Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

liefdesuur

Een gedicht van P.F. Kerckhoven 1818-1857

Liefdesuur

Schuitje, dobber zachtjes voort,
Voer mij naar dit eenzaam oord,
Waar in groene frisse dreven,
Door de zomergeur omgeven,
Niets de kalme ruste stoort.

Schuitje, dobber, dobber zacht;
Weldra zendt de koele nacht
Zijne frisse schaduw neder,
En de nachtegaal zingt teder
Zijne zoete minneklacht.

Weldra zal de zilvren maan
Aan de starrenhemel staan,
En het ondoordringbaar donker
Zal voor 't zacht en lief geflonker
Der vorstin des nachts vergaan.

Zielbetoovrend is die stond;
Dartel, zefier, dartel rond,
Meng uw zuchten bij 't geklater
Van het kabbelende water,
Dartel, zefier, vrij in 't rond.

Zie de schaduw daalt reeds neer
Op het spieglend kalme meer,
Rijkgetint door duizend kleuren,
En der waatren frisse geuren
Klimmen telkens meer en meer.

Alles ademt ruim en vrij,
Alles spreekt van melodij;
En de beekjes, die daar bruisen,
En de windjes, die daar ruisen,
Vormen mee de harmonij.

’t Zonnevuur is thans geblust,
Gans het aardrijk haakt naar rust;
Door de schaduw overtrokken,
Voelt het zich ter sluimring lokken,
Door natuur in zwijm gekust.

Zachte sluimring der natuur,
Gij verkondigt mij het uur,
't Uur der heilge, reine liefde
Die mij eens de boezem griefde
En nu streelt - het hemels uur!

Schuitje, vlieg nu, vlieg nu voort,
Tover mij in 't eenzaam oord,
Bij die frisse hoge linden,
'k Zal er thans mijn meisje vinden:
Trouw en heilig is haar woord.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:15 Reageer op dit bericht

sluimer

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Sluimer

Stil! - Duizendogig spiegelt zich in 't meer
De nacht, en laat haar bleke luchter beven,
Die gloeiend witte glanzen heen doet zweven
Om 't, rond de diepte reiend, rotsenheer.

En Sluimer daalt op vlinderwieken neer,
Met wuivend rijs, waaraan de druppen beven,
Die dauwend droom en zoet vergeten geven,
En zweeft in schaduw peinzend heen en weer.

En in mijn dolend hulkje, dat er glijdt
Langs 't kabblend zilver, zet hij zich; ik zie
Hem tederblikkend over mij gebogen.

Hij lacht mij aan, ontplooit de wieken wijd...
Ik hoor een sluimerende melodie,
En weet niet wat mij loodzwaar viel op de ogen...

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

bloemen

Een gedicht van Abraham van Collem 1885=1933

Bloemen, sterren, grassen en de zon

Bloemen, sterren, grassen en de zon
Nemen voortaan het bedoelen over
Van de kleine mensen op de aarde.
Want de werelden die in hen zijn
Moeten wachten op het mensenwoord
Dat hun zeggen zal waarom zij werden
Bloemen, sterren, grassen, en de zon.

Nieuwe Liederen der Gemeenschap (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:06 Reageer op dit bericht

nacht- kapel

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

NACHT-KAPEL

Daar hing geen zucht, geen vrage;
Daar was maar stilt' en duisternis
En mystisch viel er groenig-vaal,
Op heilgenbeeld een manestraal
In de ouw' Maria-nis.

Heel flauwkens monkel-lachend,
Als of 't zijn leste lachsken was,
Leek 't lampken Gods, in 't duistre rond,
Een blom, die zonder water stond
In rood kristallen glas.

Daar had ik geern gezongen,
Hoog boven al dat oud verdriet,
Maar toen ik 't lied beginnen wou,
Was 't of ik 't al ontheilgen zou —
En daarom zong ik niet.

Maar luistrend naar de stilte
En dromerig van dat blomken broos,
Rees in mijn ziele, moe gezocht,
Een goedheid, die geen mens vermocht:
Berusting eindeloos.

Op zachte Vooizekens (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

mei

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924

1 MEI

Kom vriend met uw jonge vrouw!
Met uw liefdevol hartlijke vrouw,
Met uw al zo zorgende vrouw -
    Welkom! welkom is zij
      De eerste Mei!

Kom vriend met uw zoon, uw kind!
Met uw jonge en al verstandige kind,
Met uw o! eenmaal gelukkiger kind -
    Welkom! welkom is hij
      De eerste Mei!

Kom vriend met uw kloppende hart!
Met uw duldend maar dappre hart,
Wij roepen uw hoopvolle hart
    Welkom in onze rij
      De eerste Mei!

Wij allen behoeven elkaar!
Wij winnen slechts met elkaar -
Helpen, helpen wij dan elkaar:
Maken we elkander vrij
De eerste Mei!

Ons is immers deez' dag!
Ons is deez' bloeiende dag!
Als eenmaal der dagen dag -
Die vindt ons zij aan zij
De eerste Mei!

Aan óns is de komende tijd!
Ons, óns is de nieuwe tijd!
O heerlijk toekomstige tijd
Wij voele' u nabij
De eerste Mei!

Want wij zijn de groten der aard!
Wij zijn de werkers der aard!
Wij zijn de winners der aard!
Dat zijn wij állen - wij
Den eerste Mei!

Uit stilte en strijd (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:22 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

O dood vlies van de torengracht

O DOOD vlies van de torengracht
en wreed gewekte kreet der zwanen,
de angst vloeit klam toe door de lanen
en stolt rondom de pijlerschacht.

O krimpend hart, dat uit de sprong
der wurgende belagers hoog naar boven
omhoog zich worstelde     sloven
aamechtig sinds het zich ontwrong,

walmende lamp, die opgetild
met floersen roet het smeulend gele
verduisterde en wuft het ele
leven des luchters had omhuld.

Gemengde verzen IV

schrijver

Geschreven door Dora om 15:43 Reageer op dit bericht

wens

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Wens

Mijn aar zij zwaar,
Als hem de sikkel telt;
Mijn kroon zij schoon,
Als hem de bliksem velt.

De dood brengt nood,
Zo niet vereelt hem reikt
De hand een pand,
Waaruit de dagvlijt blijkt.

Mijn zon, Uw bron
Springt nog voor aardse dorst;
Ach warm, dat arm
Ik niet zal staan, mijn borst.

Mijn aar zij zwaar,
Als hem de sikkel telt;
Mijn kroon zij schoon,
Als hem de bliksem velt.

Herscheppingen - Van de tweede wereld (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:20 Reageer op dit bericht

anecdote

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

Anecdote

Hoe groot, ô Mahomet! zijt ge in mijne ogen,
Door de eedle daad, voorwaar te min bekend;
Daar gij, verplicht om tempelwaarts te treden,
Terwijl uw kat op uwe mantel sliep,
De brede mouw, waarop zij vrolijk rustte,
Veel liever van de purpren mantel sneed,
Dan in zijn sluimren ’t zoete dier te storen!
Gezocht en eindelijk verkregen rust
Aan ’t rustend voorwerp gul te doen genieten;
Haar te beveilgen, en met eigen schaê
Haar te verlengen; ô dit is een offer,
Waarvoor de hoogste deugd slechts vatbaar is!

Proeve van Slaapdichten (1784)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

koning

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1809

De koning is gekommen!

De grote zon, de zomer is
ten oosten uitgeklommen,
       bezoekende zijn koninkrijk...

De volkeren, de groten en
de klenen, alle lieden
       hem koninklijk begroeten gaan
en blijde inkom bieden.

De mannen zijn veel sterker nu
ten arbeide, en de vrouwen,
       ze slaan wel nog zo dapper, met
de la, de weefgetouwen.

De jongens en de maagden, als
       of ze nog klene waren,
gaan lopen in de lanen, in
       de locht, en spelevaren.

Het kindje, dat geen tonge en heeft,
nu zingen kan; en ‘t aaien
van moeders hand- en mondgebaar
       vriendtoevig tegenkraaien.

De vogels zingen, de aarde zingt,
de kruiden en de blommen...
de zomer is, de grote zon,
de koning is gekommen!

Rijmsnoer (1896)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

reis

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

's Levens reis.

Met voor-de-wind en gunstig tij,
- Een wonder schoon begin - 
Met volle zeilen streven wij
De wijde wereld in. 
O! mocht op 's levens oceaan,
Zoo kalm als thans de waterbaan,
Van storm en strijd 
En ramp bevrijd, 
Ons scheepje voorwaarts gaan. 

't Zij Oost of West of Zuid of Noord
Het lot ons henen voer', 
Wij zeilen onbekommerd voort,
Zit godsdienst aan het roer. 

Met zulk een stuurman zijn wij klaar;
En woel' of spook' het hier en daar,
Wij volgen blij, 
Van zorgen vrij, 
En vrezen geen gevaar. 

Loei ook de storm bij winterweer,
Of steek' de zonnegloed, 
Stroom' klett'rend soms de hagel neer
En kook' de zilte vloed, 
Het nieuw geschoren lam verdraagt
De wind geduldig, die het plaagt:
Met d' eigen moed 
De tegenspoed 
Verduurd en niet geklaagd. 

Hoor ginds, hoe, in 't ontbladerd bos,
De roodborst zit en fluit; 
Toch viel zijn warme vederdos
Door koude nachtvorst uit. 
Zo houde ook ons, hoe guur het zij,
Een goed geweten warm en blij,
En blijve altijd, 
Het lot ten spijt, 
Ons de opgeruimdheid bij.

Zeemansliedtjens(1852)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten