Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

reizen

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

REIZEN

Ligt aan de tint des gronds verscheiden verve,
Hangt aan het licht der zon verscheiden aard
Der mensen? Dán, o laat mij, laat mij zwerven,
O laat mij dolen, dolen Oost-, West-waart.

Hoe zoude ik in dit eenzaam kluisken derven.
Kennis dier allen, die in weelde-gaard'
Of woestenij van stad of zand-zee erven
Des levens vonk, uw gave, o Moeder Aard',

Uw gave, o Vader Zon. 0 laat mij drinken
De blik van ogen, zwart, bruin, hemels-blauw,
O laat mij diep in kelk van stem wegzinken,
Daar pure ziel als bie puurt honig-dauw...

Ach, oov'ral beedlaar zijn, slechts gaven gaeren?
Geen stem doen helder zijn, geen smart-blik klaren?

15 maart 1919

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

vonkelt

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Vonkelt er een straal der zonne

Vonkelt er een straal der zonne,
lachend in het hart der bronne,
borr’lend zingt ze in heilige wonne:
liefde, liefde zoet! 

Kom, terwijl die zielestralen
van het liefke in mij dalen,
zal ik moedig haar herhalen:
liefde, liefde zoet! 

Hebt ge, kind, de straal der minne,
‘k voel in mijne ziel en zinnen,
d’eeuwige bronne voor u rinnen:
liefde, liefde zoet!

Uit de liefde in het leven (1870)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

DE DICHTER

Toen ik nog daar was, twistten om mijn ziel,
En voerden, met het zwaard gewapend, strijd,
Twee machten, die ik in de handen vie!,
De worm zo noemde ik ze en de oneindigheid.

Maar zie nu naast mijn grafstee opgericht,
Tezaam gebeiteld uit het kuis albast,
En warm besprenkeld door het weemlend licht,
De beide knapen bij hun kus verrast.

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

tred

Een gedicht van Henriette Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

 

Ik zie ze gaan, met de vermoeide tred

Ik zie ze gaan, met de vermoeide tred
van hen die moedeloos-ontkrachtigd leven,
die nooit op banen van manmoedig streven
een veerkrachtige voet hebben gezet.

Ik zie ze gaan, met de slepende gang
van wie niets wacht, na de doorzwoegde uren,
dan even 't kort opflikkren van de vuren
der lust, en weergalm van haar rauw gezang.

Ik zie ze willoos vallen naar de nacht
en neerstorten in de slaap zonder beelden
die hun trillende lijven maakt als lood...

Heeft àl ons wete' ons dan hiertoe gebracht
en àl ons kunnen? Tot zielloze weelde
voor weinge' en voor de velen 't leve'-in-dood?

Dietsche Warande en Belfort. jrg 1929

schrijver

Geschreven door Dora om 22:31 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

ALLES IN ËEN.

Geen najaar nog, maar in zijn volle zomer
Strekt zich voor mij het land des Levens uit;
Na 't blanke bloemscherm voor de jonge dromer,
Rijpt voor den man 't geboomt zijn vroegste fruit.

Veel donkre dalen liet ik stijgend achter,
En 't morgenland, dat diep teruggeblauwt:
Een werelds paradijs, waar zacht en zachter
Kleuren vervloeien en het licht verflauwt.

Maar lust het mij somtijds terug te keren,
Dat land der Jeugd te zien met mannelijk oog,
Dan brengt Herdenken 's harten teerst begeren
Zo toovrig schoon als 't eéns dat hart bewoog,

En zet in brand, wat lang zijn vlam verloren,
En maakt zelfs zoet, wat eind te bitter had,
En wijst de oude weg, door 't zonnig koren,
Naar 't schaduwkoele van der wouden pad,

En doet mij, schoon of 't werkelijk waar herleven
Het uur, dat nooit op aarde weerga vond,
Een lach, die leeft, langs dode lippen zweven,
En wekt het woord uit lang gestorven mond.

Heeft mij dan dus een eeuwig trouw Herdenken
Opnieuw geschonken vreugd van vroeger tijd,
Dan zie ik 't Leven voor mijn voeten drenken
In glans van Uwe tegenwoordigheid;

Dan ligt, zo ver als achter mij 't verleden,
Het Leven vóór me' in volle zonnegloed;
Dan, 't licht verschiet, van 't Leven nieuw betreden
De voller vreugd, die 'k eenmaal vond, vergoedt,

Daar zingend klinkt door mijn verjeugdigd wezen
De klare vreugdklank Uwer stemme heen,
En ogen zeggen, wat ze' in ogen lezen:
"Niet meer alleen, nooit meer op aarde alleen."

Gedichten (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:02 Reageer op dit bericht

waarom?

Een gedicht van P.A.M. Boele van Hensbroek

Waarom die dromen?

‘Waarom die dromen? - Weer ze uit uw leven!’
Zo hoor ik stemmen. - Wrede werkelijkheid
Is 't, die van 't wiegje naar het graf U leidt,
Wat kunnen dromen U voor 't leven geven? -

En tóch, tóch acht ik ze mijn hoogste goed,
Die dromen. Of ze ook nevelbeelden blijken,
Zij komen daaglijks heel mijn zin verrijken
Met schatten van genot, van licht en gloed.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

omhoog

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

Omhoog zien naar de zon de waterrozen

Omhoog zien naar de zon de waterrozen,
Kinderlijk, alsof 't Rafaels eng'len waren;
Grauw slib en wijde schem'ringen bewaren,
Die hier de dood stilde tot smartelozen.

Opzuigt de bliksemstorm het meer tot hozen:
Dan staan in blauw doorschijnende pilaren
De doden: hun zwarte ogengaten staren
Boven hun grijns om macabre apotheozen.

Naar Brahman's zonlicht bloeien mijn gedachten;
Schem'ringen, koel, van zielegronden brachten
Rust aan mijn smart om wensen, lang gebroken:

Vlaag van herinn'ring woelt uit grauw vergeten
'T verleden op bij flits van plots'ling weten -
'T herrijst, 't herrijst; mijn dode wensen spoken.

Brahman II (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:01 Reageer op dit bericht

treur

Een gedicht van J.P.Hasebroek 1812-1896

Ja, treur vrij omdat u de Jonkheid ontvlood

Ja, treur vrij omdat u de Jonkheid ontvlood,
En met haar de dromen der hoopvolle jeugd.
Want arm wordt ons 't leven aan heil en geneugt,
Zo ras ons verbeelding haar lusthoven sloot.
Geen pantser beschut ons voor 's ongeluks prang,
Als wat onzer Jonkheid de boezem omtoog:
De traan, door de Droefheid ontlokt aan haar oog,
Is zoeter dan 't lachj' op de rimplende wang.

Ja, schoonst is de bloem, als haar purper en goud
Nog schuilt in het groen van de omzwachtlende bot,
En 't leven het zoetst als de roos van 't Genot
Nog niet uit de knop van de Hoop zich ontvouwt.
Zelfs, wat ons ontga, de gedachte aan die vreugd
Is 't lusthof waaruit ons geen Cherubszwaard drijft:
En geen zwerft er rond over de aarde of hem blijft
't Herdenken aan 't Eden van Onschuld en Jeugd.

Poëzij (1836)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

wijn

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

WIJN, LIEFDE EN SLAAP.

De muzelman weerstaat god Bacchus,
De monnik god Cupido;
Men biedt die goden trots:
God Hypnus slechts is onweerstaanbaar;
Hem volgt, gedwee en willig,
En turk en kloosterling.

De wijn baart dronkenschap, de liefde
Onkuisheid; maar het slapen
Schenkt nuchterheid en tucht.
De dronkaard zoekt alom krakelen,
De onkuise vuile vreugden;
De slapende ademt deugd.

't Vermaak, te drinken en te minnen,
Is vluchtig, als ons leven;
De dood fnuikt liefde en wijn.
De slaap bepaalt zich aan gene eeuwen:
Want sterven wij in 't einde,
ô Dan eerst slapen wij!

De schrandere arts verbiedt de kranken
't Gebruik des wijns, en tevens
't Genot der zoete min;
Terwijl zijn kunst daarop bedacht is,
Dat hij de zwakke lijder
Een zachte slaap verschaff'.

De stervenden walgt dartle wellust,
Ook walgt hem de eêlste nectar,
In 't vege tijdgewricht:
En, vrij van 't ondermaanse, haakt hij
In de uiterste ogenblikken
Naar de armen van de slaap.

Proeve van Slaapdichten (1784)

Illustratie: Hypnus, god van de slaap.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

krekels

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

De krekels en de wandelaar

De dag ging heen, zonk eenzaam achter
Een oude wijze vlier,
De meiliedjes werden al zachter,
De wei lag vol getier -
De kleine krekels riepen:
Kom hier! kom hier! kom hier!

'k Sloop zachtjes door de bronzen wei,
Het zong er als een lier, -
Ik hoorde 't - ik was heel dichtbij -
Dan zweeg 't - ik zag geen zier, -
't Was verder dat ze 't riepen:
Kom hier! kom hier! kom hier!

De avond borg zijn schoonheid weg
- Zijn schatkist op een kier -
Ik zag het niet, 'k zocht langs de weg,
Ik zocht zo'n zingend dier, -
't Was ginder dat ze 't riepen:
Kom hier! kom hier! kom hier!

Ik voelde mij alleen in 't donker,
Een sterretje had plezier
En lachte met zijn fijn geflonker
Door de oude wijze vlier, - -
Alleen de krekels riepen:
Kom hier! kom hier! kom hier!

Van zon en zomer (1902)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:50 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten