Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

filosofie

Een gedicht van O.C.F. Hoffham 1744-1799

Praktikale filosofie

Parmenides ontkende de beweging:
Diogenes, om hem te wederleggen,
Sprak niet één woord, maar rees van zijne zetel,
En wandelde slechts voor hem heen en weder.
Doch filosoof Diogenes, op zijn beurt,
Verviel in dwaling tot het andere uiterst',
En loochende de rust: wat groter dwaling!
Zo hij nog leefde, mij de rust ontkende,
Ook ik zou zwijgend zijn systeem weerleggen:
Ik zou alleenlijk voor zijne ogen slapen.

Proeve van slaapdichten (1784)

Illustratie: Diogenes

schrijver

Geschreven door Dora om 11:56 Reageer op dit bericht

lentelied

Een gedicht van J.P. Heije  1809-1876

LENTELIED.

De lucht is blauw, en groen het dal;
Viooltjes bloeien overal
En lelietjes van dalen;
't Is alles geur
En fleur en kleur,
En glans en gloed en stralen.

Wees blijde nu, gij treurend hart!
Al heeft de Lente lang gemard,
Ze is dubbel schoon verschenen:
Geef God, de Heer,
Nu dank en eer;
Uw Winter óok vlood henen!

schrijver

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

bede

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Bede

Lichte nacht, die lichter zijt
Dan mijn donker droeve dagen,
Sterrennacht, die groter zijt
Dan mijn kleine hart kan dragen -
Laat mij knielen in het duister,
Waar geen sterveling mij ziet,
En mij bidden tot uw luister:
Doof het licht mijns harten niet!

Zingende stemmen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:21 Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Duco Vorster 1880-1953

Het hart spreekt

Laat mij door Uw stilten ommedolen,
waar het schendend woord van hen niet is,
dat ik – in een donker woud verscholen –
bij de geur van Uwe bosviolen
word omvat van Uw geheimenis.

Laat mij, als wie uit zijn huis getreden,
ginder in de nevelen verdween -
- nimmer nimmer hoort men zijn gewende schreden –
spoorloos in Uw stilten zijn vergleden,
waar ik eeuwig ben met U alleen.

Op uwen drempel (1926)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

mond

Een gedicht van Jan van Brabant 1253-1294

 

Ik zag nooit zo'n rode mond

Lief, mij houdt de liefde voor u
Zo vriendelijk gevangen,
Dat ik met hart en ziel
U onderworpen moet wezen.

Ik zag nooit zo'n rode mond
Noch zulke vriendelijke ogen
Als zij heeft, die mij heimelijk
In het hart heeft verwond.
Toch leef ik nog verheugd en hoop
Voor de smart te worden beloond.
Al doet ze mij minnepijn lijden:
Ze kan me spoedig genezen.

Lief, mij houdt de liefde voor u
Zo vriendelijk gevangen,
Dat ik met hart en ziel
U onderworpen moet wezen.

Ik ben gelukkig als ik bij
Mijn schone vrouwe kan zijn
En haar zuiver gelaat en
Haar gestalte kan schouwen.
God vrijware haar van leed!
Zij is zo fraai gevormd,
Dat ik haar trouw van hart
Tot elke dienst bereid moet zijn.

Lief, mij houdt de liefde voor u
Zo vriendelijk gevangen,
Dat ik met hart en ziel
U onderworpen moet wezen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

mode

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

Aan de Mode

Machtigste verleidster! wufte mode!
Godheid, duivelin! of, toveres!
't Mensdom stort met drift naar uw pagode,
Boeit zijn oor aan uwe orakelles.
Gij verwint elks hart, in spijt der reden,
't Zij ge zulks door macht of list bestrijdt;
En verdedigt alle uitsporigheden,
Daar gij zelf 't uitsporigste wezen zijt

Straks, na de eerste dracht der vijgenblâren,
Wisselde, op uw wenk, der mensen tooi,
Keer op keer, als ongestuime baren,
En in stoffe en vorm, in snede en plooi.
Sinds volgde eeuwige ebbe en vloed uw stander,
Dien gij plantte tot in 't uiterst Rijk.
Schoon zich dwaasheid duizend-werf verander',
Echter blijft zij steeds zich zelf gelijk.

Gij bestond tot slaven u te maken,
Van de huif tot aan den hoepelrok;
Van de grove pij tot aan 't scharlaken;
Van de luijr tot aan de oude stok,
Ja, gij voert ook zelfs nog na ons sterven,
Over onze lijkbus uw bestier;
En gewis begraven ons onze erven
Eenmaal naar de nieuwste mode en zwier.

Onze plechtighêen, vermaken, spelen,
Worden naar uw willekeur bepaald,
Hoge-scholen, kansels en tonelen,
Walen, zo als uw kompasnaald waalt.
Kunst en smaak, en denken en gevoelen,
Wordt van u op zijne prijs gezet;
En journalen, die uw roem bedoelen,
Zijn voor 't kies publiek een stalen wet.

Elk uitheems gebruik, de vreemdste zeden,
Schenkt gij 't burgerrecht van Nederland!
Galliër en Brit bespot met reden,
Onze kinderlijke onverstand!
Gij bestemt ons zingen, snuiven, vloeken,
Onze houding, kleding en frisuur,
Geeft ons honden, paarden, koetsen, boeken,
Maar - helaas! - ook menig zotte kuur.

Oefen vrij voortaan uw alvermogen,
Fop vrij elk, die roem op dwaasheid draagt,
Laat slechts mij, uw guichelspel onttogen,
Gaan en handlen zoo als 't mij behaagt.
Scheiden we onderling in vrede, o Mode!
Hoor mijn opzet, dat ik plechtig staaf:
Nimmer worde ik dwaas uw antipode,
Maar nog min, en dwazer, ooit uw slaaf.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

veugd en vrede

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1985 

Vreugd en vrede.

De vreugde is 't gevoel van de nakende morgen
En tooit elke stond met haar innige lach,
Evenals de vrede, na werken en zorgen
De weemoed versiert van de kwijnende dag.

Wie vreugde nooit eenzaam des morgens liet marren,
Hem zijn alle wondren begrijplijk en klaar;
De stilte der aarde, de schoonheid der starren
Maakt vrede des nachts aan ons hart openbaar.

O vreugde, kom 's morgens al dansend getreden,
En wek mij met zangen, dat steeds aan mijn zij
Uw lach moge klinken! Maar gij, zachte vrede,
O ga, als het schemert, mijn huis niet voorbij!

Onze eeuw, jrg. 17 (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

de slaap

Een gedicht van Jan Brester 1805-1862

De slaap

Wanneer de nacht
Hem tegenlacht,
Die pozing van de arbeid wacht
En stilstand van de zorgen,
Dan rust het lichaam, mat gesloofd,
Dan rust het suf gezonnen hoofd,
Hij slaapt tot aan de morgen.

Maar die de tijd,
Aan 't werk gewijd,
Steeds doel- en nutteloos verslijt,
En d' avond ziet genaken,
Hij, wie verveling plaagt en pijnt,
Hij beeft zodra de dag verdwijnt,
En kan geen ruste smaken.

Wanneer de nacht
Het leed verzacht
Van hem, die deugd en plicht betracht,
Maar worstlen moet met rampen,
Dan daalt op hem de slaap ter neer,
En geeft hem nieuwe krachten weer,
Om met het lot te kampen.

De boze keer'
Naar 't rustbed weer,
Dat hem der wroegings spokenheer
Des morgens deed ontvlieden;
Al heeft hij aanzien, schat en macht,
De slaap, waarnaar hij rustloos smacht,
Wil hem geen laafnis bieden.

Ja, troosteres
En rampvoogdes!
Gij geeft ene onontwijkbre les
Aan luiaards en aan bozen;
Stort ge ook uw giften kwistig uit,
Zij worden nooit des tragen buit,
Het deel van de godlozen. 
Geen ledikant,
In weidse trant
Gebeeldhouwd door des kunstnaars hand,
Of zijden praalgordijnen,
Geen luchtig dons of zachte sprei,
Geen kamerwacht in prachtlivrei
Dwingt u er te verschijnen.

Geen stromatras,
Die d'armen pas
't Vermoeide lijf ten leger was,
Hebt gij dáárom ontweken;
De krebbe, waar de deugd in rust,
Door noeste vlijt in slaap gesust,
Kan van uw goedheid spreken.

Ja, Slaap! kunt gij
(Schoon 't lot ook vrij
Balsturig op de stervling zij)
Des levens zuur verzoeten;
o! Breng mij op uw wieken dan,
Waar ik de ramp trotseren kan,
Die wegduikt aan mijn voeten.

'k Wil, noest en braaf,
Uw diere gaaf,
Wie in 't gareel der ondeugd draav',
In al haar volheid smaken;
Van schoner morgenstond bewust,
Zij kalm eenmaal mijn jongste rust
En zalig 't laatste ontwaken!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Louis Davids 18883-1939

Rassenhaat

Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel,
Hoe sidder ik onder de klappen
Die ons de blanke zo rijkelijk geeft,
De heren die honen en trappen,
Die onder 't mom van beschaving, cultuur,
'n Volk van miljoenen verdrukken.
Bruin is ons vel en dat geeft hun het recht
Ons 't loon van ons werk te ontrukken.

Dat is die bruine kleur
Die ons levensgeluk verjaagt,
Die de rassenhaat kweekt
Tot die éénmaal zich wreekt,
Die de mensen tot dieren verlaagt.

Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel,
Veel blanker dan Hollandse heren
Die zonder schaamte in 't zonnige land
De inlandse vrouwen onteren.
En wij, de zonen van 't schandesysteem,
Worden bespot en vergeten.
Of als een hond door het gouvernement
Ruw in de kampong gesmeten.

Dat is die bruine kleur
Die ons levensgeluk verjaagt,
Die de rassenhaat kweekt
Tot die éénmaal zich wreekt,
Die de mensen tot dieren verlaagt.

Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel,
Bruinen en blanken zijn mensen
Die hebben harten en zielen als gij,
Mensen die aad'men en wensen.
Christenen, reik ons de broederhand toe,
Anders zult gij het beleven
Het bruine jong eens de misdaden wreekt
Aan hun moeders bedreven.

Dat is die bruine kleur
Die ons levensgeluk verjaagt,
Die de rassenhaat kweekt
Tot die éénmaal zich wreekt,
Die de mensen tot dieren verlaagt.

1924



schrijver

Geschreven door Dora om 19:29 Reageer op dit bericht

voorrang

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

Voorrang des slaaps.

De zuigling kent nog niet
De wijn: de grijsaard kent
Niet meer 't genot der min.
De jongling proeft en kwijnt:
De man slechts drinkt en mint.
Maar allen kennen ze,
Genieten ze de slaap.
Ik sliep gewiegd, als kind;
Ik sliep, als jongeling:
Thans slaap ik als een man:
En zal, zo 'k hoop, eenmaal
Als grijsaard slapen. En,
Welk blij vooruitgezicht!
Ik zal een lange nacht
Ten laatste slapen in 't
Gemakkelijke graf.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten