Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

zoeker

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Ik ben de zoeker

Ik ben de zoeker naar het Nooit-Behaalde.
Ik ben de Strever naar het Ware Zijn.
Ik ben de dronkene van `s Levens wijn,
die wonderlijk-krachtig mijn spieren staalde
toen ik, als onverschrokken duiker, daalde
tot in de krochten van het Diepste Zijn,
waar ik dan uit meebracht een luttel grein
Waarheid, die klaar gelijk juwelen straalde.

Laat mij dan maar in mijn vreemd-lijkend Zijn,
droevige om `t Zijnde en als edelsteen rein.
Want, schoon mijn geest somtijds in `t zoeken faalde,
en op verlokkende zijwegen dwaalde,
zou toch mijn strijd niet de allerschoonste zijn,
daar ik, staag worstlend, verschopte alle Schijn?


1947

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

roem

Een gedicht van Hilda Ram 1858-1901

Roem.

O roem! wat zijt ge een ijdele droom!
O wereldse eer, wat zijt ge ledig!
Geen wulpse deerne, die 't mensenhart
Als gij bedriegt, zoo vals, meinedig!
Eerst weifelend tuurt het bewonderend oog
In de verte u na, verrukt, betoverd,
Door wat daar schittert in 't wazige floers
Van 't hulsel, waarmee ge uw gedaante omlovert.
Hij droomt, de onervaren... Een godengestalt
Verbeeldt hij zich in de prachtgewaden
Verborgen, die zwevend en lokkend van ver
Zijn blikken met rijke glans verzaden.
Hij droomt... hij dorst naar dat liefelijk beeld,
Die schone gestalte - het ongekende!
O, mocht hij 't bereiken! zijn boezem zwelt,
Hij droomt, hij dorst... Waarheen hij zich wende,
Niets geeft verpozing aan 't bruisend gemoed:
Hij wil, hij zal in zijne armen u drukken,
Die uit de bedwelming, uit de slaap
Der zinsverdoving zijn ziel kwam rukken!
Hij streeft vooruit, hij werkt, hij slaaft,
Vertrappelt onder zijne voeten
Geluk en vrede en rustige vreugd;
Geen arbeid is hem te veel, geen wroeten!
Hij leeft om de toekomst!... De arme, o mocht
Hij steeds in begoocheling blijven leven,
Zijn ziele voeden met zinsbedrog...
Maar zie, er komt een eind aan het streven,
Daar nadert, daar grijpt hij 't gewenste doel!
Hem is de roem, hem de eer, en de glorie!
Zijn kracht is ten einde, hij wankelt, hij zwicht;
Wat geeft het? Nog roept hij: Victorie! Victorie!
En drukt aan zijn hart, die zijn hart verwon...
Haast wijkt de bedwelming; nu wil hij genieten,
Zijn blikken verzaden, verzaden zijn dorst.
Helaas!... moest zo hem zijn waan ontschieten?
Bedriegt hij zich? Was dat zijn droom?
Vertwijfeld rukt hij 't gewaad van uw schouder,
Dat schitterend hulsel, zo blinkend schoon -
Zijn bloedstroom stuit, zijn hart klopt kouder:
In volle naaktheid staat gij daar,
Een aaklig geraamte met holle kaken,
Een spotgrijns op de vale mond,
Waarop hij meende de zoen te smaken,
Die gans zijn ziel met weelde en genot
Zou vullen; huiverig koud de leden
Wier gloed hem opnieuw beleven moest! -
Ontgoocheld staat hij; zijn gans verleden,
Hij heeft het u ten offer gebracht,
U, die hem alles in loon zou geven,
Doch snood hem bedroog: gij geeft hem niets:
- Teleurgesteld is zijn ganse leven!

Antwerpen, september 1890.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

opdracht

Een gedicht van J.W.F Werumeus-Buning

Opdracht

Naar een motief van Christine de Pisan

Ik heb om u mijn plicht verzaakt,
Uit liefde heb ik kwaad gedaan,
Het zoete vleien van uw mond
Maakte dat alles bitter smaakt.

Maar in het godsoordeel der smart
Sprak ik geen woord van smaad om u;
Toen kende ik, Eva, in dat vuur,
Het onveranderlijke hart.

Zo is eens Adam uitgeleid,
Verwoest de tuin die hij bezat,
Zo is ook Jobs gelovigheid
Beproefd tot hij geen ding meer had.

Niet wij, Gods wil is meer dan al,
Genade loutert met geweld,
Zo werd de kleinste ster gesteld
In het oneindige heelal;

Zijn onverbiddelijke dwang
Nam u, en gaf aan mij de stem
Der jongelingen in het vuur,
En lenigt alles met gezang.

Ik breek het brood thans iedere dag alleen
Ik slaap alleen, alleen ga ik mijn wegen
Ik praat alleen, die liever had gezwegen
Ik noem uw naam, ik noem uw naam alleen.

Ik bid tot God, maar God laat mij alleen,
Ik ben alleen, ik ben alleen gebleven
Ik eet alleen, aan 't einde van mijn leven
Ik leef alleen, en straks sterf ik alleen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

ambachten

Een gedicht van Hermanus Asschenbergh 1726-1792

De drie ambachten.

Een zekere iemand kwam bij zekre Predikant,
(Ik meen 't was in Zuid-Beveland.)
Die hij zeer nedrig bad aan hem een gift te geven,
Tot ondersteuning van zijn leven.

Hoe! sprak de Predikant, verwonderd zijnde: gij
Komt mij ordentlijk voor, en vraagt ge een gift van mij?
Ja, zei hij, ja, mijnheer! 'k ben tot die stap gekomen,
Opdat mij 't leven niet door honger word' benomen.

Kent gij geen ambacht? vroeg hij weer,
Ja; ik ken er drie, mijnheer:
Het stratenmaken, 't knopenmaken,
En 't brillenslijpen; dat zijn alle drie mijn zaken.

Wel, vroeg hij, waarom bleef ge aan 't stratenmaken niet?
Och! dat 's een werk, mijnheer, dat niets baart dan verdriet:
Men heeft thans zo veel ommewegen,
Dat aan de rechte weg geen sterfling ligt gelegen,

Waarom die ook niet slijt. Wel, 't knopenmaken dan?
Dat 's iets, waarbij geen mens de kost ooit winnen kan,
Was 't antwoord: wie dit waant, vindt zich gewis bedrogen:
Men hoort thans veel te veel van haken en van ogen.

Nu, 't brillenslijpen?.... och mijnheer!
Dat 's nog het ergst van all'; geloof mij, op mijne eer:
Want op het goede wordt geheel geen acht geslagen;
Dies is een bril onnut in dees bedroefde dagen;
En 't kwaad, dat dag aan dag geschiedt,
Is 't, dat men door geen bril, maar door de vingers, ziet.

Vaderlandsche letteroefeningen, jrg.1794

Geschreven door Dora om 23:08 Reageer op dit bericht

God

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

God rolt de zonnen door zijn handen…

God rolt de zonnen door zijn handen
zoals de boer het zaad.
De ruimte kent geen randen
en eindloos staat
de sterrentuin te branden.

Als dauwdrop aan der aarde bloeme’
weerspiegel ik het al.
Ik hoor de sferen zoemen
Gans 't sterrendal
probeert Uw naam te noemen.

't Geheim blijft tot de nacht behoren,
waarin ik ben ontstaan,
tot, opgeslorpt, in schijn verloren
in 't licht vergaan
in U ik word herboren!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:26 Reageer op dit bericht

stadje

Een gedicht van Larens van der Waals 1885-1968

 

Beschenen stadje.

Het stadje op het verre veld 
beneden ons, in mist verscholen,
heft zijne toren, half verholen,
in 't licht dat met de mist versmelt
en door de gouden schemer snelt 
het vlottend schaduwig geweld 
der vlugge wieken van de molen. 

De hemel, wolkeloos, omvat 
de prille tere zuiverheden
van licht en lucht te saamgegleden.
- De stille paarlemoeren stad, 
die dof de dauw beslagen had, 
verglanst zacht in het diepe bad 
van zondoorwaasde vochtigheden. 

De vreugde, die het hart ontwelt, 
zoekt samenzang van zachte koren,
vangt klanken door de wind verloren
die zij tot zangen samensmelt.
- Of glazen klok, gebarsten, belt 
verbeven over 't vochtig veld 
de broze slagen uit de toren.

Onze Eeuw, jrg 19 (1919)

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

verschiet

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

VERSCHIET

Grijze torens     
staan als horens    
van de neergevleide stad,   
en ik peize    
welke wijze   
ritselt in het popelblad.

‘k Wou wel gâren   
op mijn snaren  
wat daar doemt uit nevelrag,   
en te noene  
boven ’t groen    
zingzoemt in de zomerdag.

Gedichten (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

moed

Een gedicht van Seerp Anema 1865-1961

Moed

O, laat mij gaan, waar gindse duinen rusten,
waar koele westenwind nauw ademhaalt
en matte herfstzon zilvertintig straalt
en vrede murmelt aan de kalme kusten!

Hoe laaft mijn lijf, o eeuwig onbewuste,
zich aan de wind, die van uw kruinen daalt,
en vallend lover lispelt en herhaalt,
dat eenmaal rusten mag, die nooit mocht rusten.

Want achter al mijn kwijnen en mijn klagen
trilt in mijn hart nu hoog, dan somber diep,
maar steeds, - een toon van nimmermeer versagen!

Omdat mijn Heiland bij mijn naam mij riep
en heeft gezegd, dat ook voor mij zal dagen
het leven, dat Hij in zijn sterven schiep!

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

merellied

Een gedicht van Gaston Burssens 1896-1965

Merellied

Reeds is de zon in purperbrons gezonken
en sleept na zich een laan van gloed,
die 't landschap verwt in kleurenpracht en 't haantje
van de toren fonklen doet....
Daarna, in 't nakend, fluistrend avondslomen,
gewiegd door 't ruisen van het riet,
weerklinkt uit malse, volle merelborste,
het malse, volle merellied:
het gallemt in de plecht'ge avondstand;
met lieflijk stijgend geborrel,
en 't schalt en 't schalt en 't zijpelt door de lucht,
met rollend, orgelend gescharrel;
en 't wijfje galmt hem tegen, guitig-lief,
als helder tokkelende bronne.
En samen gorgelen z'een lied, een lied
van kalme, stille levenszonne....

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

overwerk

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

Overwerk

In het bleke ochtendgloren
Stapelt Dora nachtclubstoelen,
Want dat doet ze van tevoren
Omdat ze de vloer moet spoelen.

Zo maar schrobben is zo zonde;
Even doet ze snel de ronde
Om vooral de driekwart peuken
Voor het knechie in de keuken
En de bandjes van sigaren
Voor haar nichie te bewaren;

En vergetene corsasies
Zet ze thuis in kleine vasies
En de glazen met de ressies
Giet ze uit in doktersflessies,
Want vanavond is het feest:
Vijfentwintig jaar is Dora
Werkster op die club geweest.

's Avonds zit ze stil te dromen
Of de directeur zal komen
Met een dichte enveloppe,
Maar geen mens komt bij haar kloppen.
Somber zet ze alle flesjes
Met de restjes op een rijtje,
Zit te wachten nog een tijdje,
Maar zo tegen half elf
Proeft ze alle drankjes zelf
En na nog een drie kwartier
Heeft ze stilletjes plezier.
Sloeg het daar niet half negen?
Nee, ze kan er niet goed tegen,
Restjes zijn merakel sterk:
Zwaaiend gaat ze naar haar werk.

Toen ze binnenkwam, toen spoog ze
Eerst een paar keer in haar handen,
Schoof de mensen van de stoelen,
Maakte stapels aan de wanden.
Daarna ging ze op haar ronde:
Nam de peuken uit de monden,
Brak de brandende sigaren
Om de bandjes te bewaren,
Trok de dure orchideeën
Uit de halsdecolleteeën;
Schuimende champagneflessen
Sjouwde zij bijeen als resten.
Dora zong haar morgendeunen
Samen met de lady-kreuner.
Ze kroop stotend tegen benen
Om de dansvloer af te nemen
En ze plaste met de emmer
Op de divans en de paren
En ze stak de ruwe bezem
In gepermanente haren;
Met een pekinees begon ze
Toen de tafels af te sponzen;
Alle poten moest ze boenen,
Ook al stonden ze in schoenen.

Eindelijk na veel proberen,
Wisten obers en wat heren
Dora in een hoek te trekken,
Waar ze met een zucht in slaap viel
Met een dweil om toe te dekken.
Dora moest wel drie keer vragen
Waarom Dora werd ontslagen:
Dora zelf had niets gemerkt,
Maar haar plicht gedaan: gewerkt.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:23 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten