje henen gaat.
Al heeft hij zon, noch maan, noch sterren in zijn ogen,

Hij houdt nochtans zijn streek en vindt zich niet bewogen.
Zijn zaken die gaan vast: de naald op het kompas
Wijst hem het noord’; ’t getij dat gist hij bij het glas.
Let hij op deze twee, zo wordt hij niet bedrogen.

Zo gaat het ook met mij. Uw vriendelijk gezicht
Schijnt altijd in mijn hart, dat strekt mij voor een licht,
Als ’t aardrijk is bedekt met dikke duisternisse.

Ei, lach niet, Rozemond: ’k wil wel een proefstuk doen,
Roep mij in ’t duister eens en lijd dat ik u zoen:
Tien kusjes ik verbeur, zo ik uw lipjes misse.

Minnedichten (1624)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:41 Reageer op dit bericht

aan God

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Aan God.

Leer mij mijne dagen tellen,
Gij die hun getal bepaalt! 
Ieder dag, die mij bestraalt, 
Op zijn rechte waarde stellen!
Ieder uur van mijn bestaan 
Zie ik als uw weldaad aan! 

Leer mij ieder stond beklagen
Die mij nutteloos ontschiet! 
Leer mij blijdschap en verdriet 
Zedig en gemoedigd dragen,
En met voor- en tegenspoên 
Als een christen voordeel doen! 

Geef mij 's ochtends lust en ijver; 
's Daags, aanhoudendheid en kracht! 
Geef herhaling in de nacht! 
Maak mij waakzaam, vlug, en nijver, 
En aan elke plicht gehecht, 
Door uw wil mij opgelegd! 

Leid mij langs dit pad der smarte, 
Naar de storingloze rust! 
Niet verlangend, niet onthutst, 
Maar met onverschrokken harte, 
Dankbaar in het aards genot, 
En gewis van beter lot! 

Dit, o God, zij steeds mijn bede, 
En die bede mij verleend! 
Zij mijn hart met u vereend, 
In uw wijze raad te vrede; 
En, genadig Opperheer, 
Niets op aard ontbreekt mij meer. 


Leiden.

1806.

De dichtwerken van Bilderdijk,  deel 5 (1857)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:16 Reageer op dit bericht

eensaamheid

Een gedicht van Jan E.F Celliers 1865-1940

Eensaamheid.

Mij vuurtje en ik is op wag,
mij vuurtje en ik alleen;
die awendster 
wenk al van ver 
en die velde slaap om-heen.

En stadigies sterwe die dag,
so's éen in sij armoed verlaat,
ongesien, ongeag, 
sonder suggie of lach, 
waar niemand van weet of van praat.

Nou blij die lug alom
in stil aanbidding staan;
geen tampende bel 
wat die ure tel, 
- net die sterre wat kom en gaan.

Die osse, met koppe gebui'e,
herkouwe nog stil in die nag,
tot éen v'r éen buk 
en gaat lê bij sij juk, 
met 'n sug, na die trek van die dag.

Mij vuurtje is al wat nog leef
in die eindeloos ruim met mij,
en sij stemmetje dwaal 
so's 'n deuntje wat draal 
om dage lang verbij,

om jonkheids blije more
en laggies lang verlewe.
Dan voel ik 'n traan 
in mij oge staan 
en ik fluister ‘Heer, vergewe!’

Die slapende velde lê wijd,
en wijer die donkere see,
wat mij vuurtje en mij 
van awend skij 
van die wereld se vreugd en wee;

ik weet daar is feest van a'end
in menig verligte saal,
maar geen een wat mij mis 
bij die dans en die dis 
- 'n balling vergeet en verdwaal.

Maar al is ik ver van die skaar,
in eensaamheids woning getrede,
ik voel mij so's éen 
met die Heer alleen 
- 'n kind aan Sij boesem tevrede.

Die vlakte en andere gedigte (1908)–

schrijver

Geschreven door Dora om 23:05 Reageer op dit bericht

Ilonka

Een gedicht van Francois Pauwels 1888-1966 

Ilonka zingt.

‘Een jonge vrouw gaat uit
over de bloeiende steppen, in mei,
zij is trots en mooi,
zij is mooier dan alle anderen,
zij zwaait de zweep naar het logge paard
en de grote, piepende wielen
gaan sneller
over het wassend kruid...
Waar gaat ze heen? -
Ze lacht naar de horizon
en ziet niet om naar het dorp,
daar zijn de huizen weinig en arm,
nog staat de staldeur open
voor het kale erf...
Ze heeft linten in het haar,
linten op de schouders
en een kleurig corsage...

Men heeft haar geen uitgeleide gedaan,
geen heeft haar bij haar tooi geholpen...
Waar gaat ze heen?...
Ten avond zal ze keren,
de jonge mannen zullen haar toeroepen
dat ze mooi is,
mooier dan alle anderen,
maar de oude vrouwen zwijgen
en zien onheil:
de duivel hale haar!’...

De Gids, jrg. 90 (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

ene

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Ene kleine zonde.

Wij zitten soms - mijn lief en ik - 
Hele avondstonden naast elkander,
En praten over een en ander,
Doch schuwen trouw elkanders blik; 
Want moeder, die, ondanks mijn flemen,
Volstrekt niet weten wil van mij, 
Zou met te veel verdriet vernemen,
Dat ik met hare dochter vrij. 

Zolang ons moeder hoort en ziet, 
Gebaren wij van niemendallen,
En zitten schuldeloos te mallen,
En praten over liefde niet; 
Maar nauwlijks wendt ze de argusogen,
Of beide monden staan gereed - 
Het stoute misdrijf is geplogen,
En 't zoete kusje heb ik beet!

Liederen (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:10 Reageer op dit bericht

vaarwel

Een gedicht van Anton L.de Rop 1837-1895

Vaarwel

Vaarwel, vaarwel, mijn dierbaar
Vaderland!
Mijn Nederland, vaarwel!
Ik vaar van hier, van hier naar 't Oosterstrand,
Mijn Nederland, vaarwel!

Bij 't ruisen van de zilten vloed,
Breng ik aan u mijn afscheidsgroet.
Lief Vaderland, lief Vaderland, vaarwel!
Vaarwel! Vaarwel, vaarwel!

Aan u, aan u blijft steeds mijn trouw verpand;
Mijn Nederland, vaarwel!
Ik wijd aan u, aan u mijn hart en hand,
Mijn Nederland, vaarwel!

En zelfs in Java's wondertuin
Vergeet ik nooit mijn Hollands duin.
Lief Vaderland, lief Vaderland, vaarwel!
Vaarwel! Vaarwel, vaarwel!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

taal

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

De taal.

De mens te kennen, is des mensen wetenschap; 
Maar nimmer kent men hem uit klaatrend schoolgeklap, 
Door meesters 't ekstrenbroed in 't kooitje voorgebrabbeld,
Terwijl 't, ontroofd aan 't nest, op de ijzren tralie knabbelt.
Neen, toon hem in de Taal, die uit zijn boezem breekt, 
Door de oudren in hun kroost met d' adem opgekweekt, 
't Ontvloeisel van zijn ziel, door 't lichaam uitgedreven.
Daar schuilt zijn mensheid in, zijn zelfgevoel en leven.
Zoek in u-zelf de Taal, en ken u-zelf in haar: 
Haar spiegel is ons Al, haar uitdruk 't menslijk waar. 


1822.

De dichtwerken van Bilderdijk. deel 13 (1859)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:14 Reageer op dit bericht

beurs

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

AAN DE BEURS VAN AMSTERDAM

Doorluchtig koopslot, meesterstuk
Van KEIZER, die ons Koopgeluk
Aan uw gerief zo dier verplichte,
Wat geest heeft uwe naam bedocht?
Spruit die van ’t veld, dat Dido kocht,
Toen zij haar hof en Koopstad stichtte?

Of heeft de Beurs die naam Gebaard,
De Beurs, die ’t geld met zorg bewaart?
Zo blijf de Zedigheid bevolen:
Want schepen brieven, geld en goed,
En Beursgeloof is eb en vloed.
De Beurs wordt om haar geld bestolen:

En wat ’s een geldeloze Beurs?
Een koopmans gasthuis vol getreurs.
De Beurs heeft ook haar Martelaren.
De winst verandert met de wind.
D’een mist het geen een ander vindt.
‘T is kunst te winnen en bewaren.

Uw wissel draaft vast op en neer.
Dat postpaard maakt wel knecht van heer,
En Reinout kan het schaars berijden.
Het slaat dan voor dan achter uit,
En van  ter zijde; en wordt gestuit
Met smert; dies pas zijn hoef te mijden.

Verzekert gij het zeegevaar;
Wat borg zal uw verzekeraar
Verzeekren van uw scha  te boeten,
Daar ’t grimmelt van onzekerheên?
De terling geeft u zes, of een …
Wie weet wat kans u zal gemoeten?

Daar nu de zuil ’t gewelfsel stut,
Dook eertijds, in zijn rieten hut
De visser, die met list van fuiken
De gauwste Amstelvis bedroog
Daar Koopliên, onder uwe boog,
Nu zon, nu regenbui ontduiken.

Mistrouw dan vrij uw Koopfortuin.
Carthago leit bestulpt met puin,
En waar is Tyrus? waar de muren
Van Sidon, en zijn koopmansstraat?
Het Beursgeluk dat komt, en gaat.
‘T geluk kan zelden steen verduren.

BEURSKNECHT

--------------------------------------------------------------------
* Hendrik de Keizer, in het begin van de 17e eeuw stadsbouwmeester in Amsterdam leidde de bouw van de Amsterdamse beurs.
* Dido: de koningin die Carthago stichtte. Nadat zij was gevlucht uit Tyrus, kreeg zij Van de koning aan de Noord Afrikaanse kust. een stuk land dat zo groot was als zij met een runderhuid kon omtrekken. Door deze eerst in smalle repen te snijden omsloot zij een aanzienlijk stuk land ..
* Reinout – uit  De Vier Heemskinderen - was zo sterk, dat hij als enige het Ros Beiaard temde.
* Carthago was ooit een belangrijke stad aan de Noord Afrikaanse kust. Carthago kon in wedijveren met Rome en de twee steden waren voortdurend met elkaar in oorlog. Na eeuwen van strijd werd Carthago in 146 voor JC vernietigd door het Romeinse leger en de inwoners werden door de Romeinse soldaten uitgemoord.
* Tyrus en Sidon zijn handelssteden die voorkomen in het bijbelboek Jesaja. De profeet Jesaja voorspelt de vernietiging van de stad Tyrus en de ontvolking van Sidon. Daarna zullen 70 jaren verstrijken voordat andere steden weer handel willen drijven met Tyrus.
* BEURSKNECHT: Joost van den Vondel heeft het gedicht ondertekend alsof het gedicht is geschreven door de beursknecht. De beursknecht had het toezicht op de beurs zodat de bepalingen werden nageleefd.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

zonlicht

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

HET  ZONNELICHT  IS  NEERGEDAALD

Het zonnelicht is neergedaald
      en ‘t gaat bij andere lieden,
verwacht en welkom-weer onthaald,
      de dag hun doen geschieden.

Het morgent daar, het avondt hier,
      en wonderschoone verven
zie ‘k wentelen in het westervier,
      en stille, stille sterven.

‘t Was rood eerst, helder peers weldra;
      en, blauw- en blauwerwendig,
door al de hemelen heerst daarna
      één duisterzijn bestendig.

Noch nacht en is ‘t noch dag: het vier
      der zonne is schaars geweken,
of, helpzaam wordt de keerse hier,
      daar de avondzonne ontsteken.

Het pinkoogt, of ‘t een meiske waar'
      dat wenen wilt, van verre,
nu zuid, nu noord, nu hier, nu daar
      een nieuwgeboren sterre.

Dan, waar ik sta, zie ‘k, om end om,
      Gods legerwachten waken;
en, in die eindloos wijde kom,
      al ‘s hemels diepten blaken.

Hoe bang ben ik! ‘k En durf bijkans
      mijne oogen niet betrouwen,
o Heere, op uwe sterrenglans:
      hoe zal ik U aanschouwen?



(10/12/1890)

Tijdkrans (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten