Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

zoeken

Een gedicht van Piet Renssen 1902-1936

Wij zoeken God

Wij zoeken God, die niet dan in geluk
Gevonden wordt, in angst en ongeluk.
Van dag tot dag, om onze weg te korten,
Maakt God het leven, onze weerstand, stuk.

Opwaartsche wegen, jrg 9 (1931-1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

simplicitas

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

SIMPLICITAS

Ik denk bij de regen
slechts aan een paraplu, 
want ik ben heel simpel,
simpeler dan U.

Zout is voor mij oorzaak   
van een bruine huid,  
want ik leg de dingen   
erg simpel uit.   

Ik vind socialisme 
zonder meer verkeerd, 
want ik ben nu eenmaal   
ongecompliceerd.

Praat ik over liefde,
dan denk ik slechts aan vlees,
want ik moet bekennen,
dat ik niet veel lees.

Ken wel wat manieren:   
mes en vork opzij –
maar ik zou willen zeggen:  
d’r zit niet veel bij. 

Toch komt wel mijn vader 
uit een goed milieu  
en ook voor mijn moeder  
is het reuzesneu.

Chansons, Gedichten en Studentenliederen (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

slagveld

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

OP HET SLAGVELD.

Door de kruitwolk en des slagvelds gruwelen,
zoekend stapt de Non waar hulp en troost biên.
Bloedig stort alom de krijgsman neder.

Lijk een engel komt zij toegevlogen,
knielt, verzorgt hem, biddend of met zoete
woorden hem vertroostend, helpt hem sterven...

Ginter verre donderen de kanonnen,
spuigend. - Stervend stort de maged neder. -
Ruiters stormen henen, lijken trappelend. -

Meer dan ene name zal men roemen,
meer dan ene held na 't bloedig kampen;
U niet, Vrouwe, groter dan de krijgsheld!

Och, 't is waar, wie kent uw name, Nonne,
en of gij eens arme werkmans kind waart
of der ridders die ter kruisvaart togen?

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:50 Reageer op dit bericht

lichaam

Een gedicht van Piet van Renssen 1902-1936

Ons lichaam rust wanneer wij eindlijk slapen

Ons lichaam rust wanneer wij eindlijk slapen,
Maar meer de ziel van het langdurig waken.
Dan rijst zij traag uit haar kortstondig thuis
Om tot de droom, die leven heet, te ontwaken.

Opwaartsche wegen, jrg 9 (1931-1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Karel van den Oever 1879-1926

Herfst

Het beukenbos is bruin als oud-geroest ijzer
en er staat een eik vol gouden munt,
de bewaasde vijver ligt vol puin van blâren
gelijk in mijn hart 't verdriet van de dag.

En er zit een mus eenzaam op een tak
zoals ik-zelf woon in dit land.

O mijn hersens, verkankerd van 't verdriet,
en mijn bloed verouderd in mijn lijf...

De vliegzwam gloeit als een bloedvlek in 't bos
en 't bos ruikt als een lijk;

mijn voeten gaan over 't mollig mos
als over week, rot vlees...

En ik denk aan Jezus-Christus, mijn God,
die stierf op een dood hout uit 't bos,

o, Jezus-Christus!...

Verzen uit oorlogstijd (1914 - 1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:39 Reageer op dit bericht

slaap

Een gedicht van Piet van Renssen 1902-1936

In onze slaap gaan wij tot God terug

In onze slaap gaan wij tot God terug.
Ontwaakt, begrijpen wij opnieuw te zwerven.
Het leven houdt ons tegen tot wij sterven.
Dan keren wij voorgoed tot God terug.

Opwaartsche wegen, jrg 9 (1931-1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

vagebond

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De vagebond

De dagen zijn te lang, en krap mij toegemeten
De dove rust des slaaps, van dalend licht tot licht
Zo spoedig kan ik niet verdromen en vergeten.
'k Ontwaak, een zieke gloed op 't benig aangezicht.

En elke dag, als nu, zet ik mijn doelloos zwerven,
Mij zelve honende, opnieuw en immer voort.
Mijn hart slaat jachtiger, hoe meer mijn krachten sterven,
En 'k jaag, als waar 'k een dier, mij aan met tierend woord.

Ik liep vandaag genoeg, ik kan geen pad meer treden.
De korte klinkerstraat ter deur is haast te veel.
Mijn handen zijn te slap om 't smekende gebeden
Brood uit de bedelzak te brengen naar de keel.

In 't half gedempte licht ten deel der boerenhoeve,
Sterk' mij een beter maal, de matte melodij
Van trieste zang zij 't loon; men verge van den droeve
Geen luchtiger dan die: zijn vreugde is zelfs niet blij.

Bij 't dampbeslagen licht der kleine stallantaren
Brengt men mij tinnen kroes en toegedekte teel.
En wat hun zatheid mij verachtelijk wou sparen,
Wordt tot een koningsmaal, zo uitgezocht en êel.

De knechten korten mij, wijl ik vol statie tafel,
Den tijd met groven scherts en goedgemeende raad.
Ik duld hun spotternij op vodden en gerafel,
Als een goedmoedig vorst zijn hofnar kallen laat.

Wat zou hun schalke jok mijn rustigheid verstoren,
Daar ik mij zelve kwets en altijd dieper wond?
Gehoord, vergeet ik 't reeds, maar nimmer gaat verloren,
Waarmee 'k de ellendigheid der eigen ziele schond.

En nooit ontsnapt mijn mond de bitterheid van 't leven:
Heel de aarde tot bezit en nergens heul en rust.
Doch weegt het leed tè zwaar, dan glimlach ik maar even,
En hun nieuwsgierigheid is weer in slaap gesust.

Dan klim ik, als een prins, ten geurige alkove
Van hooi een paardendek als zachte peluw mee.
En als 'k mijn kleumse leên tot milde warmte stove,
Schikt aan mijn voeten zich de goede hond gedwee.

Zo sluimer ik een wijl. Als 't licht de kim komt roden,
Lekt reeds zijn lauwe tong de slaap van mijn gezicht.
En zuchtend rijs ik weer, en ga, en dank de boden.
Doch, brommerig en slaaps, slaan zij de deuren dicht.

O wijde wereldrijk, weer zwerven mijne voeten,
Weer ga 'k, met tranend oog, uw wijde einder toe.
Och, mocht 'k dees avondstond die diepe rust gemoeten,
Die nimmer einde neemt: ik ben zo moe, zo moe.

Gestalten en Stemmingen (1911-1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

graan

Een gedicht van Aart van der Leeuw  1876-1931

HET GRAAN

Zon en wind zijn de gezellen
Van de helle vreugd,
Die hun moedwil op doet wellen
In de bloem der jeugd —

Waaiend haar, gekreukte kleedren
En een losse strik,
Zelfs de ziel draagt lichte veedren
Als een leeuwerik. -

Maar zich 's middags neer te vleien
In het warme graan,
Al die gouden arenrijen
Rond zich te zien staan,

En het wonder te begrijpen
Van het nauw verbond
Tussen hun geduldig rijpen
En de trouwe grond,

Zal dit niet een weelde blijken
Voor de wandelaar,
Die zichzelf mag vergelijken
Met een vruchtbaar jaar?

Zon en wind zijn de gezellen
Van de helle vreugd,
Doch de zoete korrel zwellen,
Liefde, doet Uw deugd.

Opvluchten (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

korenwanner

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

EEN KORENWANNER  AAN DE WINDEN

Ik offer vermiljoene rozen,
En leliën en violetten
En bloemen vers geplukt, die blozen,
Waar op de dauw haar paarlen zetten;
En strooi ze met gewassen handen
Op uw altaar, o lichte veugels!
Gebroederen, die alle landen
Der wereld met uw snelle vleugels
Doorreist, en met een duislig ruisen
Het schaduwrijke loof beweegt,
Waar door gij zachtjes heen komt bruissen,
Wanneer gij al de vlakten veegt.
Ei, azem met uw droge asem
In 't winterkoren dat ik wan,
Opdat de lucht met vochte waassem
Mijn dorsvloer niet beschaden kan!

------------------------------
veugels - winden
duislig - zacht-speels

Mengeldichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

verlangen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Verlangen.

In de nachtlijke stilt' van mijn dromen,
Als geen windeken ruizen in 't groen,
Als geen vogelken fluit in de bomen,
Wekt mij telkens hetzelfde visioen.

Langs de ronding der reuzige bogen,
Stort haar zilveren stromen de maan,
Op de golven, zich heffend ten hogen,
Waar de sterren te vonkelen staan.

Ach! de maan is zo hoog aan de kimme!
Ach! zo laag, in haar bedding, de zee!
Hoe zij smacht', hoe zij tracht', hoe zij klimme,
Onverhoord blijft haar brandende beê.

En zij kán tot haar liefste niet komen
En haar liefste niet dalen tot haar...
- In de nachtlijke stilt' van mijn dromen
Stijgt mijn ziel met de ziedende baar.

Doch al rijze ook mijn zwellend verlangen,
Als de wellende golven der zee,
En al stapele ik zangen op zangen,
Ik bestijg er mijn hemel niet mee!

Beelden en stemmen (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten