Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

annabel

Een gedicht van Jan Engelman 1900-1972

Annabel

Mijn kleine, kleine Annabel
zij zong zo zuiver en zo schel
als fluiten op een glansrivier,
zij was geluk en leefde hier

mijn kleine, kleine Annabel
ik wist uw prille leden wel,
de trilling van die bloemenmond
wanneer een hand uw haren vond

mijn kleine, kleine Annabel
de geest is lang, maar wij gaan snel:
op 't koude laken ligt uw lijf
en ik vind nergens meer verblijf

mijn kleine, kleine Annabel
als ik in hemel of in hel
moet varen met mijn lichte lied,
verloochen, maar vergeet mij niet

Tuin van Eros (1933)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

weeshuis

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

Op ons Weeshuis

Hier treurt het Weeskind met geduld,
Dat arm, is zonder zijne schuld,
En in zijn armoe moet vergaan,
Indien gij 't weigert bij te staan.
Zo gij gezegend zijt van God,
Vertroost ons uit uw overschot.

De werken van Vondel (3) 1627-1640

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

het licht

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

HET LICHT.

Wij zaten aan het kalme plein,
voor 't open venster van ons klein
vertrek, de avond te beschouwen.
Wij zagen hoe de hemel, bleek
en ver, over de gevels week
van de ons omringende gebouwen.

De gave stammen, vast en rond,
van olmen stegen uit de grond
en hoog, om de verspreide kronen,
zagen wij voorjaarsvogels al
de uitgebreide schemerhal
met hunne omzwervingen bewonen.

Wij konden nog het klaar geluid
horen voorbij ons gaan, dat uit
de verte kinderstemmen maken.
Een late zang bereikte ons, die
verliep. Toen zei-je aandachtig: „zie
„o zie het licht over de daken ..."

Wij liepen in de luide stad,
waar onze liefde zoveel had
gevonden en zoveel geleden.

Getijden (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

vlas

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Het vlas staat in de blom.

Het vlas staat in de blom,
Al groen en blauwig; 
En 't windje vliegt er om
Zo vleiend lauwig. 

De herels rechten flinks
Hun tere topkens, 
En keren, rechts en links,
Hun kleene kopkens. 

Hoe zot en preuts ze zijn,
Elk met zijn vaantje 
Van hemelblauw satijn
Op 't groene staantje! 

Hier beet een bruine bie;
En ginder, ginder, 
Vlug weg en weder, zie!
Een witte vlinder! 

En voort, tot waar dat blauw
En groen in 't koren, 
Vol lokkend grijs en grauw,
Verloopt, verloren; 

Zo ver als om-en-dom
Het oog kan dragen, 
Het vlas staat in de blom
Te wiegewagen.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Guid Gezelle 1830-1899

Brand los, mijn hert

Brand los, mijn hert, van al dat uw
gevlerkte vlucht ombindt;
brand los van kot en ketens, nu
de wenende oge ontblind;
brand los, mijn hert, 't is nu, 't is nu
dat de hemelvaart begint!

Kleengedichtjes (1860)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

Sint Jan

Een gedicht van Albertine Steenhoff-Smulders  1871-1930

Sint Jan

Nu is de nacht alleen een waas van dauw
Dat strelend op de warme weiden daalt
En vóór ’t opaal vervloeit in donkerblauw
Teerrood alrêe de morgenschemer straalt,
Het zijn de lichte nachten van Sint Jan.
Zwaar wolkt een geur van rozen door het woud,
Daar is geen vogel, die nu slapen kan,
Geen bloem, die niet haar kelke openvouwt.

Stil-stralend ligt de Plas in zilverlicht;
Heel zacht bewogen door de morgenwind
Wuift suizend riet; in ’t wijde vergezicht
Sluimren de dorpen in matgrijze tint.
’t Is hoogfeest van het blije zomertij,
Reeds juicht de merel als de vreugde ervan,
De zomerdroomen ruisen ons voorbij …
Het zijn de lichte nachten van Sint Jan.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

mensheid

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

De voortreffelijkheid der mensheid.

De Vleizucht moog een lofzang zingen,
Als Heerszucht mensenbloed vergiet,
Om volken door haar wenk te dwingen;
Zij schat, onsterflijk mens! zij kent uw grootheid niet.

Geen troon verheft, geen stulp vernedert;
Het goud versmelt, en de eer is schijn;
Maar 't hart, door eedler smaak vertederd,
Zingt vrolijk; ‘'t Is voor mij genoeg, een mens te zijn.’

Voortreflijkst Schepsel! Heer der Aarde!
Uws Makers liefde! Uws Makers beeld!
Gevoel, als Gods geslacht, uw waarde,
En toon, dat in uw geest de Geest der Godheid speelt!

Zo pronkte ge eens, gelijk een ceder;
Dan ach! nu ligt ge in 't stof geveld:
Gij stortte van uw hoogte neder,
Daar ge, al wat u omringt, hier tot verwoesting stelt.

En nog wil God de mensheid eren:
Gods Zoon werd mens, en stierf op aard',
Leer mensdom, leer uw zelf waarderen;
Zo veel is uw behoud zelfs aan de Godheid waard.

Al moog deze Aarde een handvol schijnen
Bij 't groot Heelal, een stip bij God;
Al ziet ge u op dit stip verdwijnen;
De mensheid van Gods Zoon plaatst mensen naast bij God.

Hij heeft uw schuld op zich genomen,
En is tot ons met 's Vaders Geest,
Tot God met ons rantsoen gekomen:
Hij is een mens bij God, en God bij ons geweest.

Hij heeft de mensheid hoogst verheven,
God zag in Hem, schoon 's Mensen Zoon,
De heiligheid der Godheid leven;
En wij, wij zien in Hem de mensheid op Gods troon.

Daar mag Zij 's Wereld lot bestieren,
Ten nutte van de Broederschaar:
Wij zullen ook eens zegevieren;
De kroon is in de hand van onze Middelaar.

Wat is het groot, een mens te wezen!
Schoon de Englenrang ons hoger schijn;
Wij, in 't verheerlijkt vlees verrezen,
Wij zullen, meer dan zij, gelijk aan Jesus zijn.

Hij, die met ons als broedren handelt,
Liet ons zijn Woord en Geest te pand,
Welaan! zijn voetspoor nagewandeld!
Daar Jesu's mensheid is, daar is ons Vaderland.

ô Mens! hoe Godlijk zijn uw schatten!
Het stof is voor 't gewormt bereid;
Niets eindigs kan uw heil omvatten.
Gods rijkdom is uw schat, uw leven de Eeuwigheid.

Vaderlandsche letteroefeningen, jrg 1792

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

rozeneiland

Een gedicht van J.A. van der Mouw 1863-1919

't Rozeneiland

't Rozeneiland Cyprus betrad een zeeman;
tempelwaarts eerbiedig zijn schreên hij richtte,
tot hij kwam, waar spieglen in groene golven
marmeren zuilen:

'Priesters, op! brand 't geurigst, het kostelijkst wierook,
stijg' zijn damp naar 't dak van deez' heil'ge tempel,
pleng op 't altaar purperen wijn en helder
       rijzen uw hymnen:

Diensters, op! pluk rozen en kronklend eiloof,
geur'ge bloemkrans vlecht op het heilig altaar
haar ter eer, die erfde de op 't ruim der wat'ren
       dartlende glimlach.'

Hem, die Mij eert, schenk Ik Mijn gunst der liefde
vaste trouw; u, maagd, in het nev'lig noorden
zend dit pand Ik, heil'ge van 't zonnig Cyprus,
       Ik, Afrodite.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

gesprek

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

GESPREK

Er was geen nood, er was geen zonde,
Die ik niet aan u zeggen konde.
En alle zorg en alle wee
Verzonk in uwer liefde zee.

Gij had geen woorden en gebaren,
Het licht, dat fonkelde in uw haren,
De glans die in uw ogen lag,
Uw klaarheid wàs: de nieuwe dag,

De milde zon, de frisse winden,
't Onwrikbaar aan elkaar verbinden
Van morgenkalmte en avondvreê,
Van stervens- en geboortesteê.

God laat de sferen soms verschuiven,
Even zijn de heemlen openwuiven,
Opdat wij weder vreugde en moed
Veroveren voor ziel en bloed.

En zo zijt gij ... maar waarom beven
Uw wimpers en uw lippen even?
'Omdat ik voor die vrede en pracht,
Als gij, op Gods genade wacht.'

Uit: De Kringloop (1912 - 1935) (12-04-1934) .

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Alfrad Hegenscheidt 1866-1964

Avond aan Zee

De gladde golven glippen naar de rede
Met klaterend even, weer gesmoord gekoos,
De hemel schemert over zee, en mede
Is vrede wijd en zijd en tijdeloos.

En uit de haven komen zij gegleden
De boten met hun zeilen roereloos,
Een kantige schaduw tegen donkerheden,
In 't spiegelende nat een schaduw broos.

De nacht is peilloos; waar de verte zwicht,
Verschijnt, verdwijnt het wezenloze licht
Van ene baken in de zee verloren.

De boten, onbeweeglijk, gaan te lore.
Ginds in de nachtelijke wederschijn,
Schaduw en schaduwbeeld verschemerd zijn.

Van Nu en Straks, jrg 4 (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten